admin

Vervolgd om de wilsverklaring

MC, 21 november 2018, achter het nieuws. Auteur: Eva Nyst.   Rechtszaak moet helderheid bieden over wilsvraag bij wilsonbekwame patiënten. Voor het eerst in de geschiedenis van de euthanasiewet stelt…

MC, 21 november 2018, achter het nieuws.

Auteur: Eva Nyst.

 

Rechtszaak moet helderheid bieden over wilsvraag bij wilsonbekwame patiënten.

Voor het eerst in de geschiedenis van de euthanasiewet stelt het Openbaar Ministerie vervolging in. Zeven vragen over de zaak van de specialist ouderengeneeskunde die een gevorderd demente patiënt euthanasie verleende op basis van haar wilsverklaring.

Zaak 2016-85

Januari 2017 plaatste de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) zaak 2016-85 online. Deze zaak betrof een specialist ouderengeneeskunde die aan een ernstig demente, wilsonbekwame vrouw op basis van haar schriftelijke wilsverklaring euthanasie verleende. Volgens de RTE handelde de arts niet volgens de zorgvuldigheidseisen, omdat ze niet ondubbelzinnig tot de overtuiging had mogen komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Daarbij oordeelde de RTE dat de arts een grens had overschreden door toediening vooraf van Dormicum en door niet te stoppen toen de patiënt reageerde op de toediening van de euthanatica. September 2017 startte het Openbaar Ministerie (OM) een strafrechtelijk onderzoek naar de casus. Juli 2018 berispte het regionale tuchtcollege in Den Haag de arts na een klacht van de inspectie; de arts ging hiertegen in beroep. Op 9 november maakte het OM het besluit tot vervolging openbaar.

Wat wordt de arts precies ten laste gelegd?

Het College van Procureurs-Generaal besloot tot vervolging over te gaan, zodat de rechter kan beoordelen ‘of de arts mocht vertrouwen op de wilsverklaring van de vrouw’, zo laat het OM in een persbericht weten. Bovendien had de arts volgens het OM met de vrouw moeten bespreken of ze nog steeds een doodswens had. Dat zij dement was ‘doet hieraan niet af, omdat de wet ook in zo’n situatie van de arts verlangt dat het euthanasieverzoek wordt geverifieerd’. Het OM zegt niets over de manier waarop de euthanasie is uitgevoerd. Dat is opvallend, omdat de toetsingscommissies bezwaar maakten tegen het feit dat de arts vooraf midazolam in de koffie van de vrouw deed en dat ze niet stopte toen de patiënt een terugtrekbeweging maakte met haar arm.

Wanneer komt de zaak voor de rechter?

Procureur-generaal Rinus Otte zei bij tv-programma Nieuwsuur dat ‘al veel voorwerk’ is verricht. ‘Dus we hopen dat zo’n zaak als deze binnen een halfjaar tot een einde komt bij de rechtbank, en als de zaak daarna verdergaat, hopen we dat die met spoed plaatsvindt bij het gerechtshof en daarna eventueel bij de Hoge Raad’, zei Otte ook. De datum van het hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is nog niet bekendgemaakt.

Twee SCEN-artsen gaven positief advies aan de specialist ouderengeneeskunde. Geeft dat de arts enige juridische bescherming?

De SCEN-consultatie is bedoeld om de arts te laten reflecteren op het eigen oordeel, om daarmee een zorgvuldige besluitvorming te waarborgen. Maar het blijft de verantwoordelijkheid van de arts of aan de zorgvuldigheidseisen van de euthanasiewet is voldaan, zo meldt de KNMG op de SCEN-website. De SCEN-arts geeft een oordeel over de eerste vier zorgvuldigheidseisen (verzoek, lijden, voorlichting, alternatieven) en niet over het vereiste van een medisch zorgvuldige uitvoering. In deze zeer complexe casus waren SCEN-arts en de uitvoerend arts het eens, maar oordeelden de tuchtrechter en de RTE – waarin naast medici, ook juristen en ethici zitten – anders.

Is euthanasie bij dementie een nieuw verschijnsel?

Sinds de euthanasiewet in 2002 in werking trad, komt dementie in alle jaarverslagen van de toetsingscommissies ter sprake. In het jaarverslag over 2003 wordt dementie nog niet apart als aandoening vermeld. Wel benoemt de RTE hierin het belang van een schriftelijke wilsverklaring, ‘bijvoorbeeld bij patiënten met de ziekte van Alzheimer.’ In 2004 ontving de RTE één melding, in 2005 ‘enkele’ en in 2006 zes meldingen. De jaarverslagen van 2007 en 2008 bevatten allebei twee casussen van euthanasie bij een demente patiënt, maar vermelden het totale aantal niet. Vanaf 2009 noemt de RTE – na toezegging door de staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer – het aantal gemelde gevallen van dementie expliciet. In 2009: twaalf en in de jaren daarna loopt het snel op: 25 in 2010, 49 in 2011, 97 in 2013 en 169 in 2017, waarvan drie bij patiënten met een gevorderd ziektebeeld. In 2016 melden artsen 141 dementiezaken, waarvan ‘enkele’ van patiënten met een gevorderd beeld. Naast zaak 2016-85 kreeg ook een specialist ouderengeneeskunde van de Levenseindekliniek een onzorgvuldigheidsoordeel in een zaak – nummer 2017-103 – van euthanasie bij een gevorderd demente patiënt. Het OM stelde tegen deze arts eveneens een strafrechtelijk onderzoek in en zal binnenkort een beslissing over al dan niet vervolgen bekendmaken.

Krijgen specialisten ouderengeneeskunde vaak een euthanasieverzoek op basis van een wilsverklaring en wat doen ze daarmee?

Ruim zeshonderd leden van Verenso vulden vorig jaar een ledenpeiling in over schriftelijke euthanasieverzoeken bij wilsonbekwame patiënten met dementie. 37 procent van de respondenten kreeg ooit zo’n euthanasieverzoek, in 94 procent van de gevallen was dat opgesteld door een naaste. Zo’n verzoek komt zelden tot uitvoering. Gevraagd naar waarom het er niet van was gekomen, antwoordde men het vaakst dat de situatie zoals beschreven in de schriftelijke euthanasieverklaring wel aanwezig was, maar dat er geen sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden óf dat dit lijden niet kon worden beoordeeld. Van de respondenten was 44 procent het eens met de stelling ‘ik ervaar de laatste jaren een toename van druk om euthanasie te verrichten bij wilsonbekwame patiënten op basis van een schriftelijke euthanasieverklaring’.

Heeft deze zaak gevolgen voor het advies over de wilsverklaring van de NVVE?

