Thema’s aangaande mensenrechten (berichten)

Verpleeghuisarts vervolgd voor euthanasie bij demente vrouw

Openbaar Ministerie, 9 november 2018. Een verpleeghuisarts die in april 2016 euthanasie uitvoerde bij een 74-jarige demente en wilsonbekwame vrouw, wordt vervolgd. Het College van procureurs-generaal heeft dit besloten op basis van…

Openbaar Ministerie, 9 november 2018.

Een verpleeghuisarts die in april 2016 euthanasie uitvoerde bij een 74-jarige demente en wilsonbekwame vrouw, wordt vervolgd. Het College van procureurs-generaal heeft dit besloten op basis van strafrechtelijk onderzoek. Het is de eerste keer dat het Openbaar Ministerie (OM) een arts vervolgt voor euthanasie sinds de invoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in 2002. In deze zaak spelen belangrijke rechtsvragen over de levensbeëindiging van dementerenden. Om deze vragen beantwoord te krijgen, legt het OM deze specifieke kwestie nu aan de rechter voor.

De Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) concludeerde begin 2017 dat de arts in deze zaak niet zorgvuldig heeft gehandeld. Volgens de RTE had de vrouw enkele jaren voor haar opname in het verzorgingstehuis een wilsverklaring opgesteld, maar was die onduidelijk en tegenstrijdig. Ook heeft de arts volgens de RTE een grens overschreden bij de uitvoering van de euthanasie. De RTE stuurde de zaak zoals gebruikelijk bij een oordeel ‘onzorgvuldig’ door naar het OM voor een strafrechtelijke beoordeling.

Het College concludeerde in september 2017 dat er dusdanige verdenkingen waren ten aanzien van het zorgvuldig handelen van de arts dat nader strafrechtelijk onderzoek nodig was. Dat onderzoek is uitgevoerd door een officier van justitie van parket Den Haag, omdat het verpleeghuis waar de vrouw verbleef, gevestigd is binnen dit arrondissement. Na uitvoerig onderzoek is ook de officier van justitie tot het oordeel gekomen dat de verpleeghuisarts niet heeft gehandeld volgens de wettelijke normen. Het OM vindt het belangrijk dat de rechter beoordeelt of de arts mocht vertrouwen op de wilsverklaring van de vrouw. Daarnaast verwijt het OM de arts dat deze zonder dit bij de vrouw te verifiëren ervan uitging dat de vrouw nog steeds dood wilde. De vrouw had weliswaar regelmatig gezegd te willen sterven, maar had ook verschillende keren gezegd niet dood te willen. Naar het oordeel van het OM had de arts bij de vrouw moeten nagaan of zij nog steeds een doodswens had door dit met haar te bespreken. Dat zij inmiddels dement was geworden doet hieraan niet af, omdat de wet, volgens het OM, ook in zo’n situatie van de arts verlangt dat het euthanasieverzoek wordt geverifieerd. Deze twee rechtsvragen over de levensbeëindiging van dementerenden, rechtvaardigen dat deze zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd.

Wanneer de zaak door de rechtbank Den Haag wordt behandeld, is nog niet bekend.

Het OM verwacht binnen enkele weken uitsluitsel te geven over andere strafrechtelijke onderzoeken naar mogelijk strafbare euthanasie. Op dit moment lopen er nog twee strafrechtelijke onderzoeken bij parket Noord-Holland. In twee andere euthanasiezaken waarin een strafrechtelijk onderzoek was ingesteld, heeft het College recent besloten deze zaken te seponeren.

 

Reacties uitgeschakeld voor Verpleeghuisarts vervolgd voor euthanasie bij demente vrouw

‘Invulling euthanasiecriteria aan update toe’

MC, 18 oktober 2018, interview. Auteur: Eva Nyst. Bij gevorderde dementie is vooral vaststellen vrijwilligheid lastig. Een net verschenen verkenning van Verenso zet het stoplicht voor euthanasie bij dementie op…

MC, 18 oktober 2018, interview.

Auteur: Eva Nyst.

Bij gevorderde dementie is vooral vaststellen vrijwilligheid lastig.

Een net verschenen verkenning van Verenso zet het stoplicht voor euthanasie bij dementie op basis van een wilsverklaring op oranje, omdat vaak niet aan de zorgvuldigheidseisen wordt voldaan. ‘De criteria in de wet gaan uit van een autonome, wilsbekwame patiënt’, zegt Verenso-voorzitter Nienke Nieuwenhuizen.

Voorjaar 2017 plaatsten 450 artsen een advertentie in de krant met de oproep ‘Niet stiekem bij dementie’. Veel huisartsen, maar ook zo’n honderd van de ruim 1700 specialisten ouderengeneeskunde ondertekenden. ‘Relatief gezien veel’, zegt specialist ouderengeneeskunde Nienke Nieuwenhuizen, voorzitter van Verenso. Voor haar was dat het moment om te gaan inventariseren welke rol haar vereniging moet spelen in de discussie over euthanasie bij wilsonbekwame patiënten met dementie. Een ledenpeiling en vele ledenbijeenkomsten en schriftelijke consultatierondes verder liggen er nu zes conclusies (zie kader) waarmee Verenso verder kan, bijvoorbeeld in het KNMG-project Euthanasie en gevorderde dementie.

Noem het vraagstuk van euthanasie bij wilsonbekwame dementiepatiënten gerust ‘de worsteling van een vereniging’, zegt Nieuwenhuizen. ‘Er zijn twee werelden, die van de jurist en die van de professional in de praktijk.’ De juristen hebben hun werk gedaan en euthanasie op basis van een schriftelijke wilsverklaring mag nu. Daarnaast bestaat de medische praktijk waarvoor de zorgvuldigheidscriteria gelden uit de euthanasiewet. De wetgever heeft echter criteria opgesteld waarbij wordt uitgegaan van een autonome, wilsbekwame patiënt. Maar een gevorderd demente patiënt van wie een schriftelijke wilsverklaring aan de dokter wordt voorgelegd, is meestal niet meer wilsbekwaam. ‘Daar moet eigenlijk nog een slag in worden gemaakt. De professionele invulling van de zorgvuldigheidscriteria is aan een update toe’, zegt Nieuwenhuizen.

‘In het publieke debat is veel te weinig aandacht voor palliatieve zorg’

Rekkelijken en preciezen.

Bij de inventarisatie onder de leden is gestreefd rekkelijken en preciezen aan het woord te laten. Over een paar dingen bleek grote eensgezindheid te bestaan, zoals over de opvatting dat er in het publieke debat veel te weinig aandacht is voor palliatieve zorg. Nieuwenhuizen: ‘Het gaat steeds over de wilsverklaring en euthanasie. Maar dat is vaak geen oplossing. Dat wil niet zeggen dat er niks anders is. We willen de leden steunen om te praten over die andere weg, van palliatieve zorg.’ De maatschappelijke gedachte over het levenseinde klopt niet meer, stelt de voorzitter. Patiënten lijken te denken dat een akelig levenseinde alleen is te vermijden met een euthanasieverzoek, van palliatieve zorg hebben ze vaak nog nooit gehoord. In gesprekken over de dood moet de arts daardoor regelmatig ‘in de verdedigingsmodus’ omdat patiënten euthanasie eisen, waardoor het gesprek over goede zorg rond het levenseinde in de knel komt, vertelt Nieuwenhuizen.

