Valt er een ‘rode draad’ te ontdekken in de voorstellen op het gebied van de medische ethiek, zools die de afgelopen jaren door de twee zgn. paarse kabinetten zijn ingediend?
Mij dunkt dat daar wel iets over op te merken valt. Er is natuurlijk ook al veel over opgemerkt, zowel in het parlement, tijdens de behandeling van enkele ingrijpende wetsvoorstellen en kabinetsvoornemens, als in de media en de vakbladen. Ook ‘Pro Vita Humana’ heeft zieh de achterliggende periode niet onbetuigd gelaten in het analyseren en bekritiseren van de qfzonderlijke voorstellen. In die zin zal dit artikel wellicht niet zo heel erg veel hebben toe te voegen aan wat al eerder gezegd en geschreven is. Anderzijds kan het beslist geen kwaad om, nu het einde van deze kabinetsperiode nadert, de balans op te maken en te bezien of achter al die verschillende voorstellen gemeenschappelijke motieven schuilgaan. Anders gezegd: uit welke wortel komen deze voorstellen voort?
Voordat we dat doen is het goed om even achterom te kijken: wat is er in zeven jaar paars eigenlijk gebeurd op medisch-ethisch gebied?

ZEVEN PAARSE JAREN…

In 1994 trad het eerste zogenaamde paarse kabinet aan: een curieus experiment van samenwerking tussen de oude tegenpolen van sociaal-democraten en liberalen, aangevuld met de libertijnse pragmatici van D66. Dat was voor iedereen wel even wennen, niet in de laatste plaats voor de betrokken partijen zelf! Misschien ligt daar wel de oorzaak dat Paars I niet datgene bracht wat men er zelf van had gehoopt en wat door vele anderen met angst en beven tegemoet was gezien: van een werkelijk fundamentele koerswijziging ten aanzien van grote maatschappelijke vraagstukken was eigenlijk geen sprake.
Het mag dan zo zijn dat Paars I tot op zekere hoogte inderdaad ‘een gewoon kabinet’ was (zoals minister-president Kok tot afgrijzen van de echte ‘paarsen’ al had aangekondigd), Paars II gaf een stroomversnelling en een radicalisering te zien. AI direct uit het regeerakkoord bleek een enorme drang om in deze kabinetsperiode in Nederland een aantal vurig gewenste ‘vernieuwingen’ door te voeren. Met name op medisch-ethisch gebied heeft men er geen gras over laten groeien. In hoog tempo werd er een groot aantal ingrijpende voorstellen en voornemens bij de Tweede Kamer ingediend; naast het wetsvoorstel ’tot openstelling van het huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht’, noem ik in het kader van dit artikel met name het wetsvoorstel tot gedeeltelijke legalisering van euthanasie, het voornemen om onder bepaalde omstandigheden abortus-provocatus toe te staan na de levensvatbaarheidgrens van 24 weken (door minister Borst aangekondigd naar aanleiding van een rapport over de praktijk van late zwangerschapsafbreking), de wet foetaal weefsel (op grond waarvan het medisch gebruik van van abortus-provocatus afkomstig ‘materiaal’ is toegestaan) en de aankondiging en enige tijd later de indiening van een Embryowet waarin – onder zekere voorwaarden – onderzoek met zgn. restembryos’ wordt toegelaten.
Daarnaast waren er nog zorgwekkende ontwikkelingen rond het kloneren, de kunstmatige bevruchtingstechnieken en de xenotransplantatie.