De NVVE was al bezig om de instructies voor de wilsverklaring te vernieuwen omdat de toetsingscommissie had gesteld dat deze ‘kraakhelder’ moeten zijn, vertelt NVVE-directeur Agnes Wolbert. ‘Maar sinds de tuchtzaak tegen de specialist adviseren we nu ook in de wilsverklaring het akkoord met premedicatie op te nemen.’ De organisatie ondersteunt de procesgang van bioloog Albert Heringa, die terechtstond voor hulp bij zelfdoding van zijn moeder Moek. Wolbert ‘laat in het midden’ of de NVVE ook het proces van de specialist ouderengeneeskunde financiert.

Hoe heeft de specialist ouderengeneeskunde op de vervolging gereageerd?

De arts heeft naast haar advocaat een communicatieadviseur in de arm genomen die de woordvoering doet. Deze liet direct na de aankondiging van de vervolging door het OM weten: ‘De arts is teleurgesteld, omdat ze ervan overtuigd is dat ze zeer zorgvuldig heeft gehandeld. Alhoewel ze zich ervan bewust is dat de reden voor de rechtsvervolging het geven van rechtszekerheid aan artsen en patiënten is, wordt ze nu persoonlijk vervolgd.’ Wel ‘juicht de arts toe’ dat er duidelijkheid komt over beantwoording van de wilsvraag bij euthanasie bij wilsonbekwame patiënten. Ze laat het bij deze reactie en richt zich verder op haar verdediging. ‘Ze ziet de zaak met vertrouwen tegemoet’, aldus de woordvoerder.

LINKS

https://www.om.nl/@104442/verpleeghuisarts/

RTE-zaak 2016-85:

https://www.euthanasiecommissie.nl/uitspraken/publicaties/oordelen/2016/niet-gehandeld-overeenkomstig-de-zorgvuldigheidseisen/oordeel-2016-85

 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Vervolgd om de wilsverklaring

Verpleeghuisarts vervolgd voor euthanasie bij demente vrouw

Openbaar Ministerie, 9 november 2018. Een verpleeghuisarts die in april 2016 euthanasie uitvoerde bij een 74-jarige demente en wilsonbekwame vrouw, wordt vervolgd. Het College van procureurs-generaal heeft dit besloten op basis van…

Openbaar Ministerie, 9 november 2018.

Een verpleeghuisarts die in april 2016 euthanasie uitvoerde bij een 74-jarige demente en wilsonbekwame vrouw, wordt vervolgd. Het College van procureurs-generaal heeft dit besloten op basis van strafrechtelijk onderzoek. Het is de eerste keer dat het Openbaar Ministerie (OM) een arts vervolgt voor euthanasie sinds de invoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in 2002. In deze zaak spelen belangrijke rechtsvragen over de levensbeëindiging van dementerenden. Om deze vragen beantwoord te krijgen, legt het OM deze specifieke kwestie nu aan de rechter voor.

De Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) concludeerde begin 2017 dat de arts in deze zaak niet zorgvuldig heeft gehandeld. Volgens de RTE had de vrouw enkele jaren voor haar opname in het verzorgingstehuis een wilsverklaring opgesteld, maar was die onduidelijk en tegenstrijdig. Ook heeft de arts volgens de RTE een grens overschreden bij de uitvoering van de euthanasie. De RTE stuurde de zaak zoals gebruikelijk bij een oordeel ‘onzorgvuldig’ door naar het OM voor een strafrechtelijke beoordeling.

Het College concludeerde in september 2017 dat er dusdanige verdenkingen waren ten aanzien van het zorgvuldig handelen van de arts dat nader strafrechtelijk onderzoek nodig was. Dat onderzoek is uitgevoerd door een officier van justitie van parket Den Haag, omdat het verpleeghuis waar de vrouw verbleef, gevestigd is binnen dit arrondissement. Na uitvoerig onderzoek is ook de officier van justitie tot het oordeel gekomen dat de verpleeghuisarts niet heeft gehandeld volgens de wettelijke normen. Het OM vindt het belangrijk dat de rechter beoordeelt of de arts mocht vertrouwen op de wilsverklaring van de vrouw. Daarnaast verwijt het OM de arts dat deze zonder dit bij de vrouw te verifiëren ervan uitging dat de vrouw nog steeds dood wilde. De vrouw had weliswaar regelmatig gezegd te willen sterven, maar had ook verschillende keren gezegd niet dood te willen. Naar het oordeel van het OM had de arts bij de vrouw moeten nagaan of zij nog steeds een doodswens had door dit met haar te bespreken. Dat zij inmiddels dement was geworden doet hieraan niet af, omdat de wet, volgens het OM, ook in zo’n situatie van de arts verlangt dat het euthanasieverzoek wordt geverifieerd. Deze twee rechtsvragen over de levensbeëindiging van dementerenden, rechtvaardigen dat deze zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd.

Wanneer de zaak door de rechtbank Den Haag wordt behandeld, is nog niet bekend.

Het OM verwacht binnen enkele weken uitsluitsel te geven over andere strafrechtelijke onderzoeken naar mogelijk strafbare euthanasie. Op dit moment lopen er nog twee strafrechtelijke onderzoeken bij parket Noord-Holland. In twee andere euthanasiezaken waarin een strafrechtelijk onderzoek was ingesteld, heeft het College recent besloten deze zaken te seponeren.

 

Reacties uitgeschakeld voor Verpleeghuisarts vervolgd voor euthanasie bij demente vrouw

Legalisering is geen oplossing voor het vraagstuk van de dood

MC, 1 november 2018, interview. Auteur: Eva Nyst:  “Voor Paul Frissen is euthanasie een staatsmonopolie, geen artsenzaak” Met de ‘nette regeling’ van de euthanasiewet denken Nederlanders het levenseinde goed geregeld…

MC, 1 november 2018, interview.

Auteur: Eva Nyst:  “Voor Paul Frissen is euthanasie een staatsmonopolie, geen artsenzaak”

Met de ‘nette regeling’ van de euthanasiewet denken Nederlanders het levenseinde goed geregeld te hebben. Maar de dood is in alle culturen taboe en dat is juist goed, betoogt politicoloog Paul Frissen.

