Voltooid leven: hulp bij zelfdoding (zonder medische grondslag)

Legalisering is geen oplossing voor het vraagstuk van de dood

MC, 1 november 2018, interview. Auteur: Eva Nyst:  “Voor Paul Frissen is euthanasie een staatsmonopolie, geen artsenzaak” Met de ‘nette regeling’ van de euthanasiewet denken Nederlanders het levenseinde goed geregeld…

MC, 1 november 2018, interview.

Auteur: Eva Nyst:  “Voor Paul Frissen is euthanasie een staatsmonopolie, geen artsenzaak”

Met de ‘nette regeling’ van de euthanasiewet denken Nederlanders het levenseinde goed geregeld te hebben. Maar de dood is in alle culturen taboe en dat is juist goed, betoogt politicoloog Paul Frissen.

Politicoloog Paul Frissen is niet rouwig om de daling van het aantal euthanasiegevallen, waarover dagblad Trouw eind oktober berichtte. ‘Vingers wezen beschuldigend naar het Openbaar Ministerie dat strafrechtelijke onderzoeken is gestart naar vijf euthanasiegevallen. Maar nergens las ik het commentaar dat dit een goede ontwikkeling is’, zegt Frissen. De immer stijgende euthanasiegetallen tonen het bekende fenomeen dat legalisering leidt tot normalisering. ‘Het is bekend dat artsen altijd aan merciful killing hebben gedaan, bijvoorbeeld op het slagveld, of in het ziekenhuis. Het gebeurt zelfs in het Vaticaan, vertelde iemand die ik voor mijn boek interviewde. Maar als je het binnen de rechtsorde organiseert, dan gaat het ook normaal worden.’

Maar het doden van mensen kan en mag niet normaal worden, stelt Frissen. ‘Vraagstukken van leven en dood zijn in alle culturen onderwerp van taboe, dat is een antropologische basisstructuur. Het interessante van de moderne tijd is, dat we denken dat we aan taboes voorbij kunnen gaan. Daar is Nederland een extreem voorbeeld van. We denken dat we de dood uit de taboesfeer kunnen halen door het netjes te regelen.’ Onmogelijk, stelt de hoogleraar. ‘Het fundamentele onbegrip is een wezenlijk kenmerk van onze verhouding tot de dood. Een mens kan nooit begrijpen waarom hij bestaat en nooit begrijpen waarom hij doodgaat. Daar hebben we allerlei antwoorden voor verzonnen: religie, symboliek, rituelen en taboes. De dood kan geen onderdeel zijn van een protocol of een beslisboom. En dat moet wel als je het regelt.’

We denken dat we transparant zijn over het levenseinde, maar intussen is de dood in het gedrang gekomen met het wegvallen van rituelen, zegt Frissen. ‘We proberen grip te krijgen door de dood bespreekbaar te maken en via euthanasie zelf te bepalen wanneer we sterven. Maar de enorme behoefte aan symboliek en ritueel is nooit weggeweest. Ik zie dat bijvoorbeeld aan de booming business van allerlei verschillende soorten uitvaartbedrijven of aan de vele kruisjes langs de weg.’ Dat tegelijkertijd van alle meldingen bij de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) slechts 5 procent van de patiënten zelf het drankje neemt of het infuus openzet, vindt Frissen veelzeggend. ‘Kennelijk is datgene wat je echt wilt, sterven, toch niet iets wat je bij jezelf wilt veroorzaken. Het doodsverlangen wordt geconfronteerd met de stervensangst. Mijn conclusie is dat dit onoplosbaar is, dat moeten we zien te verdragen. De instrumentele, rationele benadering is dan een uiterst armoedige.’

Geweldsmonopolie

Frissen is hoogleraar in Tilburg, maar zetelt in Den Haag. Daar huist in een statig pand om de hoek van het Binnenhof de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, waarvan hij decaan en bestuursvoorzitter is. Het Openbaar Ministerie is een ‘goede klant’ van de onderwijsinstelling en zo vond hij procureur-generaal Rinus Otte – portefeuillehouder medische zaken en euthanasie – bereid om bij de presentatie van zijn boek commentaar te leveren, tezamen met Kamerleden Pia Dijkstra en Kees van der Staaij. Eerder al schreef Frissen boeken over thema’s als transparantie, tragiek en geheimen. In de periode dat hij het plan had om een boek te schrijven over de staat en het taboe, gaf Paul Schnabel les aan zijn instelling en vertelde over zijn voorzitterschap van de commissie Voltooid Leven. ‘Toen had ik het perspectief voor mijn taboeboek gevonden’, zegt Frissen. Zijn betoog heeft géén ethische invalshoek, maar bevat een politiek-filosofische benadering van het doden op verzoek, benadrukt de hoogleraar. Hij vraagt zich niet af wat goed of fout is, zoals een ethicus. Frissen werpt een bestuurskundige vraag op: ‘Kan de staat zijn monopolie op geweld eigenlijk wel delen met burgers, in dit geval artsen?’

Wie mag geweld uitoefenen en wie niet?

Op zoek naar het antwoord op die vraag sprak Frissen met voor- en tegenstanders van levensbeëindigend handelen: medici, wetenschappers, ambtenaren, politici, juristen en bestuurders. Het werd hem al snel duidelijk dat hij niet de medisch-ethische taal spreekt die gebruikelijk is in de euthanasiediscussie. ‘Als ik spreek over “doden”, word ik regelmatig gecorrigeerd. Het is geen “doden” zoals bedoeld in het geweldsmonopolie, en het is evenmin een “uitoefening van geweld”’, beschrijft Frissen. Zijn gesprekspartners noemen het liever ‘helpen sterven’ of ‘iemand uit het lijden verlossen’, waarbij euthanasie niet wordt ‘gepleegd’, maar ‘verleend’, ‘gegeven’ of ‘uitgevoerd’.