In de peiling gaf 40 procent van de artsen aan toegenomen druk te voelen om euthanasie te verlenen. Nieuwenhuizen: ‘Er is een grote maatschappelijke roep om antwoord op de vraag wanneer het nou wel mag en wanneer niet. Maar er is geen simpel antwoord. Onze leden zijn het erover eens dat we niet toe moeten naar een afvinklijstje. Het is een heel individueel verhaal.’ En best een ingewikkeld verhaal, want omdat de wet is opgesteld met het oog op een wilsbekwame verzoeker, komt de arts bij een wilsonbekwame patiënt allerlei problemen tegen als hij de zorgvuldigheidseisen langsloopt, verduidelijkt Nieuwenhuizen. ‘Het is moeilijk vaststellen of bij een patiënt met gevorderde dementie sprake is van een weloverwogen keuze, terwijl het juist bij wilsonbekwaamheid essentieel is dat je ervan overtuigd bent dat je doet wat iemand wil. Ook het vaststellen van het lijden is complex. En dan de vereiste dat er geen redelijke alternatieven zijn. Is een verpleeghuis een redelijk alternatief en wie bepaalt dat als een patiënt daar niet naartoe wil? Als sluitstuk is ook de uitvoering van een dergelijke euthanasie een uitdaging.’ Iemand met gevorderde dementie begrijpt immers niet wat de dokter komt doen. Dat euthanasie bij gevorderde dementie ook weleens als zorgvuldig wordt beoordeeld door de toetsingscommissies euthanasie, stelt Nieuwenhuizen niet gerust. Het is ‘kennelijk een heel individueel iets’ waarbij in een enkel geval wel aan de zorgvuldigheidscriteria van de wet wordt voldaan. ‘Maar meestal schuurt het’, zegt Nieuwenhuizen, doelend op het onbehagen dat artsen voelen om een mens die zich daarvan niet bewust lijkt, het leven te ontnemen.

‘Het is heel belangrijk dat patiënten weten dat euthanasie geen recht is’

Was Verenso erbij toen de ministeries van Justitie en VWS samen met de KNMG in de Handreiking schriftelijk euthanasieverzoek in 2015 vastlegden dat een schriftelijk verzoek in de plaats van een mondeling verzoek mag komen?

‘Ja, maar we hebben destijds wel aangegeven dat we problemen zagen rond de wilsbekwaamheid. Maar soms lopen de dingen zoals ze lopen. Je ziet vaker dat wordt geprobeerd een complex probleem samen te vatten in een eenduidige handreiking om zo helderheid te creëren. Onze boodschap nu is heel vervelend: “Het gaat niet 100 procent helder worden omdat het een heel individueel en contextgebonden verhaal is, waarbij de zorgvuldigheidscriteria leidend zijn.” En daarmee kom je in zo’n ingewikkeld proces, dat euthanasie bij gevorderde dementie eigenlijk bijna niet mogelijk is. In een heel uitzonderlijk geval wel, want niets in het leven is statisch. Maar bij gevorderde dementie gebeurt het eerder niet dan wel. Dus zo’n wilsverklaring is misschien niet wat men hoopt dat het is. Het is geen waardebon die desnoods door iemand anders kan worden ingeleverd.’

Zit er beweging in deze ‘waardebon’-discussie tussen de medische wereld en patiëntvertegenwoordigers als de NVVE?

‘Wij willen niet in getouwtrek terechtkomen op dat kwetsbaarste moment van het sterven, waarbij familie en patiënt tegenover een dokter komen te staan op basis van een papiertje. Daarom is het heel belangrijk dat patiënten weten dat euthanasie geen recht is van de patiënt en geen plicht van de dokter. Het probleem zit erin dat dementie een vreselijke ziekte is. We zien soms dat de patiënt lijdt, dat voelt als met de rug tegen de muur staan, maar we moeten onderzoeken wat daarop het antwoord is.’

U noemt het vaststellen van het lijden complex.

‘De vraag naar het lijden is een valkuil, maar het probleem van euthanasie bij gevorderde dementie zit hem vooral in de vrijwilligheid van het verzoek. Natuurlijk is het lijden vaak ook een vraagstuk, maar vooral omdat het er soms wel en soms niet is. De vraag is hoe een arts dat moet duiden, en of bijvoorbeeld dwanghuilen uitzichtloos en ondraaglijk is. Dat is bijna niet te bepalen als iemand niet meer wilsbekwaam is. Wat is lijden en wanneer is het ondraaglijk? En is iets wat je niet wil overdraagbaar naar de toekomst? Over die filosofische discussie zou ik wel een aflevering van Zomergasten willen, dan is er de ruimte om het in alle facetten te belichten. Daarbij moet een arts toch toetsen of de patiënt het op dat moment ook nog wil. “Ja, maar mensen schrijven het juist op voor als ze het niet meer kunnen aangeven”, hoor je soms in de discussie. Maar in de somatiek blijkt 25 procent van de mensen met een euthanasieverklaring daarop terug te komen. Bij dementie kun je dat niet vaststellen.’

Wat gaat Verenso nu doen?

‘We willen de professionele invulling van de zorgvuldigheidscriteria in kaart brengen met de KNMG en met de wetenschappelijke wereld. We gaan onze handreikingen Zorgvuldige zorg rondom het levenseinde uit 2007 en Wilsonbekwaamheid uit 2008 aanpassen aan de nieuwste inzichten. Ook willen we een bijdrage leveren aan het publieke debat, zodat het niet alleen gaat over euthanasie, maar ook over wat palliatieve zorg is. Daarover moeten we vaker in gesprek gaan. En er moet goede opvang komen voor patiënten als er een crisis is. We willen onze leden ondersteunen om – dat is per slot van rekening hun expertise – levenseindegesprekken goed vorm te geven. Daar zit een enorme hoeveelheid zingeving in. Dus misschien moeten we ook interdisciplinair aan de slag met filosofen en geestelijk verzorgers, zoals dat nu ook al met ethici gebeurt. Ook zouden we bijvoorbeeld palliatieve zorg in de geneeskundeopleiding samen met andere opleidingen kunnen doceren zoals filosofie en humanistiek. Dat is overigens mijn eigen mening, dat staat niet in onze verkenning. Volgens mij moet je daar hulp inroepen. Dit zijn vragen die voorbij het dokterschap gaan – en voorbij de juristerij ook.’

Zes conclusies

De zes uitkomsten van de Verenso-verkenning Euthanasie bij gevorderde dementie:

  1. Zorg voor mensen met dementie vraagt om palliatieve zorg. Euthanasie is slechts één van de mogelijke medische beslissingen rond het levenseinde.
  2. Tijdig en herhaaldelijk spreken over wensen is belangrijk in de zorg voor patiënten met dementie.
  3. Euthanasie komt zelden voor bij ter zake wilsonbekwame patiënten met dementie en een schriftelijke euthanasieverklaring, omdat in de praktijk vaak niet aan de zorgvuldigheidseisen wordt voldaan. Meer duidelijkheid over de professionele invulling van de zorgvuldigheidscriteria is gewenst.
  4. Euthanasie bij ter zake wilsonbekwame patiënten met dementie en een schriftelijke euthanasieverklaring is bijzonder complex en vraagt om verhelderend onderzoek.
  5. Collegiaal overleg en duidelijke kaders zijn belangrijk bij het afwegen van complexe medische beslissingen rond het levenseinde.
  6. Maatschappelijke aandacht is nodig voor een reëel beeld over het levenseinde en de waarde van een schriftelijke euthanasieverklaring. 

     

    Verenso

    Missie: wij zijn de vereniging van specialisten ouderengeneeskunde. Als leden van Verenso staan wij voor de best-passende medische zorg voor kwetsbare ouderen en patiënten met een complexe zorgvraag, ongeacht waar zij verblijven. Samen zetten wij ons in voor een hoogwaardige kwaliteit van ons medisch handelen en een optimale positie van de specialist ouderengeneeskunde binnen de gezondheidszorg.

Reacties uitgeschakeld voor ‘Invulling euthanasiecriteria aan update toe’

Groot deel van de wilsverklaringen voor euthanasie blijkt nutteloos

Trouw, 22 augustus 2018, rubriek samenleving. Auteur: Dirk Waterval. Wie denkt er te zijn met een wilsverklaring kan bedrogen uitkomen: ruim de helft van deze verklaringen is verouderd. Een groot…

Trouw, 22 augustus 2018, rubriek samenleving.