Politicoloog Paul Frissen is niet rouwig om de daling van het aantal euthanasiegevallen, waarover dagblad Trouw eind oktober berichtte. ‘Vingers wezen beschuldigend naar het Openbaar Ministerie dat strafrechtelijke onderzoeken is gestart naar vijf euthanasiegevallen. Maar nergens las ik het commentaar dat dit een goede ontwikkeling is’, zegt Frissen. De immer stijgende euthanasiegetallen tonen het bekende fenomeen dat legalisering leidt tot normalisering. ‘Het is bekend dat artsen altijd aan merciful killing hebben gedaan, bijvoorbeeld op het slagveld, of in het ziekenhuis. Het gebeurt zelfs in het Vaticaan, vertelde iemand die ik voor mijn boek interviewde. Maar als je het binnen de rechtsorde organiseert, dan gaat het ook normaal worden.’

Maar het doden van mensen kan en mag niet normaal worden, stelt Frissen. ‘Vraagstukken van leven en dood zijn in alle culturen onderwerp van taboe, dat is een antropologische basisstructuur. Het interessante van de moderne tijd is, dat we denken dat we aan taboes voorbij kunnen gaan. Daar is Nederland een extreem voorbeeld van. We denken dat we de dood uit de taboesfeer kunnen halen door het netjes te regelen.’ Onmogelijk, stelt de hoogleraar. ‘Het fundamentele onbegrip is een wezenlijk kenmerk van onze verhouding tot de dood. Een mens kan nooit begrijpen waarom hij bestaat en nooit begrijpen waarom hij doodgaat. Daar hebben we allerlei antwoorden voor verzonnen: religie, symboliek, rituelen en taboes. De dood kan geen onderdeel zijn van een protocol of een beslisboom. En dat moet wel als je het regelt.’

We denken dat we transparant zijn over het levenseinde, maar intussen is de dood in het gedrang gekomen met het wegvallen van rituelen, zegt Frissen. ‘We proberen grip te krijgen door de dood bespreekbaar te maken en via euthanasie zelf te bepalen wanneer we sterven. Maar de enorme behoefte aan symboliek en ritueel is nooit weggeweest. Ik zie dat bijvoorbeeld aan de booming business van allerlei verschillende soorten uitvaartbedrijven of aan de vele kruisjes langs de weg.’ Dat tegelijkertijd van alle meldingen bij de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) slechts 5 procent van de patiënten zelf het drankje neemt of het infuus openzet, vindt Frissen veelzeggend. ‘Kennelijk is datgene wat je echt wilt, sterven, toch niet iets wat je bij jezelf wilt veroorzaken. Het doodsverlangen wordt geconfronteerd met de stervensangst. Mijn conclusie is dat dit onoplosbaar is, dat moeten we zien te verdragen. De instrumentele, rationele benadering is dan een uiterst armoedige.’

Geweldsmonopolie

Frissen is hoogleraar in Tilburg, maar zetelt in Den Haag. Daar huist in een statig pand om de hoek van het Binnenhof de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, waarvan hij decaan en bestuursvoorzitter is. Het Openbaar Ministerie is een ‘goede klant’ van de onderwijsinstelling en zo vond hij procureur-generaal Rinus Otte – portefeuillehouder medische zaken en euthanasie – bereid om bij de presentatie van zijn boek commentaar te leveren, tezamen met Kamerleden Pia Dijkstra en Kees van der Staaij. Eerder al schreef Frissen boeken over thema’s als transparantie, tragiek en geheimen. In de periode dat hij het plan had om een boek te schrijven over de staat en het taboe, gaf Paul Schnabel les aan zijn instelling en vertelde over zijn voorzitterschap van de commissie Voltooid Leven. ‘Toen had ik het perspectief voor mijn taboeboek gevonden’, zegt Frissen. Zijn betoog heeft géén ethische invalshoek, maar bevat een politiek-filosofische benadering van het doden op verzoek, benadrukt de hoogleraar. Hij vraagt zich niet af wat goed of fout is, zoals een ethicus. Frissen werpt een bestuurskundige vraag op: ‘Kan de staat zijn monopolie op geweld eigenlijk wel delen met burgers, in dit geval artsen?’

Wie mag geweld uitoefenen en wie niet?

Op zoek naar het antwoord op die vraag sprak Frissen met voor- en tegenstanders van levensbeëindigend handelen: medici, wetenschappers, ambtenaren, politici, juristen en bestuurders. Het werd hem al snel duidelijk dat hij niet de medisch-ethische taal spreekt die gebruikelijk is in de euthanasiediscussie. ‘Als ik spreek over “doden”, word ik regelmatig gecorrigeerd. Het is geen “doden” zoals bedoeld in het geweldsmonopolie, en het is evenmin een “uitoefening van geweld”’, beschrijft Frissen. Zijn gesprekspartners noemen het liever ‘helpen sterven’ of ‘iemand uit het lijden verlossen’, waarbij euthanasie niet wordt ‘gepleegd’, maar ‘verleend’, ‘gegeven’ of ‘uitgevoerd’.

Deze tegenwerpingen brengen Frissen niet van zijn standpunt om euthanasie te zien als geweld. En de enige die in onze samenleving geweld mag uitoefenen – de burger in een noodsituatie uitgezonderd – is de staat; dat noemen we het geweldsmonopolie, legt hij uit. De staat kan soldaten en politiemensen opdracht geven om vijanden en zelfs bedreigende burgers te doden. Dat artsen als autonome beroepsbeoefenaren ook levensbeëindigend mogen handelen, rijmt niet met het uitgangspunt dat de staat het monopolie heeft, concludeert Frissen. Dit alleenrecht als vertrekpunt tekent ook de publieke discussie over het doden door dokters. ‘Zeggen dat het in de privésfeer thuishoort, is geen oplossing. Dit is het hart van waarover je het als politieke gemeenschap moet hebben: wie mag geweld uitoefenen en wie niet? Het moet niet als een beschavingsoperatie worden gezien dat dit tot het domein van de zelfbeschikking gaat behoren.

Strenger toezicht

Enige zendingsdrang is Nederland – met zijn liberale klimaat voor zaken als leven en dood – niet vreemd, zegt Frissen: ‘Het slechten van taboes wordt gezien als een vorm van beschaving en Nederland heeft als “gidsland” de curieuze gewoonte daar missionaire pretenties aan te verbinden.’ Maar het gaat om universele vraagstukken en Frissen noemt het hoogmoedig om te denken dat Nederland daarvoor een unieke en meest beschaafde oplossing heeft gevonden. ‘Met de “nette regeling” voor euthanasie, halen we alle normalisering en instrumentalisering gratis binnen. Hoewel er via de toetsingscommissies toezicht wordt uitgeoefend, krijgen burgers toch de indruk dat het onderdeel is geworden van het normaal medisch handelen. Dan wordt uiteindelijk de Levenseindekliniek de standaard, zoals we ook abortusklinieken hebben.’

