Naar aanleiding van het concept van de Regeling beoordelingscommissie levensbeëindiging voor kinderen van 1-12 jaar (hierna: L1-12) stuurde de JPV een juridische analyse naar verschillende wetenschappelijke politieke bureaus en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De ministeriele regeling heeft als doel een strafuitsluitingsgrond te vestigen voor artsen ten aanzien van actieve levensbeëindiging van kinderen van 1 tot 12 jaar die uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Hiervoor wil het kabinet de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen (LZA/LP) aanpassen.

Ministeriële regeling niet toereikend

Het lijkt moeilijk om op te komen tegen levensbeëindiging van kinderen die lijden. Niemand wil immers hun lijden. Juridisch gezien echter begeeft het kabinet hier op het pad van de levensbeëindiging zonder verzoek – een uiterst precaire zaak. Tenslotte is aan de strafuitsluitingsgrond van levensbeëindiging mèt verzoek door wilsbekwame personen een hele wet is gewijd (Wtl ). Maar voor kinderen wordt een ministeriële regeling toereikend geacht, terwijl zij géén verzoek kunnen doen. Voor deze regeling geldt dus geen parlementaire bespreking, geen toetsing door de Raad van State en geen toetsing aan verdragen. Dit is een grote misstap. Het heeft JPV ertoe gezet om in haar reactie op deze conceptregeling deze toetsing uit te voeren.

Strijd met rechtsorde en mensenrechten

Onze conclusie is dat de regeling L1-12 in strijd is met onze rechtsorde en het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Levensbeëindiging zonder verzoek kan daarom niet bij wet geregeld worden, en nog minder door een ministeriële regeling. De regeling beschermt geen kinderen en biedt artsen geen enkele rechtsbescherming. Wij uiten in deze analyse dan ook onze grote bezorgdheid en hopen dat de voorgestelde regeling dermate wordt aangepast dat zij daadwerkelijk bescherming biedt aan kwetsbare kinderen, hun ouders en behandelaars.

Lees hier onze volledige analyse.