Auteur: Dirk Waterval.

Wie denkt er te zijn met een wilsverklaring kan bedrogen uitkomen: ruim de helft van deze verklaringen is verouderd.

Een groot deel van de wilsverklaringen voor euthanasie is nutteloos. Patiënten moeten de verklaring af en toe opnieuw bespreken met hun arts, zodat die in het geval van een euthanasieverzoek weet dat de levenseindewensen nog actueel zijn. Maar nog niet de helft van de mensen doet dat, blijkt uit een onderzoek van huisarts Matthijs van Wijmen, die duizenden mensen jarenlang volgde.

Op basis van zo’n oude verklaring zal een arts geen euthanasie plegen bij iemand die daar vanwege dementie niet zelf meer om kan vragen.

In een wilsverklaring leggen mensen vast hoe lang ze doorbehandeld willen worden, of in welke situaties ze euthanasie zouden willen. Iedereen mag er zelf een opstellen, maar de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) en de Nederlandse Patiënten Vereniging (NPV) geven ook modelverklaringen uit. Voor zijn onderzoek aan het Amsterdam UMC enquêteerde Van Wijmen zes jaar lang ruim 4000 leden van de NVVE en ruim 1000 leden van de NPV. Van de NVVE-leden praatte slechts 42 procent in die hele zes jaar opnieuw met zijn huisarts over de verklaring, van de NPV-leden deed zelfs maar 28 procent dat. Geen arts is verplicht mee te werken aan levensbeëindiging, ze mogen elk verzoek weigeren en doorverwijzen naar een collega. Artsen die wel meewerken willen zéker weten dat de euthanasiewens nog actueel is. Een patiënt die tien jaar geleden opschreef dood te willen als hij ooit door dementie in een verpleeghuis belandt, kan daar nu best anders over denken. Niet alleen principiële of emotionele bezwaren spelen daarin mee: artsen hebben te maken met regionale toetsingscommissies die hun handelen kunnen beoordelen als onzorgvuldig. Leunen op een oude wilsverklaring pleit niet voor zorgvuldigheid. Begin dit jaar kreeg een huisarts nog een tik op haar vingers van een toetsingscommissie omdat de wilsverklaring van haar patiënt vijf jaar oud was ten tijde van de euthanasie.

Van Wijmen kan niet zeggen hoe vaak een patiënt dan precies met de huisarts om tafel moet. Wel dat het heel belangrijk is om goed bij te houden.

Makkelijke afwijzing

“Dit is een van onze meest prangende problemen”, zegt een woordvoerder van euthanasievereniging NVVE. “Wij zijn met de artsenfederatie in gesprek om toch tot een soort richtlijn te komen over hoe vaak je het er dan precies met je huisarts over moet hebben.” Maar een harde grens van bijvoorbeeld een jaar ziet hij niet zitten. “Vond het laatste gesprek toevallig net dertien maanden geleden plaats, dan kan een onwillige arts de euthanasie alleen maar makkelijker afwijzen.” In haar ledenbestand kan de NVVE zien wie langer dan vijf jaar geleden een wilsverklaring bij haar heeft afgenomen. Die groep zal ze binnenkort een herinnering sturen.

“Zeker in de laatste levensfase kunnen wensen veranderen”, zegt een woordvoerder van artsenfederatie KNMG, die het belang van Van Wijmens studie onderschrijft. “De wens kan voor de arts onduidelijk zijn als de verklaring niet onlangs opnieuw is ondertekend.” Overigens stelden de duizenden deelnemers aan Van Wijmens onderzoek hun wensen rond hun levenseinde amper bij, zag hij in die tijdspanne van zes jaar. “Veruit de meesten pasten hun wilsverklaring niet aan na grote levensgebeurtenissen, zoals het overlijden of ziektebed van een naaste.”

Dat maakt de documenten in theorie ook na lange tijd nog betrouwbaar: kleine kans dat de patiënt er inmiddels anders over denkt. Maar een arts kan dat nog altijd niet zeker weten.

 

Noot Webredactie Juristenvereniging Pro Vita:

De NPV geeft levenswensverklaringen uit, ook wel de zogenaamde zorgverklaringen genoemd. Deze verklaringen zijn bedoeld voor normale medische behandelingen conform de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO). Ze worden afgelegd door de patiënt als hij nog wilsbekwaam is en kunnen eventueel gebruikt worden als de patiënt dat niet meer is.

Deze zorgverklaringen moet onderscheiden worden van de euthanasieverklaringen die de NVVE afgeeft. Deze verklaringen behelzen een verzoek tot euthanasie. Euthanasie is strafbaar, tenzij aan de zorgvuldigheidscriteria wordt voldaan conform de Wet Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WtL). 

Er is dus juridisch gezien een essentieel verschil tussen de twee verklaringen: de zorgverklaringen gaan over normale medische handelingen die conform de wet zijn. Euthanasieverklaringen daarentegen zijn verzoeken om levensbeëindiging, dat is ‘geen’ normale medische handeling en is in beginsel strafbaar. Het is geen recht van de verzoeker en geen plicht om uit te voeren voor de arts.

 

 

 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Groot deel van de wilsverklaringen voor euthanasie blijkt nutteloos

Zelfs een up-to-date wilsverklaring voor euthanasie biedt geen garantie

TROUW, OPINIE, dinsdag 4 september 2018 Auteur: prof. mr. dr. M.A.J.M. (Martin) Buijsen.  Martin Buijsen (1963) is hoogleraar Recht & gezondheidszorg aan de Erasmus School of Law (ESL) en het Instituut Beleid…

TROUW, OPINIE, dinsdag 4 september 2018

Auteur: prof. mr. dr. M.A.J.M. (Martin) Buijsen.  Martin Buijsen (1963) is hoogleraar Recht & gezondheidszorg aan de Erasmus School of Law (ESL) en het Instituut Beleid & Management Gezondheidszorg (iBMG) van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Patiënten die euthanasie willen, hebben de dure morele plicht hun arts daar geregeld over te blijven informeren, schrijft Martin Buijsen, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit. Maar laat niemand die patiënten wijsmaken dat ze daarmee de garantie hebben dat zij krijgen wat zij wensen.

Veel wilsverklaringen voor euthanasie zouden nutteloos zijn. Het merendeel is verouderd. Uit een onderzoek is gebleken dat nog niet de helft van de mensen hun verklaring af en toe opnieuw bespreekt met hun arts, zodat die in het geval van een euthanasieverzoek weet dat de levenseindewensen actueel zijn.

Als een wilsverklaring verouderd is, zal een arts geen euthanasie plegen bij iemand die daar vanwege dementie niet zelf meer om kan vragen. Een arts die afgaat op een wilsverklaring die volgens de regionale toetsingscommissie te oud is ten tijde van de euthanasie, loopt immers tuchtrechtelijke en strafrechtelijke risico’s.

Deze berichtgeving wekt de indruk dat voor het gehonoreerd krijgen van een euthanasiewens in het geval van wilsonbekwaamheid van de patiënt, niet méér nodig is dan een actuele en zo eenduidig mogelijke schriftelijke wilsverklaring, zolang het verzoek maar gericht wordt aan een willige arts, eentje die geen principiële bezwaren heeft tegen euthanasie.

Ongetwijfeld prozaïsch

Niets is minder waar. De redenen om deze wilsverklaringen niet te actualiseren zijn ongetwijfeld prozaïsch. Zo hebben veel mensen een inboedelverzekering waar jarenlang niet naar omgekeken is, met als gevolg dat hun inboedel in de regel onderverzekerd is. Die is immers niet meer zoals die was ten tijde van het afsluiten van de verzekering. Verzekerden zouden er daarom goed aan doen om zo nu en dan na te gaan of het maximaal uit te keren bedrag nog wel overeenkomt met de actuele waarde van de inboedel. Mensen doen dat niet, het komt er gewoon niet van.