‘Burgers krijgen de indruk dat euthanasie normaal medisch handelen is’

In zijn boek komt Frissen niet tot beleidsaanbevelingen, ‘dat moeten politici zelf maar verzinnen’, maar in dit interview wil hij wel wat conclusies trekken. Het toezicht op euthanasie moet strenger worden, juist omdat het een monopolie is van de staat, vindt hij. ‘En ik ben er voorstander van dat de beoordeling niet meer door een vorm van lekenrechtspraak gebeurt, zoals nu in de toetsingscommissies, maar door de reguliere rechtspraak. Zware oordeelsvorming over strafrechtelijk handelen ligt in bijna alle domeinen bij het strafrecht en niet bij leken. Dat heeft ook een symbolische reden: om het zwaar te houden.’ Frissen wil verder dat euthanasie vooraf wordt getoetst. ‘Als het vooraf door de rechter wordt beoordeeld, wordt de dokter gelegitimeerd door de staat. De staat krijgt zo een veel explicietere rol en wordt opdrachtgever. Voor de dokter betekent dit dat hij doodt namens de staat. Nu is dat niet zo; het is vrij, professioneel handelen.’

Taboesfeer helpt

Zijn aanpak maakt de zaak voor dokters niet ingewikkelder, voorspelt Frissen. ‘Óf alles wordt nog liberaler, we krijgen een regeling voor voltooid leven en de burger mag zelf gaan beoordelen wat ondraaglijk lijden is. Dan zal de euthanasiewet snel verdwijnen. Dokters zullen een rol krijgen als uitvoeringsinstantie van door anderen afgevinkt lijden.’ Maar als de politiek het Frissen-scenario volgt, is de arts met een oordeel vooraf van de strafrechter off the hook. Zou Frissen de euthanasiewet misschien liever afgeschaft zien? Frissen: ‘Het is tamelijk ondenkbaar in de huidige omstandigheden dat we zouden ophouden met die wet, wetende dat het dan toch gewoon praktijk blijft. Dat zou raar zijn. Maar we moeten niet denken dat legalisering de oplossing is voor vraagstukken rondom de dood. De dood blijft wringen. De taboesfeer helpt, want een taboe heeft altijd betrekking op het onaanraakbare, het onbegaanbare en het onkenbare. Het taboe gaat zowel over het heilige als over het vuil in een samenleving. Leven en dood horen daar bij uitstek thuis en moeten daar ook blijven. Het is een manier om tragiek en hypocrisie te organiseren. We denken dat als we de prostitutie legaliseren en de klant gewoon een keurige btw-bon krijgt, dat het dan een nette bedrijfstak is geworden. In andere landen is prostitutie verboden, maar iedereen weet dat het overal voorkomt. Dan wordt er af en toe een lading prostituees gearresteerd en dan is de symbolische orde weer hersteld. Ik ben zuidelijk, onder de rivieren begrijpen we dat allemaal misschien wel beter.’

 

Paul Frissen (1955):

Politicoloog Paul Frissen is hoogleraar bestuurskunde aan Tilburg University en decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) in Den Haag. Deze week verschijnt zijn boek Staat en taboe – Politiek van de goede dood. Van zijn hand verscheen vorig jaar het spraakmakende DE FATALE STAAT.

Reacties uitgeschakeld voor Legalisering is geen oplossing voor het vraagstuk van de dood

Arts niet vervolgd voor euthanasie

Openbaar Ministerie, 30 oktober 2018. Het College van procureurs-generaal heeft besloten een huisarts die in februari 2017 euthanasie uitvoerde bij een 84-jarige vrouw niet te vervolgen en de zaak onvoorwaardelijk te seponeren. Een officier…

Openbaar Ministerie, 30 oktober 2018.

Het College van procureurs-generaal heeft besloten een huisarts die in februari 2017 euthanasie uitvoerde bij een 84-jarige vrouw niet te vervolgen en de zaak onvoorwaardelijk te seponeren. Een officier van justitie van parket Den Haag deed op verzoek van het College een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijk strafbare euthanasie door de arts. Op basis van de resultaten van dat onderzoek kan de arts geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt omdat er volgens de zorgvuldigheidsnormen is gehandeld.

De patiënte was zeer beperkt in haar bewegingsvrijheid door longemfyseem waaraan zij sinds 1989 leed. De vrouw beschikte over een euthanasieverklaring en had duidelijk de wens uitgesproken niet meer verder te willen leven. Aanvullend onderzoek of behandelingen wilde ze niet meer.

De Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) oordeelde vorig jaar dat de huisarts niet zorgvuldig had gehandeld en stuurde zoals gebruikelijk deze zaak door naar het Openbaar Ministerie voor een strafrechtelijke beoordeling. De RTE oordeelde dat de arts niet genoeg heeft gedaan om de klachten van de vrouw te bestrijden en het was volgens hen niet duidelijk of de eerder vastgestelde diagnose nog steeds gold.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek door het OM heeft de huisarts gezegd dat hij altijd is uitgegaan van longemfyseem en dat de diagnose is vastgesteld door een longarts. Ter onderbouwing heeft de arts nadere medische informatie overlegd. Deze informatie was niet bekend bij de RTE. Het gaat om een zogenaamde ‘patiëntenkaart’ met de aantekening van een longarts dat bij de vrouw de diagnose longemfyseem is vastgesteld zonder kans op genezing.

Volgens het Openbaar Ministerie is de arts, met de kennis van nu, zorgvuldig geweest bij de uitvoer van de euthanasie omdat er sprake is van een onomkeerbare longemfyseem. De bevindingen van de arts zijn gebaseerd op de diagnose van de longarts en de uitkomsten van zijn eigen herhaalde onderzoeken. Deze herhaalde onderzoeken bevestigden de ernstige longemfyseem.

Het oordeel van de RTE in bovengenoemde zaak is te vinden op de site van de euthanasiecommissies, onder nummer: 2017 –31.

Het College verwacht binnen enkele weken uitsluitsel te geven over de andere strafrechtelijke onderzoeken naar mogelijk strafbare euthanasie. Op dit moment lopen er nog drie strafrechtelijke onderzoeken: twee zaken bij het parket Noord-Holland en een zaak bij het parket Den Haag.

Reacties uitgeschakeld voor Arts niet vervolgd voor euthanasie

Kijk met de arts mee bij palliatieve sedatie

Nederlands Dagblad,  8 oktober 2018, opinie. Auteurs: Bert Ummelen en Jaap Schuurmans. Transparantie en het borgen van zorgvuldigheid waren belangrijke doelen van de indieners van de euthanasiewet. Die doelen moeten…

Nederlands Dagblad,  8 oktober 2018, opinie.