Inmiddels schrijven we eind 2001 en zijn de wetsvoorstellen ten aanzien van euthanasie, foetaal weefsel en embryo-onderzoek door de Tweede Kamer (de euthanasiewet ook door de Eerste Kamer) behandeld en aangenomen. Wat betreft de ‘late zwangerschapsafbreking’ is door minister Borst aangekondigd dat dit onderwerp deel zal uitmaken van een nog in te dienen voorstel rond levensbeëindiging bij wilsonbekwamen. Kennelijk is er dus een vloeiende overgang van een late abortus naar een vroege euthanasie…

Terugkijkend op de verschillende Kamerdebatten die over de hiervoor genoemde onderwerpen zijn gevoerd, moet ik zeggen dat verdriet, teleurstelling en bitterheid overheersen. Er was allereerst de voortdurende ervaring van een principiële tegenstelling wat betreft de visie op het leven en de beschermwaardigheid van het leven.
Maar wat daarnaast vooral opviel tijdens de debatten was de vastbeslotenheid van ‘paars’ (ik doel zowel op het kabinet als op de coalitiefracties) om deze voorstellen er nu en ongeschonden doorheen te krijgen. Dat leverde soms een ongehoorde druk op de parlementaire behandeling op. Bovendien bleek er bij sommigen nauwelijks tot geen bereidheid te zijn om werkelijk naar de argumenten van de tegenstanders van deze wetgeving te luisteren. Toen de fracties van ChristenUnie en SGP bij het wetsvoorstel euthanasie trachtten om via een groot aantal wijzigingsvoorstellen te komen tot versterking van de waarborgen tegen misbruik en ontsporingen, werden alle amendementen zonder omhaal als ‘overbodig’ van tafel geveegd. De politieke wens om de afspraken uit het
regeerakkoord uit te voeren won het hier onmiskenbaar van de behoefte om tot zorgvuldige wetgeving te komen.

ZELFBESCHIKKING

Wanneer ik dan nu probeer de motieven achter de verschillende hiervoor genoemde ‘paarse’ voorstellen te duiden, dan ben ik geneigd daarbij vooral te wijzen op een tweetal kernbegrippen: zelfbeschikking en instrumentalisering.
Het recht op zelfbeschikking (of: autonomie) speelde al een prominente rol bij de totstandkoming van de abortuswet: het gehoor geven aan het ‘baas in eigen buik’-denken betekende een ernstige relativering van het beginsel van de beschermwaardigheid van het ongeboren leven.
Scherper gesteld: met de aanvaarding van de Wet afbreking zwangerschap in 1981 werd in dit opzicht een principiële wissel omgezet. Goed beschouwd is de latere regelgeving ten aanzien van euthanasie hier slechts een min of meer logische vervolgstap op.
Het is dan ook bij uitstek bij de euthanasiewet dat in de debatten het zelfbeschikkingsrecht een prominente rol speelde.
Opvallend daarbij was dat er wel werd gesproken over ‘de gedachte van de zelfbeschikking’, maar doorvragen leverde een ontkenning op dat het wetsvoorstel daarop zou rusten. In de stukken werd ondermeer het volgende gesteld: “Ook de gedachte van zelfbeschikking komt in het voorliggende wetsvoorstel terug, doordat het mogelijk wordt gehoor te geven aan de wens van een uitzichtloos en ondraaglijk lijdende patiënt om te sterven. Dit uitgangspunt van zelfbeschikking kan, waar het gaat om levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, nooit worden uitgelegd als een recht op zelfbeschikking”. En ook enkele woordvoerders vermeden het zorgvuldig om in termen van een zelfbeschikkingsrecht te spreken, terwijl tegelijk kristalhelder was dat de idee van zelfbeschikking bepalend was voor hun positie.

De achtergrond hiervan is wel duidelijk: een al te onbekommerd spreken over zelfbeschikking (dat overigens geen enkele basis vindt in onze Grondwet of in internationale verdragen!) zou de onvermijdelijke vraag oproepen waarom de wetgever aan die zelfbeschikking nog beperkingen zou stellen, bijvoorbeeld via wettelijke waarborgen en de zorgvuldigheidseisen. Het punt is dat voorstanders van het gelegaliseerd doden op verzoek tegen deze vraag geen verweer hebben. Immers, waar haal je als kabinet of als parlementariër het recht vandaan om de ene patiënt wel ‘de teugels van het eigen leven in banden te geven’ (zoals een van de woordvoerders het uitdrukte) en dit een ander te ontzeggen? Zelf heb ik in het debat aangegeven ervan overtuigd te zijn dat de – impliciete – erkenning van de menselijke autonomie als essentieel element in de discussie over euthanasie en zelfdoding onontkoombaar zal eindigen in een individueel keuzerecht met betrekking tot leven en dood, waarbij alle waarborgen en begrenzingen die nu nog in de wet zijn opgenomen, vroeg of laat zullen verdampen.