Maar waar bij het geheel verloren gaan van een onderverzekerde inboedel verzekerden nog kunnen rekenen op een uitkering tot een bepaald bedrag, hebben patiënten die een schriftelijke wilsverklaring voor euthanasie hebben opgesteld een dergelijke zekerheid niet.

De euthanasiewet verlangt dat de arts de overtuiging moet hebben gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt. Mocht hier naar het oordeel van de bevoegde regionale toetsingscommissie geen sprake van zijn geweest, dan heeft de arts die euthanasie gepleegd heeft een probleem.

Zeer problematisch zinnetje

Maar deze eis is maar een van de wettelijke zorgvuldigheidseisen die een arts in acht te nemen heeft. De arts die euthanasie gepleegd heeft en daarbij meende zich louter en alleen te kunnen baseren op de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt heeft in beginsel een veel groter probleem, hoe actueel en eenduidig die verklaring ook is. Behalve dat sprake is van een weloverwogen en vrijwillig verzoek, eist de wet ook dat de arts de overtuiging gekregen heeft dat de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk leed, dat hij de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten, en dat hij met de patiënt tot de overtuiging gekomen is dat er geen redelijke andere oplossing was.

Nu zegt de euthanasiewet inderdaad dat de arts gevolg kan geven aan een wilsverklaring inhoudende een euthanasieverzoek, indien deze is opgesteld toen de patiënt nog wilsbekwaam was. Maar in een zeer problematisch zinnetje laat de wet daarop volgen dat de eerder in die wet opgesomde zorgvuldigheidseisen ‘van overeenkomstige toepassing’ zijn.

Hoe kunnen deze eisen van toepassing zijn op een patiënt die zwaar dement is? Lijdt zo iemand ondraaglijk? En hoe kan hij met zo’n patiënt tot een overtuiging komen? Moeilijke vragen, maar toch vragen waaraan een arts niet voorbij mag gaan.

Patiënten die euthanasie willen, hebben de dure morele plicht hun arts zo goed als maar kan te blijven informeren. Maar laat niemand die patiënten wijsmaken dat daarmee gegarandeerd is dat zij zullen krijgen wat zij wensen.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Zelfs een up-to-date wilsverklaring voor euthanasie biedt geen garantie

Te veel complicaties bij de behandelingsovereenkomst

Auteur: Prof. mr. J.C.J. Dute Jos Dute is hoogleraar gezondheidsrecht, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit Nijmegen, en lid van de redactie van TvGR. Bron: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, afl. 3, 2018…

Auteur: Prof. mr. J.C.J. Dute
Jos Dute is hoogleraar gezondheidsrecht, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit Nijmegen, en lid van de redactie van TvGR.

Bron: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, afl. 3, 2018

 

De juridische verhouding tussen de hulpverlener en de patiënt heeft doorgaans de vorm van een overeenkomst. Daarvoor kent Boek 7 BW een aparte afdeling, waarin deze contractuele rechtsverhouding is neergelegd als een bijzondere overeenkomst van opdracht: de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling. In de literatuur wordt deze overeenkomst overigens steevast de ‘geneeskundige behandelingsovereenkomst’ genoemd, terwijl de wet zelf (art. 7:446 lid 1 BW) de overeenkomst nadrukkelijk aanduidt als ‘behandelingsovereenkomst’.

De behandelingsovereenkomst vervult in de verhouding tussen de hulpverlener en de patiënt een cruciale rol, omdat zij drager is van en invulling geeft aan de patiëntenrechten. Helaas bestaat in de praktijk over de behandelingsovereenkomst nog veel onduidelijkheid.
Zo is vaak niet helder wanneer de behandelingsovereenkomst precies aanvangt: reeds bij het maken van de afspraak met de hulpverlener, bij het eerste echte contact met de hulpverlener of pas nadat de hulpverlener de patiënt daadwerkelijk als zodanig heeft geaccepteerd? En wanneer kan precies worden gesproken van een behandelingsovereenkomst bij hulpverlening in een acute situatie? Of bij een internetconsult? Jurisprudentie ontbreekt, in richtlijnen van de KNMG worden wel enkele handreikingen ter zake gedaan.
Vragen over de behandelingsovereenkomst zijn er ook in de relatie tussen de huisarts en de patiënt. Is daar sprake van twee behandelingsovereenkomsten, een doorlopende overeenkomst en een bijzondere die met de arts wordt gesloten bij elk consult? Of is sprake een ‘slapende’ overeenkomst die herleeft, telkens wanneer de patiënt zich tot de huisarts wendt?
Soms is niet duidelijk of überhaupt een behandelingsovereenkomst tot stand komt. Het gaat dan in het bijzonder om de vraag of (nog) sprake is van handelingen op het gebied van de geneeskunst. Daarover bestaat overigens wel enige jurisprudentie. Met name lagere rechters zijn naar mijn indruk betrekkelijk snel geneigd om het bestaan van een behandelingsovereenkomst aan te nemen, als sprake is van een zorgvoorziening of -ondersteuning (ADL-assistentie) waarvan (eenvoudige) medische handelingen deel uitmaken.

Bij een overeenkomst is het van essentieel belang om te weten wie daarbij partij zijn

Bij een overeenkomst is het verder van essentieel belang om te weten wie precies partij daarbij zijn. Bij de behandelingsovereenkomst wordt de ene partij door de wet aangeduid als de ‘opdrachtgever’. Dit kan zijn de patiënt zelf dan wel een derde, waarbij degene op wie de handelingen betrekking hebben de patiënt wordt genoemd. Opdrachtgever is in de context van de gezondheidszorg niet zo’n aansprekende term. Weinig patiënten zullen zich de opdrachtgever van de arts voelen. Afgezien hiervan, het is logisch dat de patiënt de ene partij bij de behandelingsovereenkomst is, dus waarom dan ook niet die term (in plaats van opdrachtgever) gehanteerd in art. 7:446 lid 1 BW? Nagenoeg alle verplichtingen van de hulpverlener dienen ook te worden nagekomen jegens de patiënt, niet jegens de opdrachtgever. Alleen bij de loonverschuldigdheid noemt de wet de opdrachtgever (art. 7:461 BW). Aan de opdrachtrelatie als zodanig wordt met het gebruik van de term patiënt niets afgedaan.
Bij de opdrachtgever, niet zijnde de patiënt zelf, is men geneigd te denken aan de situatie van – al dan niet wettelijke – vertegenwoordiging. Daarvoor is deze constructie echter niet nodig, en ook niet bruikbaar, omdat bij vertegenwoordiging niet de vertegenwoordiger, maar de vertegenwoordigde de contractspartij wordt. Hoe nodig en wenselijk is het dat een ander dan de patiënt contractspartij is bij de behandelingsovereenkomst?

Met de invoering van de integrale bekostiging in ziekenhuizen is boven de vraag wie als wederpartij van de patiënt heeft te gelden, zware mist komen te hangen. Voorheen, toen de vrijgevestigde medisch specialist nog op basis van een toelatingsovereenkomst met het ziekenhuis werkte, werd aangenomen dat er twee behandelingsovereenkomsten tot stand kwamen: één met de specialist voor de geneeskundige behandeling en één met het ziekenhuis voor de verpleging en verzorging. Sinds het vervallen van het zelfstandige declaratierecht hebben de medisch specialisten zich in veel gevallen verenigd in een medisch-specialistisch bedrijf (MSB), dat een samenwerkingsovereenkomst met het ziekenhuis sluit. Sluit de patiënt nu nog steeds een zelfstandige behandelingsovereenkomst met de medisch specialist? Of wordt die overeenkomst met het MSB gesloten? Of komt er nog maar één behandelingsovereenkomst tot stand, namelijk alleen met het ziekenhuis, voor het geheel van de behandeling, de verpleging en de verzorging? En hoe ligt de situatie als de specialist via een specialistenmaatschap of -coöperatie medeaandeelhouder van het ziekenhuis is? De opvattingen hierover lopen uiteen.