Auteurs: Bert Ummelen en Jaap Schuurmans.

Transparantie en het borgen van zorgvuldigheid waren belangrijke doelen van de indieners van de euthanasiewet. Die doelen moeten ook gesteld als het gaat om palliatieve sedatie. Nu is het te veel een grijs gebied.

Steeds meer mensen overlijden na palliatieve sedatie. In 2005 ging het nog om 8 procent van de overlijdens, in 2015 al om 18 procent. Eén op de vijf Nederlanders stierf drie jaar geleden dus gesedeerd. Dat de praktijk ook na 2015 groeit, lijkt gelet op de uitgifte van midazolam, het gebruikte sedatief, geen wilde speculatie. Ging het in 2015 om 156.850 uitgiftes, in 2016 waren dat er al 179.650 en vorig jaar 192.770.

De onlangs verschenen kabinetsnota over medische ethiek wijst erop dat er geen aanwijzingen zijn dat palliatieve sedatie wordt gebruikt als vervanging van euthanasie. Maar dan blijft de vraag hoe het kan dat nu de palliatieve zorg in ons land zich sterk heeft ontwikkeld, zoveel meer patiënten ervoor in aanmerking komen.

Bij palliatieve sedatie gaat het om het wegnemen van lijden door het bewustzijn te verlagen, niet door de dood te bewerkstelligen. Maar continue sedatie is natuurlijk wel degelijk een aanloop naar de dood. Nogal wat artsen die palliatieve sedatie toepassen, blijken dat te doen om de dood te bespoedigen. Of ze dat ook echt doen, is de vraag, maar het wijst in elk geval op begripsverwarring.

Grens trekken

Toen een aantal jaren geleden krantenpublicaties gewag maakten van palliatieve sedatie als ‘nieuwe’ of ‘trage’ euthanasie, reageerden artsen gebelgd: het ging toch om totaal iets anders! In die reacties ligt nu net het probleem besloten: valt de grens tussen iemand dood maken en iemand voor eeuwig in slaap helpen, wel zo scherp te trekken?

Uit onderzoek naar sterfte in Nederland kwam naar voren dat van de euthanasiegevallen in 2010 (euthanasie volgens de strikte wettelijke definitie) 18 procent door de ondervraagde artsen ‘palliatieve sedatie’ werd genoemd. Vijf jaar later werd het grensgebied tussen levensbeëindiging en symptoombestrijding geschat op 1,8 procent van alle sterfgevallen (147.134); het zou daarmee ten opzichte van 2010 nog iets groter zijn geworden.

De schroom om over palliatieve sedatie als alternatief voor euthanasie te spreken, verdween toen vorig jaar zes hoogleraren ouderengeneeskunde precies dat deden. In een manifest keerden zij zich niet alleen tegen het euthanaseren van diep demente mensen, maar braken ze ook een lans voor tijdelijke of continue palliatieve sedatie als ‘meer proportionele’ middelen bij zeer ernstig probleemgedrag.

Volgens de bestaande richtlijn mag continue sedatie alleen worden ingezet als de dood binnen twee weken te verwachten is. Handhaving van die richtlijn zal continue sedatie van demente mensen dus veelal in de weg staan. Ook als ze ernstig probleemgedrag vertonen, kunnen deze patiënten immers nog geruime tijd te leven hebben.

Maar er is een fundamentelere kwestie: wie ziet toe op een en ander?

Nauwelijks zicht op de praktijk

Palliatieve sedatie is, anders dan euthanasie, ‘normaal’ medisch handelen, laatste redmiddel als pijn of andere symptomen niet meer in de hand te houden zijn. Dus is er geen meldplicht, geen toetsing, geen verplichte consultatie van een tweede arts. Bij gevolg is er nauwelijks zicht op de praktijk ervan.

In verpleeghuizen is er in elk geval veel ervaring; er is voortdurend teamoverleg en desgevraagd adviseert het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE), een netwerk van deskundigen.

Maar wat gebeurt er in de eerstelijnszorg? Wie de vakbladen bijhoudt, ontkomt niet aan de indruk dat vooral binnen de ouderengeneeskunde palliatieve sedatie wordt geproblematiseerd.

In korte tijd is palliatieve sedatie vanuit het hospice verhuisd naar de huisartsenzorg. Tegelijk is het toepassingsgebied verruimd. ‘Mission creep’ wordt dat verschijnsel wel genoemd: een interventie die bedoeld was voor een nauw omschreven groep patiënten en dito indicaties krijgt een veel ruimere toepassing. Het lijdt geen twijfel dat heel wat van de midazolam, die in steeds grotere hoeveelheden apotheken verlaat, in de tas van de huisarts belandt. In 2015 tekenden huisartsen voor 55 procent van alle gevallen van palliatieve sedatie. Dat was vijf jaar eerder nog 43 procent.

Dat palliatieve sedatie een belangrijke verrijking is van de mogelijkheden om het sterfbed te verlichten, staat buiten kijf. Maar er is een keerzijde: met pijn of andere symptomen worden ook potentieel positieve en betekenisvolle ervaringen weggenomen. Van de patiënt en van diens naasten. Juist hun solistische cultuur maakt de vraag urgent: hoe gaan huisartsen met palliatieve sedatie om? Zijn kennis en kunde op peil voor passend, zorgvuldig en proportioneel handelen?

Waarschuwing

Het klinkt als een waarschuwing als in een recent proefschrift over continue palliatieve sedatie wordt gestipuleerd dat het niet om een one-size-fits-all interventie gaat. Voordat tot continue sedatie wordt overgegaan, moet adequate palliatieve zorg worden gegeven, waarbij actief gezocht wordt naar weg te nemen oorzaken van klachten en waarbij niet sederende interventies worden ingezet, aldus de promovendus.

Nog maar kort geleden verscheen een studie naar de plek die levenseindezorg inneemt in de medische opleidingen in ons land. Daar valt niet meteen hosanna over te roepen. Een argument extra voor meer transparantie over pallatieve sedatie.

Maar hoe die te bereiken? Op wettelijke procedures zit je niet meteen te wachten. Juridisering zal gemakkelijk leiden tot terughoudendheid, waardoor patiënten mogelijk een zeer waardevolle behandeling in de laatste levensfase wordt onthouden. Bovendien zou door het introduceren van een toetsingsregime à la de euthanasiewet vervagen wat nu juist scherp moet zijn: de grens tussen laten sterven en doen sterven.