INSTRUMENTALISERING

Het tweede kernbegrip is instrumentalisering van het leven. De achtergrond hier van is met name gelegen in het gegeven dat we de achterliggende periode steeds meer te weten zijn gekomen over zowel de totstandkoming als de vroegste ontwikkeling van het (menselijk)leven. De snelle toename van onze kennis op het gebied van de genetica en de ontwikkeling van de technieken als donorinseminatie, in-vitrofertilisatie en de prenatale (of pre implantatie) diagnostiek, leveren bijkans onbegrensde mogelijkheden tot menselijke beïnvloeding van de vruchtbaarheid en de voortplanting.B ij velen heeft dit proces geleid tot de gedachte dat we het leven zelf tot stand kunnen brengen en er dus ook over mogen beschikken. De motieven hierachter kunnen variëren van een ongebreidelde experimenteerzucht tot het verlangen om de gezondheid van anderen, bijv. mensen met Alzheimer of Parkinson, te dienen en te bevorderen. Maar hoe nobel het motief achter het handelen ook mag zijn, er blijft sprake van instrumentalisering van het leven: het leven van de een mag dan onder omstandigheden en binnen bepaalde randvoorwaarden gebruikt worden of – zoals bij de behandeling van de Embryowet duidelijk werd – op termijn zelfs speciaal gekweekt worden ten behoeve van het leven van een ander. Overigens werd dit bij het debat over de Embryowet ook met zoveel woorden erkend door een enkele woordvoerder van de paarse partijen: instrumenteel gebruik van leven werd ‘een rationele keuze’ genoemd, mogelijk gemaakt door niet uit te gaan van de volledige beschermwaardigheid van het leven, maar het vertrekpunt te kiezen in het principe van de toenemende beschermwaardigheid. Ik heb er de vinger bij gelegd dat het gebruik van termen als ’toenemende beschermwaardigheid’, ‘pre-embryo’, ‘embryonaal of foetaal weefsel verhullend werkt: je zou bijna vergeten dat we het nog altijd over menselijk leven hebben! Maar vragen als ‘wat is een mens?’ en ‘wanneer begint het menselijk leven?’ worden in het politieke debat eigenlijk nauwelijks gesteld, laat staan dat ze van een antwoord worden voorzien. En dat is merkwaardig, omdat we vervolgens wel regels stellen over wat wel en wat niet is toegestaan, bijvoorbeeld ten aanzien van onderzoek met embryo’s. Door formules en termen te hanteren die suggereren dat we de vragen beantwoord en de problemen hebben opgelost, worden we in Staat gesteld om te handelen zonder over de voorvragen duidelijkheid te hebben verschaft. Met andere woorden: existentiële vragen worden weggedefiniëerd, onze onwetendheid is op formule gebracht en het menselijk handelen is – in elk geval formeel – gelegitimeerd…