Voor de patiënt is het ziekenhuis als enige contractpartij wel zo duidelijk. Dat is ook de schijn die jegens hem wordt gewekt. Van een MSB zal de patiënt doorgaans geen weet hebben. En of een specialist in loondienst van het ziekenhuis is dan wel op andere basis daar werkzaam is, zal hij doorgaans evenmin weten. Om nog maar niet te spreken van de gevallen waarin de specialist in loondienst van het MSB is. Of dat sprake is van medeaandeelhouderschap. De gedachte van een integrale zorgaanbieder ligt ook ten grondslag aan de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

Fiscale overwegingen behoren niet bepalend te zijn voor de vraag met wie een behandelingsovereenkomst tot stand komt.

Meer duidelijkheid is gewenst

Meer duidelijkheid over de vraag wie precies partij zijn bij de behandelingsovereenkomst is zeker gewenst. Van de rechter zal die duidelijkheid niet snel komen. Met de regeling van de centrale aansprakelijkheid van het ziekenhuis kan de rechter de vraag naar de precieze rechtsverhoudingen binnen de instelling immers veelal laten rusten, en dat doet hij dan ook. De voorgenomen wettelijke herziening van de regeling van de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling zou een goede gelegenheid zijn om meer klaarheid te brengen in de vraag wie partij zijn bij de behandelingsovereenkomst. Wat mij betreft zijn dit aan de ene kant de patiënt en aan de andere kant, in de ziekenhuissituatie, het ziekenhuis.

Over de behandelingsovereenkomst bestaan veel vragen – naar mijn oordeel te veel vragen, voor wat de ruggengraat van de hulpverlener-patiëntrelatie en de in die verhouding geldende patiëntenrechten vormt. Die rechtsverhouding kan en moet eenvoudiger te regelen zijn.

Reacties uitgeschakeld voor Te veel complicaties bij de behandelingsovereenkomst

Donordilemma’s

Elsevier weekblad, 17 maart 2018 Auteur: Joppe Gloerich   ORGANEN/ Uit de vele reacties blijkt hoe beladen de vernieuwde donorwet is. Dat Eerste en Tweede Kamer zich hebben uitgesproken, betekent…

Elsevier weekblad, 17 maart 2018

Auteur: Joppe Gloerich

 

ORGANEN/ Uit de vele reacties blijkt hoe beladen de vernieuwde donorwet is.

Dat Eerste en Tweede Kamer zich hebben uitgesproken, betekent niet dat de emoties zijn verdwenen. Een omstreden wet ontleed aan de hand van drie stellingen. “Hersendood is niet echt dood”; “Van nabestaanden wordt te veel gevraagd”; “Het recht op onaantastbaarheid van het lichaam geldt ook na de dood.”

zie: https://provita.nl/wp-content/uploads/2018/04/2018-03-17-Elsevier-Donordilemmas.pdf

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Donordilemma’s

Hoezo ‘het staat niet in het protocol’?

Medisch Contact, 21 februari 2018 Auteur: drs. Roel van Oosten, voormalig predikant in Warnsveld, nu coach van predikanten. Roel van Oosten kreeg slokdarmkanker en koos ervoor om van een operatie af…

Medisch Contact, 21 februari 2018

Auteur: drs. Roel van Oosten, voormalig predikant in Warnsveld, nu coach van predikanten.

Roel van Oosten kreeg slokdarmkanker en koos ervoor om van een operatie af te zien. De behandelend artsen hadden weinig begrip voor deze afwijking van het protocol. Een pijnlijke constatering voor Van Oosten, die pleit voor échte shared decision making.

Ervaringen van een kankerpatiënt die niet geopereerd wilde worden. In oktober 2015 constateerde de mdl-arts bij mij een tumor op de grens van maag en slokdarm. Meteen bij de eerste diagnose gaf hij de twee opties aan: als er uitzaaiingen zouden zijn kwam ik in aanmerking voor palliatieve behandeling, zo niet, dan kon ik meedoen aan een curatief traject. Het protocol hiervoor was meteen heel helder. Het traject zou namelijk bestaan uit vijf weken chemoradiatie, twee maanden later gevolgd door operatieve verwijdering van de slokdarm. Dit alles onder leiding van de chirurg.

Behandelaar

Blijkbaar was ik er op tijd bij geweest, want er leken geen uitzaaiingen te zijn. Een opluchting. Conclusie was dat ik ‘dus’ aan het curatieve traject ‘mocht’ meedoen, wat aanvankelijk voelde als een voorrecht.

De chirurg werd mijn behandelaar, en daarmee lag meteen vast dat ik geopereerd zou worden. Achteraf vind ik dat geen goede procedure, omdat niet vaststaat dat opereren altijd verstandig is. Een chirurg is dan niet de aangewezen professional om mee te overleggen over al of niet opereren. Het lijkt mij beter als, in dit geval, de mdl-arts de behandelaar blijft tot en met de chemoradiatie.

Overigens wil ik graag vermelden dat ik tijdens de onderzoeken diep onder de indruk raakte van de voortreffelijke zorg en organisatie. En ik keek met verbazing naar de ingenieuze apparatuur. ‘Hulde aan al die stille ontwikkelaars!’ dacht ik regelmatig. Ook was het leuk om ‘jonge’, bekwame artsen tegen te komen.

Chemokuur

Het gesprek ter voorbereiding op de chemokuur vond ik een deprimerende ervaring: het leek of de bijsluiter van de medicijnen werd voorgelezen. Met een steen op de maag gingen we er weg. De chemoradiatie zelf was een pittig traject van één keer per week gedurende vijf weken een chemo-infuus en 23 bijna dagelijkse bestralingen. Het was niet leuk, maar de zorgvuldige en goede zorg in de verschillende behandelcentra maakte diepe indruk op me. Ik verdroeg de behandelingen behoorlijk goed. En ik praktiseerde wat ik van een vriendin had geleerd: elke dag een uur wandelen.

Nieuwe kwalen

Pas na afloop van de chemoradiatie kon ik een gesprek met Henk aan, die ik jaren eerder had leren kennen en over wie ik had gehoord dat hij was geholpen aan een tumor in de slokdarm. ‘Het ging heel goed met hem!’, werd me gezegd, wat mijn stap vergemakkelijkte. Toen ik hem echter thuis opzocht, bleek het tegendeel het geval te zijn. Hij had in het halve jaar na de slokdarmoperatie al vier keer in het ziekenhuis gelegen met ernstige longontstekingen ten gevolge van nachtelijke refluxen. En ondanks de sondevoeding kwam hij maar niet op krachten.

Uit alle schriftelijke informatie die ik had gekregen, had ik ook al begrepen dat de operatie een ernstige kwaal wegneemt, maar ook een aantal nieuwe kwalen kan veroorzaken. De ervaringen van Henk schokten me en stimuleerden me om zelf te beslissen of ik deze operatie wilde ondergaan.

Protocol zonder stopmoment

Achteraf verbaast het me dat het protocol geen aanwijzingen geeft om de patiënt behulpzaam te zijn bij het nemen van een besluit over wel of geen operatie. Ik heb wel enkele gesprekken met de chirurg gehad, maar die waren gericht op chemoradiatie respectievelijk operatie. Van meet af aan leek het protocol vast te staan, zonder tussentijdse evaluatie, zonder een ‘stopmoment’, waarin het vervolgtraject besproken kan worden. Ik vind dat dat beter kan en moet: na chemoradiatie ten minste één of twee gesprekken met een mdl-arts, huisarts, geriater, psycholoog of geestelijk verzorger – in elk geval met iemand die niet al te strikt in het protocol zit – om ook nuanceringen en alternatieven serieus te kunnen overwegen, waarna de patiënt met ‘hoofd en hart’ een besluit kan nemen. Bij mij heeft zo’n moment geheel ontbroken. Ik heb dan ook mijn eigen evaluatie georganiseerd.