In een ‘grijs gebied’ zijn ‘grijze’ oplossingen misschien zo gek nog niet. Zo zou de richtlijn kunnen aangeven dat, als tenminste geen sprake is van een acute noodsituatie, collegiaal consult (van een palliatief kaderarts, huisarts of specialist ouderengeneeskunde) aangewezen is. Daarnaast zou van de acterende arts gevergd kunnen worden een reflectief verslag te schrijven, te delen binnen het netwerk palliatieve zorg in zijn of haar regio.

Ten slotte kunnen apothekers hun rol pakken. Naar analogie van hun richtlijn voor euthanasie zou in een richtlijn palliatieve sedatie begeleiding van de arts voorgeschreven kunnen worden.

 

Reacties uitgeschakeld voor Kijk met de arts mee bij palliatieve sedatie

Er zijn veel embryo’s nodig voor dat ene gewenste leven

Nederlands Dagblad, 6 september 2018 Auteurs: Diederik van Dijk en Elise van Hoek-Burgerhart, directeur resp. manager belangenbehartiging van NPV – Zorg voor het leven Vandaag praat de Tweede kamer over…

Nederlands Dagblad, 6 september 2018

Auteurs: Diederik van Dijk en Elise van Hoek-Burgerhart, directeur resp. manager belangenbehartiging van NPV – Zorg voor het leven

Vandaag praat de Tweede kamer over medische ethiek. Alle hete hangijzers staan op de agenda: orgaandonatie, euthanasie en afbreking zwangerschap. Spannend wordt het ook als het gaat over wat we met embryo’s willen.
Er staat veel op het spel vandaag in de Kamer. Op grond van de Embryowet is nu alleen onderzoek toegestaan met embryo’s die overblijven na vruchtbaarheidsbehandelingen. Maar embryo’s kunnen ook gekweekt worden. Willen we dat? Het is hoog tijd dat de discussie over kweekembryo’s van de grond komt. Wij hebben grote bezwaren. Vooral omdat het kweken van embryo’s voor onderzoek, om ze daarna te vernietigen, in strijd is met de menselijke waardigheid. De specialisten van de Gezondheidsraad, die in 2017 het rapport schreven ‘Ingrijpen in het DNA van de mens: doen of laten?’, gaan hieraan voorbij en stelden dat als onderzoek met kweekembryo’s het doel heeft ‘ernstige aandoeningen’ terug te dringen, ‘het niet meer in strijd zou zijn met de menselijke waardigheid’.

Het politieke debat hierover is spannend. De huidige coalitie kent belangrijke ideologische tegenpolen, ChristenUnie en D66. Maar die tegenpolen hoeven het debat niet te verlammen. Ze maken namelijk beter dan ooit duidelijk wat de achterliggende levensbeschouwelijke dilemma’s en drijfveren zijn.

Zorgkosten

Uiteindelijk gaat het over veel meer dan de status en beschermwaardigheid van het embryo. Het gaat over ons allemaal. Het gaat ook over stijgende zorgkosten en hoe je die afweegt tegen de alternatieven. Tegen welke prijs willen we ernstige erfelijke ziekten uitroeien? Hoeveel embryo’s offeren we op voor dat ene felbegeerde kind voor een stel van hetzelfde geslacht? En willen we mensen beter maken of betere mensen maken? De morele waarde van elk embryo mag niet buiten beeld raken. Niet bij de Gezondheidsraad en de Tweede Kamer, maar ook niet bij het grote publiek. Wat zich nu afspeelt in laboratoria en lobbykamers, kan bepalen hoe menselijk leven er in de toekomst uitziet. Hoe wij reageren, zegt veel over wie we zijn en welke waardigheid we ook dat prille leven toekennen. Daarom is het debat vandaag in de Tweede Kamer zo belangrijk.

Onvruchtbare koppels

Chuva de Sousa Lopes, onderzoeker in het Leids Universitair Medisch Centrum, vertelt in de VPRO/Human-serie De volmaakte mens dat ze graag onvruchtbare koppels een genetisch eigen kind wil geven. Dat klinkt zeer menslievend. Want wie gunt zo’n stel nu geen kinderen? Maar om haar wens te verwezenlijken wil ze graag embryo’s kweken.

Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om ivf (reageerbuisbevruchting). Bij die techniek worden een eigen eicel en zaadcel ingezet om een zwangerschap van een genetisch eigen kind te laten ontstaan. Gekweekte embryo’s worden meer gezien als testmateriaal: behulpzaam om processen te leren kennen van een succesvolle voortplanting.

Rechtsfilosoof Britta van Beers stelde in haar bijdrage in een rondetafelgesprek voor de Tweede Kamer (4 juni 2018) dat er ‘een verdingelijking van een embryo optreedt’ wanneer je die doelbewust creëert voor wetenschappelijke doeleinden. Bij een embryo ontstaan in een ivf-traject, is er een relatie met de ouders, maar die ontbreekt bij een kweekembryo. Hoeveel leven mag je vernietigen om gewenst leven tot stand te brengen? Die vragen gelden bij kweekembryo’s, maar ook nu al. De huidige ivf-praktijk in Nederland creëert jaarlijks 100.000 embryo’s, 95.000 gaan verloren. Aantallen om duizelig van te worden. Hoe hoog wordt het aantal bij embryokweek? Rond grenzeloos onderzoek met proefkonijnen is terecht discussie en protest. Bij onderzoek naar embryo’s is het stil.

Wetenschappers stellen dat onderzoek met embryo’s nodig is voor veilige nieuwe technieken. Maar het gaat niet alleen over stamcellen. Het gaat om de vraag ‘Wat is dat, menselijk leven?’ En op deze vraag is het antwoord van een natuurkundige anders dan het antwoord van een filosoof of een ethicus. Onder een microscoop zie je cellen, maar je ziet geen liefde of waardigheid. Toch horen ze alle drie bij menselijk leven.

Onvruchtbaarheid

En dan nog een vraag: hoe noodzakelijk is het onderzoek om onvruchtbare stellen een eigen kind te geven? Je kunt er ook anders tegenaan kijken. ‘Onvruchtbaarheid neemt niet toe’, stelde gynaecoloog en vruchtbaarheidsspecialist Egbert te Velde in 2017 in het wetenschappelijke tijdschrift European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology. De vraag naar ivf groeit, terwijl de biologische vruchtbaarheid stabiel is, stelt hij. Anticonceptie en uitstelgedrag zijn de belangrijkste boosdoeners, waardoor stellen geen kinderen krijgen wanneer ze dat wel willen.

Hoever zijn we nog verwijderd van het ideaal van absolute autonomie en het ‘recht’ een kind samen te stellen naar eigen keuze? Er zijn meer vragen dan antwoorden. Maar die antwoorden moeten er wel komen. De Tweede Kamer zet vandaag een belangrijke stap, voor zichzelf en voor de samenleving.