VERLEGENHEID MET HET LIJDEN

In het bovenstaande zagen we dat het uitgangspunt van volledige beschermwaardigheid van het leven het steeds vaker aflegt tegen het (vermeende) recht op zelfbeschikking en instrumentaliteit. Daarmee dreigt de overheid een kerntaak – te weten het beschermen van hef leven, in het bijzonder van wie zwak en weerloos is – te veronachtzamen en willens en wetens haar handen af te trekken van hen die deze bescherming juist het hardste nodig hebben: kinderen in de moederschoot, pasgeborenen, gehandicapten, psychiatrische patiënten, demente bejaarden, comateuze patiënten. Paars laadt hiermee een zware verantwoordelijkheid op zich…Op de achtergrond van dit proces, dat zeer ingrijpen is, dat wezenlijke veranderingen in de samenleving met zich brengt, bijvoorbeeld met betrekking tot het beroep van de arts, maar ook ten aanzien van de positie van de gehandicapte medemens, bespeur ik een verlegenheid met het lijden. Hier stuiten we op het diepste, meest wezenlijke verschil tussen christelijk denken en ‘paars’ denken: christenen weten dat ze met hun vragen en moeiten rondom het lijden terecht kunnen bij de Here God, de Schepper en Onderhouder van het leven; wie van die Toevlucht niet wil weten, zal sneller geneigd zijn het lijden en het leven in eigen hand te nemen. Dit volstrekt gehorizontaliseerde denken, deze godloze visie op het leven, op gezondheid en op het lijden, is deze ‘paarse draad’ in de wet- en regelgeving zoals die de afgelopen jaren op het medisch-ethisch terrein tot standis gebracht. Daar ligt dan ook het fundamentele onderscheid met de christelijke politiek, die wil rekenen met wat de God van het leven ons zegt over de waarde van ieder leven, ook het meest prille leven, het beschadigde, het gehandicapte en het naar het einde neigende leven. Ik hecht eraan in dit verband nog de volgende opmerking te maken. De ‘paarse’ voorstellen zijn, hoe schokkend ze ook zijn, niet uit de lucht komen vallen. Zoals gezegd is in 1981 met de totstandkoming van de Wet Afbreking Zwangerschap een principiële wissel omgegaan voor wat betreft de abortus provocatus. En in 1993 is met de (tijdelijke) afronding van de euthanasie discussie en de totstandkoming van de euthanasieregeling van hetkabinet Lubbers/Kok een volgende stap gezet op deze doodlopende weg. Met andere woorden: in het recente verleden zijn deuren die gesloten hadden behoren teb lijven willens en wetens op een kier gezet; deuren die nu door de paarse voet verder worden opengeduwd. Dat moet hun die voor deze beslissingen indertijd verantwoordelijkheid hebben genomen (en de toen gesloten compromissen tot op de dag van vandaag verdedigen…)te denken geven. Het is tegelijkertijd een indringende waarschuwing aan het adres van ons allemaal om dezelfde fout niet opnieuw te maken en ons niet te laten verleiden tot het sluiten van compromissen op dit terrein van leven en dood, waar wat een compromis schijnt al gauw een capitulatie blijkt te zijn.

TOT SLOT

Het gaat bij deze onderwerpen om veel meer dan een verschil van mening over politieke keuzes. Het gaat hier om kernwaarden betreffende leven en dood. Wie deze welbewust terzijde schuift en zo de grondslagen van een gezonde samenleving welbewust en fundamenteel aantast, laadt een zware verantwoordelijkheid op zich. Kwesties als abortus, euthanasie en embryo-onderzoek zijn immers – letterlijk! – van levensbelang! Daarom ook heb ik in de onderscheiden debatten steeds het kabinet met klem opgeroepen om van de gekozen weg, die naar mijn vaste overtuiging een doodlopende weg is, terug te keren. Waar de gezonde grondslagen van onze samenleving in het geding zijn, daar vragen we ons met de dichter van Psalm 11 af: ‘wat kan dan de rechtvaardige doen?’ Het is zaak dit goed te verstaan: er is bij de psalmist geen sprake van treurige berusting, van moedeloosheid; integendeel: er is meteen het opzien naar de Here, die als Koning boven alle mensen troont en alle dingen in Zijn machtige hand heeft. Hij is de onuitputtelijke bron van troosten kracht, die ons ook in een tijd waarin ‘de paarse geest der eeuw’ vaardig is over velen, kan en wil behoeden voor moedeloosheid en machteloosheid.

PS: André Rouvoet is lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en maakt deel uit van de fractie van de ChristenUnie.
Hij is onder meer woordvoerder op de beleidsterreinen Volksgezondheid en Justitie.