Toenemende weerzin

Op eigen initiatief ben ik twee weken bezig geweest met mijn afwegingen. Iedereen die bij ons op bezoek kwam, vertelde ik ‘dat het redelijk goed ging, maar dat ik nu een besluit moest nemen over al of niet opereren’. Hierop volgden vele gesprekken. Ik nodigde ook mijn huisarts en enkele medische vrienden uit. Ik heb het ervaren als een intense fase.

In die dagen kwam ook sterk de herinnering bij me boven dat ‘mijn ziel een sprongetje van vreugde had gemaakt’ toen de radiotherapeut-oncoloog zich op enig moment had laten ontvallen ‘dat het heel goed mogelijk is dat de kwaal na chemoradiatie niet meer terugkomt, maar dat daar nog geen meetapparatuur voor is.’ Naarmate ik deze gesprekken voerde, voelde het steeds onverdraaglijker dat ik na een operatie te horen zou krijgen: ‘De slokdarm was helemaal schoon, meneer! Gefeliciteerd!’ Dan zou er onnodig iets onomkeerbaars gebeurd zijn, met alle mogelijke gevolgen van dien. Daar komt nog bij dat de vijfjaarsoverleving na chemoradiatie én operatie ongeveer 40 procent is. Dus worden velen daarna alsnog genekt door al aanwezige uitzaaiingen.

Mijn toenemende weerzin tegen een operatie werd dus veroorzaakt door het ‘optellen en aftrekken’ van kansen en risico’s, en door mijn gevoel – of, zoals ik dat toen noemde: de ‘mogelijke wijsheid van mijn lichaam’.

Strenge exercitie

Dit keuzeproces was heel enerverend. Ik had het gevoel dat mijn leven aan een zijden draadje hing, en dat ik maar één keer goed kon kiezen. Terwijl aan beide kanten grote risico’s zaten.

De uitslagen van de scans hielpen me: de chemoradiatie bleek heel effectief te zijn, en de tumor leek verdwenen.

Op advies van mijn huisarts schreef ik de chirurg alvast een brief over mijn twijfels en vragen. Ik had daarbij het gevoel dat ik iets wilde wat dwars inging tegen de goede orde. Ik voelde me ‘eigenwijs’. De chirurg was inderdaad verbaasd over mijn afwegingen. ‘Ik heb dit nog nooit meegemaakt’, zei hij, en stelde voor dat ik zou gaan praten met een geriater en een PET-scan zou laten maken.

Het gesprek met de geriater was prettig. Ik voelde me serieus genomen, begrepen. En ook de uitslag van de scan was goed. Wel moest ik daarna bij de chirurg twee keer uitdrukkelijk uitspreken dat ik ‘dus niet geopereerd wilde worden’. Ik vond dat een strenge exercitie. Je moet als patiënt wel heel stevig in je schoenen staan om af te wijken van het protocol. Ik vond dit heel vervelend, want het ging toch over mijn lijf en mijn toekomst. Maar het protocol leek veel gewichtiger!

Kracht van bemoediging

Als behandelaar in het vervolgtraject kreeg ik een oudere en ervaren internist, die tevens mdl-arts was. Hij bleek heel aangenaam relativerend over mijn keuze en het protocol. Ik kreeg op mijn verzoek dagelijks een maagzuurremmer en 80 mg aspirine voorgeschreven. Verschillende keren ging ik met een opgetogen gevoel bij hem weg. En een jaar na de eerste diagnose zei hij me, meteen na een scopie, met een vrolijke lach ‘dat mijn slokdarm maagdelijk schoon was’. Heerlijk. Maar ook voelde ik me door hem gezien, gehonoreerd, hij leefde mee. Ik ervoer bij hem wat ik ‘de kracht van de bemoediging’ ben gaan noemen. Dat deed me zo goed, dat ik zou wensen dat geneesheren en -vrouwen ook over déze kwaliteit royaal konden beschikken!

Angst

Helaas, deze mdl-arts is met pensioen gegaan en de nieuwe behandelaar lijkt een strikte aanhanger van het protocol te zijn. Bij de kennismaking maande hij me tot spoed om een scopie en PET-scan te laten maken. ‘Dan kan er nog geopereerd worden!’ En vervolgens: ‘U loopt wel meer risico, omdat u zich niet hebt laten opereren.’ Zelfs na goede uitslagen van de onderzoeken benadrukte hij slechts dat ik me spoedig weer moest laten onderzoeken.

De nieuwe mdl-arts joeg me eerder angst aan dan dat hij me bemoedigde. Hij was meer bezig met het protocol dan met de mens die voor hem zat. Ik vond dat heel zorgelijk. Na zo’n gesprek had ik tijd nodig om mijn vertrouwen te hervinden. En dat, terwijl het me, ‘vooralsnog’ zoals ik iedere keer zeg, heel goed ging en nog steeds gaat. In overleg met mijn huisarts heb ik intussen een andere behandelaar gezocht.

Spanningsveld

Inmiddels kan ik met voldoening terugzien op mijn keuze. Ik heb twee heel goede jaren achter de rug, waarin de tumor niet is teruggekeerd. Ik functioneer vrijwel net zo goed als voor de chemoradiatie. Dit is toch echt kwaliteit van leven!

Mijn ervaring als patiënt heeft me geleerd dat het ‘protocol’ en de wens een eigen afweging te maken, op gespannen voet staan met elkaar. Maar er is een weg om uit dit spanningsveld te komen: shared decision making. Dat vereist bij de arts een respectvolle én een bemoedigende houding, wat de patiënt ook beslist!

Ruimte voor alle afwegingen

Auteur:  mr. Marjolein Rikmenspoel MA, geestelijk verzorger in de zorg en zelfstandig publicist

De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst gaat uit van gelijkwaardigheid tussen de twee betrokken partijen, arts en patiënt.(1) De patiënt kan een behandeling weigeren of een deel ervan. Shared decision making is een recente benadering die tegemoetkomt aan de behoefte aan meer autonomie bij de patiënt. De onlangs gestarte campagne ‘Begin een goed gesprek’ van Patiëntenfederatie Nederland en de Federatie Medisch Specialisten biedt een goede aanzet.(2)

Maar shared decision making kan behalve vorm krijgen in de relatie tussen arts en patiënt, ookin breder gezelschap plaatsvinden, zoals met een geestelijk verzorger. Een belangrijk aspect van zijn/haar werk is ‘moral counseling’, waarbij ruimte is voor álle afwegingen: medische, persoonlijke, relationele, morele en levensbeschouwelijke.

Een breed gedragen (shared) besluit getuigt van zorgvuldige besluitvorming en geeft de arts een verantwoorde reden en dus valide argument om af te wijken van protocollaire voorschriften, die ook hem of haar soms in de greep houden.(3)

Shared decision making past in de nieuwe definitie van goede zorg in artikel 2 Wkkgz, maar is nog wel een uitdaging als het gaat om de invulling.(4) Als sprake is van informed disconsent zoals in deze casus, blijft de patiënt immers zorgbehoevend. De behandelovereenkomst duurt voort. Goed hulpverlenerschap vergt van de betrokken arts dat hij de patiënt nu niet in de steek laat. Bejegening is belangrijk! Juist als de patiënt in een proces van informatiewinning, afweging en risicomanagement, besluit om tegen een advies van de arts in te gaan, getuigt het van respect voor autonomie als de arts kan meebewegen. Immers, support en bemoediging vinden we vanzelfsprekend als iemand ergens voor ‘gaat’, en ook als iemand in een terminaal stadium verkeert. Maar degene die een eigenwijze keuze maakt en afziet van een bepaalde ingreep, heeft net zo goed begeleiding en ondersteuning nodig. Een patiënt heeft, zoals Van Oosten en Van Heijst verwoorden, behoefte aan een arts die bemoedigend is.(5)

Bronnen:

[1] Art. 450 luidt: Voor verrichting ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist.