 

Reacties uitgeschakeld voor Er zijn veel embryo’s nodig voor dat ene gewenste leven

Richtlijn zingeving in de palliatieve fase herzien

MC, 25 oktober 2018. Auteur: Eva Nyst Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) heeft deze week de herziene richtlijn ‘Zingeving en spiritualiteit in de palliatieve fase’ gepresenteerd. De richtlijn laat zien hoe zingevingsvragen…

MC, 25 oktober 2018.

Auteur: Eva Nyst

Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) heeft deze week de herziene richtlijn ‘Zingeving en spiritualiteit in de palliatieve fase’ gepresenteerd.

De richtlijn laat zien hoe zingevingsvragen van patiënten en hun naasten kunnen worden herkend en hoe een zorgverlener hierover in gesprek kan gaan. ‘Ten opzichte van de vorige richtlijn is deze richtlijn praktischer in gebruik door de heldere opmaak en de concrete handvatten, en is de richtlijn waar mogelijk evidencebased’, aldus IKNL. De richtlijn behandelt de vierde dimensie van het lijden. In het Kwaliteitskader palliatieve zorg is vastgelegd dat de zorg voor mensen in de laatste levensfase vier aangrijpingspunten moet hebben: de fysieke, psychische, sociale én als vierde de spirituele dimensie van lijden.

De richtlijn is geschreven met het oog op zorg voor alle palliatieve patiënten ongeacht hun levensbeschouwing, religie of cultuur. Behandelaren van patiënt van een niet-Westerse achtergrond kunnen daarnaast de handreiking ‘Palliatieve zorg aan mensen met een niet-westerse achtergrond’ raadplegen. De online folder ‘Lessen uit gesprekken over leven en dood’ van Pharos bevat daarbij algemene voorlichting over palliatieve zorg aan mensen met een migratieachtergrond.

Aan de herziening is twee jaar gewerkt door patiëntorganisaties en beroepsverenigingen waaronder NHG, Verenso, Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT).

Reacties uitgeschakeld voor Richtlijn zingeving in de palliatieve fase herzien

Euthanasie is buitengewoon handelen

MC, 16 oktober 2018, OPINIE Auteurs: Damiaan Denys, voorzitter Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) en René Héman, voorzitter Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) Psychiaters worden dagelijks geconfronteerd met…

MC, 16 oktober 2018, OPINIE

Auteurs: Damiaan Denys, voorzitter Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) en René Héman, voorzitter Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG)

Psychiaters worden dagelijks geconfronteerd met patiënten met een doodswens. Sommige patiënten ervaren hun lijden als uitzichtloos en zien maar één uitweg: een einde aan dit leven. Soms doen zij een concreet euthanasieverzoek en kan de arts oordelen dat er reden is om aan dat verzoek tegemoet te komen. Toch schrikken wij van de titel van het congres dat de NVVE op 11 oktober houdt onder de titel ‘Euthanasie als behandeloptie bij psychiatrisch lijden?’

Wij vinden dat deze door de NVVE gestelde vraag onbeantwoord moet blijven, omdat de vraag sprekender is dan het antwoord. In onze medische praktijk zien wij elke dag hoe ernstig en uitzichtloos het lijden van de psychiatrische patiënt is. We zien hoe moeilijk de weg is om vanuit een zware depressie of schizofrenie terug te komen in de ‘gezonde wereld’. Hoe zwaar dat is voor een patiënt en voor zijn naasten. Vaak lukt het om de situatie van de patiënt te verbeteren en dat streven moet voorop blijven staan. In sommige gevallen kunnen ook wij niet anders concluderen dan dat het lijden voor deze patiënt ondraaglijk en uitzichtloos is en dat er geen andere oplossingen mogelijk zijn. In 2017 deden artsen 83 keer melding van euthanasie vanwege lijden door een psychiatrische aandoening.

Patiënten met een euthanasiewens zeggen eigenlijk: ‘Ik wil zo niet sterven.’ Een psychiatrische patiënt zegt daarentegen: ‘Ik wil zo niet leven.’

En toch is euthanasie in de psychiatrische praktijk geen gewoon medisch handelen. De euthanasiewet in Nederland is helder over de regels waaraan moet worden voldaan. Er moet sprake zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, waarbij er geen andere redelijke oplossing meer is. De patiënt moet op vrijwillige en weloverwogen wijze zelf tot dat verzoek komen. Bij de meeste somatische ziektebeelden gaat het bij euthanasie om patiënten in het laatste stadium van een ongeneeslijke ziekte waarvoor geen behandeling meer mogelijk is. Ook zonder euthanasie zouden zij binnen afzienbare tijd overlijden. De patiënt vraagt om euthanasie, omdat hij een draaglijke dood wil. Hij zegt eigenlijk: ‘ik wil zo niet sterven’. De psychiatrische patiënt zegt daarentegen: ‘ik wil zo niet leven’.

Euthanasie bij psychiatrische patiënten is complexer.  Zo kan de doodswens een symptoom zijn van de aandoening waaraan de patiënt lijdt. Dat maakt de vraag of de patiënt ‘vrijwillig’ en ‘weloverwogen’ tot zijn verzoek komt, moeilijker te beantwoorden. Wie een ernstige depressie heeft, ziet vaak geen uitweg meer – het is een wezenskenmerk van de aandoening. Het is dus een zware opgave om een depressieve patiënt ervan te overtuigen dat die uitweg er wel is, en dat behandeling mogelijk is.

Euthanasie moet daarom ‘buitengewoon handelen blijven’. Want zeker in de psychiatrie kan de mogelijkheid tot euthanasie de patiënt verleiden tot het afzien van een zware en soms hopeloos moeilijke behandeling. Hoewel behandeling soms onaantrekkelijker lijkt, moet dit toch vanzelfsprekender blijven.

Nederland mag trots zijn op de verworven vrijheid van euthanasie. Ook in de psychiatrie. Maar we moeten ervoor waken dat de praktijk zorgvuldig wordt uitgevoerd. Euthanasie is het slotstuk van een langdurig en intens gesprek tussen arts en patiënt. Euthanasie mag niet terechtkomen in de sfeer van gewoon of vanzelfsprekend behandelen. Euthanasie is geen recht van de patiënt – en geen plicht voor de arts. Euthanasie moet blijven wat het is: buitengewoon handelen. 

 

Deze tekst is als opiniestuk gepubliceerd in NRC, kort na het verschijnen op 28 september van de geactualiseerde richtlijn ‘Levensbeëindiging op verzoek in de psychiatrie’, die werd opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVVP) in samenwerking met de KNMG, het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG) en het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) met ondersteuning van het Kennisinstituut Federatie Medisch Specialisten.