[2] Zie de hulpmiddelen voor patiënt en arts op de website http://www.begineengoedgesprek.nl/

[3] Zie uitspraken Trombose-arrest/Protocol I (HR 2 maart 2001,NJ 2001, 649) en Protocol II (HR 1 april 2005, <<JA>> 2005/42) waarin professioneel hulpverlenerschap enerzijds dwingt tot het volgen van protocol, maar soms ook tot beargumenteerd afwijken van protocol.

[4] Artikel 2 lid 2 Wkkgz luidt: Onder goede zorg wordt verstaan zorg van goede kwaliteit en van goed niveau: a. die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend, en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt, b. waarbij zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard, waaronder de overeenkomstig artikel 66b van de Zorgverzekeringswet in het openbaar register opgenomen voor hen geldende professionele standaard, en c. waarbij de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen en de cliënt ook overigens met respect wordt behandeld.

[5] A. van Heijst (naast wetenschapper ook patiënte) zegt in haar artikel ‘De kunst van het dulden’ – in C. Leget, M. Smits (red.) De patiënt overvraagd, Valkhofpers 2016 – iets vergelijkbaars: ‘Niemand zei die dag iets troostends of bemoedigends.’ (p. 14).

 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Hoezo ‘het staat niet in het protocol’?

Meer dan 100.000 keer ‘nee’ in eerste week nieuwe donorwet

Elsevier Weekblad , 20 februari 2018 Auteur: Matthijs van Schie, (1992)  hij is sinds 1 februari 2018 webredacteur bij Elsevier Weekblad. Hij studeerde geschiedenis en internationale betrekkingen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam….

Elsevier Weekblad , 20 februari 2018

Auteur: Matthijs van Schie, (1992)  hij is sinds 1 februari 2018 webredacteur bij Elsevier Weekblad. Hij studeerde geschiedenis en internationale betrekkingen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het aantal mensen dat zich afmeldt als orgaandonor is fors. Sinds vorige week de nieuwe donorwet werd aangenomen, staat de teller al op meer dan honderdduizend keer ‘nee’. De wet van D66-Kamerlid Pia Dijkstra regelt dat mensen die geen bezwaar maken automatisch donor zijn.

Dat blijkt uit het aantal nieuwe registraties en keuzewijzigingen in het Donorregister, dat wordt bijgehouden door het ministerie van Volksgezondheid. De cijfers zijn vanwege de grote belangstelling tijdelijk openbaar gemaakt. Sinds vorige week dinsdag (13 februari), toen de Eerste Kamer instemde met het wetsvoorstel, hebben maar liefst 105.206 mensen in het donorregister aangegeven dat ze geen toestemming geven om na hun dood organen af te staan.

Waarom Dijkstra’s ‘donorwet’ in strijd is met fundamenteel grondrecht: lees het commentaar van Maartje Schulz

Bijna 84.000 van hen hadden vóór de nieuwe donorwet nog geen keuze gemaakt. Meer dan 21.000 wijzigden hun keuze, ook al is niet bekend wat zij eerder hadden gekozen. Op de dag dat het wetsvoorstel werd aangenomen, werd de weerzin van veel Nederlanders al duidelijk: bijna 25.000 mensen meldden bij het register: ‘Nee, ik geef geen toestemming’.

Dijkstra rekende op veel ‘nee’s’

Het aantal nieuwe orgaandonoren, een kleine 28.000, ligt veel lager. En dat terwijl de nieuwe donorwet juist méér donoren moet opleveren.

Initiatiefnemer Pia Dijkstra zei zaterdag in een interview met de Leeuwarder Courant dat ze op ‘heel veel nee’s’ had gerekend. Toch noemt ze elke nieuwe registratie winst, omdat van ongeveer negen miljoen Nederlanders niet bekend is of ze wel of geen organen willen doneren. Dat draagt volgens haar bij aan de lange lijsten met patiënten die nu wachten op een nieuw orgaan.

Wat verandert er nu de nieuwe donorwet is aangenomen? Lees de analyse van Joppe Gloerich

Veel debat en controverse

Aan de instemming met de nieuwe donorwet – die het met 38 stemmen vóór en 36 stemmen tegen nipt haalde – gingen weken van intensief debat vooraf. Het was wonderbaarlijk dat de wet door de Tweede Kamer kwam; als Kamerlid Frank Wassenberg (Partij voor de Dieren) niet te laat bij de stemming was geweest, had het voorstel niet eens de Eerste Kamer gehaald.

De stemming in de Eerste Kamer was ook al niet zonder controverse. Zo was SP-senator Arda Gerkens tegen de nieuwe wet, maar stemde ze niet omdat ze zich ‘verscheurd’ voelde tussen haar partij – die voorstander was – en haar ‘persoonlijke overtuigingen’, schreef ze woensdag op Twitter.

Ook kostte het dossier Marleen Barth (PvdA) haar positie als fractievoorzitter in de Eerste Kamer. Barth wekte de woede van een aantal PvdA-kopstukken door haar vakantie naar de Malediven, waardoor ze het belangrijke debat over de donorwet miste. Daarom besloot ze zelf af te treden.

Reacties uitgeschakeld voor Meer dan 100.000 keer ‘nee’ in eerste week nieuwe donorwet

Voor of tegen de donorwet: de dood is en blijft een relatief begrip

Dagblad Trouw, 13 februari 2018 Auteur: Willem Schoonen Een scherpe definitie van de dood is in de wetenschap niet te vinden. Net zo min als van het leven. Hersendood is niet dood,…

Dagblad Trouw, 13 februari 2018

Auteur: Willem Schoonen

Een scherpe definitie van de dood is in de wetenschap niet te vinden. Net zo min als van het leven.

Hersendood is niet dood, roepen tegenstanders van de nieuwe donorwet waarover de Eerste Kamer vandaag stemt. En inderdaad: het hart van de hersendode klopt nog. Dus als een kloppend hart de definitie van leven is, is de patiënt nog niet overleden. En een kloppend hart wás de definitie van leven, tot een halve eeuw geleden. Dood stond gelijk aan: geen pols en geen ademhaling. Hart en longen werden beschouwd als de motoren van leven; als die ermee ophielden, trad de dood in. Totdat, in 1947, voor het eerst met een flinke elektrische schok een stilgevallen hart weer op gang werd gebracht. De defibrillator, nu een apparaat van alledag, veranderde de definitie van leven, en daarmee van de dood. Een stilstaand hart was het definitieve einde niet meer. Een paar jaar later gebeurde hetzelfde met de longen. Begin jaren vijftig deed de kunstmatige beademing zijn intrede in de kliniek. Daarmee kon een uitgevallen longfunctie, tot dan een zekere pijler van de dood, worden overgenomen. Ook een stilgevallen ademhaling stond niet meer gelijk aan de dood.

Coma

Met die nieuwe technieken konden mensenlevens worden gered. Maar in de klinieken kwamen nu ook patiënten te liggen die door hersenschade in een diepe coma waren, maar wier hart en longen nog aan gang gehouden konden worden.  Artsen worstelden daarmee. Sommigen van die comateuze patiënten zouden misschien kunnen herstellen, maar anderen zeker niet, omdat de schade aan hun hersenen te groot was. Het leidde tot praktische problemen, want die diep comateuze patiënten hielden bedden bezet. En het leidde tot een ethische discussie die een vol decennium zou duren, en die reikte van de kliniek tot in het Vaticaan. Want artsen hadden weliswaar gezworen niemand zorg te onthouden, maar waren zij verplicht en was het ethisch verantwoord medische handelingen te verrichten op iemand die nooit meer tot leven zou kunnen komen? Enige duidelijkheid bracht een nieuwe technologie die toen zijn intrede deed in de kliniek: het ence­phalogram (e.e.g.). Daarmee kon worden vastgesteld of de patiënt nog hersenactiviteit vertoonde. De dood kreeg een nieuwe pijler: het ontbreken van enige meetbare hersenactiviteit. Dit werd eind jaren zestig de ‘hersendood’. Een term waarbij medici in die dagen grote aarzelingen hadden. Ze wilden niet pretenderen dat ze de dood een nieuwe definitie hadden gegeven. Ze spraken daarom aanvankelijk over ‘onomkeerbare coma’.  ‘Coma depassé’, zeiden de Fransen. Maar hersendood, ‘brain death’ in het Engels, is sinds een halve eeuw de gangbare term.