Mede aanleiding vormt het NVVE-congres op 11 oktober ‘Euthanasie als behandeloptie bij psychiatrisch lijden?’. Voorzitters Damiaan Denys (NVvP) en René Héman (KNMG) geven in het artikel een plaatsbepaling aan voor het publiek.

 

Reacties uitgeschakeld voor Euthanasie is buitengewoon handelen

Strafrechtelijk onderzoek naar Coöperatie Laatste Wil gesloten

Arrondissementsparket Midden-Nederland, 20 juli 2018 Het Openbaar Ministerie (OM) Midden-Nederland heeft het strafrechtelijke onderzoek naar de Coöperatie Laatste Wil (CLW) deze week gesloten. In de periode dat het onderzoek heeft gelopen, is…

Arrondissementsparket Midden-Nederland, 20 juli 2018

Het Openbaar Ministerie (OM) Midden-Nederland heeft het strafrechtelijke onderzoek naar de Coöperatie Laatste Wil (CLW) deze week gesloten. In de periode dat het onderzoek heeft gelopen, is niet gebleken dat de coöperatie zich schuldig heeft gemaakt aan hulp bij zelfdoding of dat zij anderszins strafbare feiten zou hebben gepleegd. Deze beslissing is schriftelijk aan het bestuur van CLW  meegedeeld.

Het OM heeft de coöperatie gevolgd sinds september 2017 toen bekend werd dat ze een zelfdodingsmiddel, aangeduid als middel X, ter beschikking wilden stellen aan hun leden. Toen medio maart bekend werd dat inkopers het middel daadwerkelijk zouden gaan bestellen, is een strafrechtelijk onderzoek gestart. Het bestuur van de CLW is erop gewezen dat hulp bij zelfdoding, inclusief het verschaffen van middelen daartoe, strafbaar is (artikel 294 Wetboek van Strafrecht). Ook het in georganiseerd verband faciliteren van hulp bij zelfdoding levert een strafbaar feit op (artikel 140 Wetboek van Strafrecht). Alleen de arts die in het kader van een euthanasie het leven van een ander beëindigt of daarbij behulpzaam is én daarbij voldoet aan de wettelijke zorgvuldigheidsnormen, is straffeloos.

In het gesprek met het bestuur dat daarop volgde, gaf het bestuur aan dat er nog geen zelfmoordpoeder was besteld en zegde toe de activiteiten te zullen staken. Het bestuur wilde niet bekend maken wat het middel X precies is. Hierop heeft het OM besloten een periode de ontwikkelingen te monitoren. In deze periode is niet gebleken dat de coöperatie nog actief was met de voorbereidingshandelingen voor hulp bij zelfdoding. Er is niet gebleken van betrokkenheid van    de CLW bij suïcides waarbij een poeder was gebruikt, noch bij de oproep van CLW-leden tot ongehoorzaamheid, noch bij de melding door leden dat zij het poeder op eigen initiatief hadden gekocht. Nu alles erop wijst dat de coöperatie de activiteiten ten aanzien van de (voorbereiding van) de hulp bij zelfdoding heeft gestaakt, heeft de officier van justitie van het parket Midden-Nederland besloten het onderzoek te sluiten.

Reacties uitgeschakeld voor Strafrechtelijk onderzoek naar Coöperatie Laatste Wil gesloten

Arts niet vervolgd in euthanasiezaak

Openbaar Ministerie, 26 oktober 2018 Het College van procureurs-generaal heeft besloten een arts die euthanasie uitvoerde bij een 72-jarige vrouw in april 2017 niet te vervolgen en de zaak onvoorwaardelijk te seponeren. Een…

Openbaar Ministerie, 26 oktober 2018

Het College van procureurs-generaal heeft besloten een arts die euthanasie uitvoerde bij een 72-jarige vrouw in april 2017 niet te vervolgen en de zaak onvoorwaardelijk te seponeren. Een officier van parket Oost-Nederland deed op verzoek van het College strafrechtelijk onderzoek naar mogelijk strafbare euthanasie door de arts. Op basis van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek kan de arts geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. De arts heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidsnormen gehandeld.

De patiënte leed aan uitgezaaide kanker, was uitbehandeld en ervoer haar lijden als ondraaglijk door de snelle verslechtering van haar lichamelijke situatie. Twee dagen voor de levensbeëindiging raakte de vrouw in coma als gevolg van een hersenbloeding, waardoor er sprake was van ernstige afasie en een wisselend verlaagd bewustzijn.

Het Openbaar Ministerie komt tot het oordeel dat de arts voldoende heeft kunnen vaststellen dat de beslissing van de vrouw tot euthanasie vrijwillig en weloverwogen was. Hoewel er na de hersenbloeding sprake was van een verlaagd bewustzijn, was die niet zodanig dat de patiënte niet meer kon communiceren. Zij was in staat haar wil te uiten en haar euthanasiewens te bevestigen door met haar hoofd te knikken en in handen te knijpen. Dit maakte dat een schriftelijke wilsverklaring niet nodig was. Verder is uit het strafrechtelijk onderzoek naar voren gekomen dat de patiënte voorafgaand aan haar hersenbloeding meerdere malen haar euthanasiewens had geuit tegenover de arts.

Daarnaast is volgens het College van procureurs-generaal voldoende aangetoond dat de vrouw ondraaglijk leed in de periode kort voor haar euthanasie. Er waren bij de patiënte duidelijke tekenen van lijden aanwezig en zij had zichtbaar pijn. Reeds voor de hersenbloeding was de gezondheidssituatie van de patiënte uitzichtloos en ondraaglijk en was genezing of behandeling niet meer mogelijk.

De zaak was vorig jaar door de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie voor een strafrechtelijke beoordeling. Dat gebeurt bij elk onderzoek waarin de RTE heeft geconcludeerd dat een arts niet overeenkomstig de zorgvuldigheidsnormen van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding heeft gehandeld.

Het oordeel van de RTE in bovengenoemde zaak is te vinden op de site van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie, onder nummer: 2017 – 73.

Het College verwacht binnen enkele weken uitsluitsel te kunnen geven over andere strafrechtelijke onderzoeken naar mogelijk strafbare euthanasie. Op dit moment lopen er nog vier strafrechtelijke onderzoeken: twee zaken bij het parket Noord-Holland en twee zaken bij het parket Den Haag.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Arts niet vervolgd in euthanasiezaak

Type uw zoekwoord in onderstaand veld. Druk hierna op enter/return om te zoeken