Acceptatie

Het begrip hersendood is inmiddels geaccepteerd in alle werelddelen en in alle grote religies. Verschillende landen hebben verschillende definities, maar daarin komen dezelfde basiselementen terug: geen hersenactiviteit, geen bewustzijn en reflexen, en geen spontane ademhaling. In Nederland zijn artsen gebonden aan het Hersendoodprotocol van de Gezondheidsraad, waarin precies beschreven staat welke tests gedaan moeten worden om de hersendood vast te stellen. Tegelijk met deze verandering in het medisch denken over leven en dood, kwam de transplantatiegeneeskunde op. Voor de eerste transplantaties van nier en lever, eind jaren vijftig, werd gebruik gemaakt van organen uit lijken. De ontvangers overleden doorgaans snel; toen al was duidelijk dat organen van ‘levende’ donoren beter zouden zijn. Maar artsen hadden grote aarzeling organen te verwijderen bij een levende donor, ook lag die met zware hersenbeschadiging in coma. Ook daarvoor hadden ze behoefte aan een moderne definitie van de dood. Zonder de transplantatiegeneeskunde was die discussie er ook wel gekomen. Sterker: de medici die in de jaren zestig tot de definitie van hersendood kwamen, hadden niet het idee dat orgaantransplantatie wijdverbreid zou raken. Ze zochten een richtlijn om uit te maken wie te behandelen en wie niet meer. Hersendood werd die richtlijn. Pas daarna werd die ook bepalend voor de vraag wanneer het wegnemen van organen voor transplantatie geoorloofd zou zijn. In medische ogen is de dood gradueel. Dood is wat niet meer functioneert en zijn oorspronkelijke functie ook niet kan hervatten. Dat kan voor het ene lichaamsdeel gelden terwijl het andere nog leeft. Die dood is een heel andere dan de dood van een mens, een persoon. Enige overeenkomst is dat beide onomkeerbaar zijn.

Donorwet terug in de Eerste Kamer

In theorie kan het vandaag in enkele minuten afgelopen zijn: de Eerste Kamer hoeft alleen nog maar hoofdelijk te stemmen over de donorwet van Pia Dijkstra (D66). Dat betekent 75 keer ‘voor’ of ‘tegen’, waarna Kamervoorzitter Broekers-Knol de uitslag voorleest. Maar dat is de theorie. De senaat moet niet alleen oordelen over de wet, maar ook over een motie van de PvdA-fractie. Die regelt dat nadrukkelijker wordt vastgelegd dat nabestaanden een beslissende stem hebben in het wel of niet afstaan van organen van hun dierbaren. Over die motie is discussie ontstaan. Deze zou te veel ingrijpen in het oorspronkelijke wetsvoorstel van D66. Dat ­betekent dat de motie moet worden aangepast en dat de Eerste Kamer de mogelijkheid krijgt te debatteren over de nieuwe tekst.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Voor of tegen de donorwet: de dood is en blijft een relatief begrip

Verbod op orgaanhandel werkt niet: ‘Experimenteer met het toestaan van beloning voor nierdonatie’

De Volkskrant: 22 augustus 2017 Auteur: Wil Thijssen   Het verbod op orgaanhandel werkt niet. Wereldwijd worden nieren illegaal verkocht, wat leidt tot prijsopdrijving en een gebrek aan screening en nazorg…

De Volkskrant: 22 augustus 2017

Auteur: Wil Thijssen

 

Het verbod op orgaanhandel werkt niet. Wereldwijd worden nieren illegaal verkocht, wat leidt tot prijsopdrijving en een gebrek aan screening en nazorg voor patiënten en donoren.

Landen met schrijnend lange transplantatiewachtlijsten, zoals de VS, zouden moeten experimenteren met het toestaan van beloning voor nierdonatie. Die aanbeveling doet Frederike Ambagtsheer, criminoloog en internationaal jurist aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, in haar onlangs verschenen proefschrift over orgaanhandel. ‘Je zou kunnen denken aan gratis ziektekostenverzekering, belastingvoordelen of een geldbedrag’, stelt Ambagtsheer. ‘Zo’n beloningssysteem zou door de overheid moeten worden gereguleerd.’

Orgaanhandel is in 1987 door de Wereldgezondheidsorganisatie verboden omdat die de integriteit en menselijke waardigheid zou aantasten – meestal zijn het de armste, kwetsbare groepen die illegaal een orgaan afstaan in ruil voor geld. Ambagtsheer vindt het ‘nogal paternalistisch als je zegt: jij bent te arm, we laten jou je nier niet verkopen. Orgaanhandel is misschien immoreel, maar het is ook immoreel om mensen op de wachtlijst te laten sterven’.

Waarom zou een arme zijn nier niet mogen verkopen?

Wie een nieuwe nier wil, kan er volgende week een hebben, weet Frederike Ambagtsheer na vijf jaar internationaal onderzoek naar de illegale orgaanhandel. Het verbod werkt niet, stelt ze vast, dus misschien moeten we beloningen gaan toestaan voor nierdonoren.

Erwin Kompanje, klinisch ethicus aan de Erasmus Universiteit, heeft ‘nooit goed begrepen’ waarom arme mensen hun nieren niet mogen verkopen. ‘Als zij op die manier geld willen verdienen, so what? Het is een beloning voor iets bijzonders. Als iemand altruistisch doneert, vinden we het allemaal geweldig, maar als iemand er iets voor wil hebben is het ineens immoreel. Dat roepen overigens alleen rijke mensen.’
Hoogleraar gezondheidsrecht Martin Buijsen stelt daartegenover dat de huidige regels niet voor niets verbieden dat iemand aan zijn organen verdient. ‘Het is onbetamelijk dat je arme mensen gemakkelijker kunt bewegen tot het verkopen van nieren, dan rijken. Dat verbod is vastgelegd in de mensenrechten en die zijn juist bedoeld om vooral de zwakkeren in een samenleving te beschermen. Daar is volstrekt niets paternalistisch aan.’

Actieve donorregistratie levert eveneens meer organen op en komt wél overeen met de mensenrechten, stelt Hoogleraar gezondheidsrecht Martin Buijsen

Buijsen vindt het veranderen van het huidige beslissingssysteem veel voordehandliggender: ‘Voer gewoon een geen-bezwaarsysteem voor postmortale orgaandonatie in, zoals actieve donorregistratie. Het wetsvoorstel daarvoor van D66 ligt nu bij de Eerste Kamer. Dat systeem levert eveneens meer organen op en komt wél overeen met de mensenrechten. Het werkt de wachtlijsten niet geheel weg, maar geen enkele maatregel doet dat.’

Om het orgaantekort tegen te gaan, riep Corinne Dettmeijer – de Nationaal Rapporteur Mensenhandel – eerder al op tot een politieke discussie over een strikt gereguleerde vorm van financiële beloning voor nierdonatie. Dat die discussie uitblijft is volgens haar ‘jammer, want de wetenschap verkent al jaren de theoretische mogelijkheden van een verantwoord systeem met financiële stimuli. Het onderwerp verdient bredere, politieke aandacht’

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Verbod op orgaanhandel werkt niet: ‘Experimenteer met het toestaan van beloning voor nierdonatie’

Type uw zoekwoord in onderstaand veld. Druk hierna op enter/return om te zoeken