Deze tegenwerpingen brengen Frissen niet van zijn standpunt om euthanasie te zien als geweld. En de enige die in onze samenleving geweld mag uitoefenen – de burger in een noodsituatie uitgezonderd – is de staat; dat noemen we het geweldsmonopolie, legt hij uit. De staat kan soldaten en politiemensen opdracht geven om vijanden en zelfs bedreigende burgers te doden. Dat artsen als autonome beroepsbeoefenaren ook levensbeëindigend mogen handelen, rijmt niet met het uitgangspunt dat de staat het monopolie heeft, concludeert Frissen. Dit alleenrecht als vertrekpunt tekent ook de publieke discussie over het doden door dokters. ‘Zeggen dat het in de privésfeer thuishoort, is geen oplossing. Dit is het hart van waarover je het als politieke gemeenschap moet hebben: wie mag geweld uitoefenen en wie niet? Het moet niet als een beschavingsoperatie worden gezien dat dit tot het domein van de zelfbeschikking gaat behoren.

Strenger toezicht

Enige zendingsdrang is Nederland – met zijn liberale klimaat voor zaken als leven en dood – niet vreemd, zegt Frissen: ‘Het slechten van taboes wordt gezien als een vorm van beschaving en Nederland heeft als “gidsland” de curieuze gewoonte daar missionaire pretenties aan te verbinden.’ Maar het gaat om universele vraagstukken en Frissen noemt het hoogmoedig om te denken dat Nederland daarvoor een unieke en meest beschaafde oplossing heeft gevonden. ‘Met de “nette regeling” voor euthanasie, halen we alle normalisering en instrumentalisering gratis binnen. Hoewel er via de toetsingscommissies toezicht wordt uitgeoefend, krijgen burgers toch de indruk dat het onderdeel is geworden van het normaal medisch handelen. Dan wordt uiteindelijk de Levenseindekliniek de standaard, zoals we ook abortusklinieken hebben.’

‘Burgers krijgen de indruk dat euthanasie normaal medisch handelen is’

In zijn boek komt Frissen niet tot beleidsaanbevelingen, ‘dat moeten politici zelf maar verzinnen’, maar in dit interview wil hij wel wat conclusies trekken. Het toezicht op euthanasie moet strenger worden, juist omdat het een monopolie is van de staat, vindt hij. ‘En ik ben er voorstander van dat de beoordeling niet meer door een vorm van lekenrechtspraak gebeurt, zoals nu in de toetsingscommissies, maar door de reguliere rechtspraak. Zware oordeelsvorming over strafrechtelijk handelen ligt in bijna alle domeinen bij het strafrecht en niet bij leken. Dat heeft ook een symbolische reden: om het zwaar te houden.’ Frissen wil verder dat euthanasie vooraf wordt getoetst. ‘Als het vooraf door de rechter wordt beoordeeld, wordt de dokter gelegitimeerd door de staat. De staat krijgt zo een veel explicietere rol en wordt opdrachtgever. Voor de dokter betekent dit dat hij doodt namens de staat. Nu is dat niet zo; het is vrij, professioneel handelen.’

Taboesfeer helpt

Zijn aanpak maakt de zaak voor dokters niet ingewikkelder, voorspelt Frissen. ‘Óf alles wordt nog liberaler, we krijgen een regeling voor voltooid leven en de burger mag zelf gaan beoordelen wat ondraaglijk lijden is. Dan zal de euthanasiewet snel verdwijnen. Dokters zullen een rol krijgen als uitvoeringsinstantie van door anderen afgevinkt lijden.’ Maar als de politiek het Frissen-scenario volgt, is de arts met een oordeel vooraf van de strafrechter off the hook. Zou Frissen de euthanasiewet misschien liever afgeschaft zien? Frissen: ‘Het is tamelijk ondenkbaar in de huidige omstandigheden dat we zouden ophouden met die wet, wetende dat het dan toch gewoon praktijk blijft. Dat zou raar zijn. Maar we moeten niet denken dat legalisering de oplossing is voor vraagstukken rondom de dood. De dood blijft wringen. De taboesfeer helpt, want een taboe heeft altijd betrekking op het onaanraakbare, het onbegaanbare en het onkenbare. Het taboe gaat zowel over het heilige als over het vuil in een samenleving. Leven en dood horen daar bij uitstek thuis en moeten daar ook blijven. Het is een manier om tragiek en hypocrisie te organiseren. We denken dat als we de prostitutie legaliseren en de klant gewoon een keurige btw-bon krijgt, dat het dan een nette bedrijfstak is geworden. In andere landen is prostitutie verboden, maar iedereen weet dat het overal voorkomt. Dan wordt er af en toe een lading prostituees gearresteerd en dan is de symbolische orde weer hersteld. Ik ben zuidelijk, onder de rivieren begrijpen we dat allemaal misschien wel beter.’

 

Paul Frissen (1955):

Politicoloog Paul Frissen is hoogleraar bestuurskunde aan Tilburg University en decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) in Den Haag. Deze week verschijnt zijn boek Staat en taboe – Politiek van de goede dood. Van zijn hand verscheen vorig jaar het spraakmakende DE FATALE STAAT.

Reacties uitgeschakeld voor Legalisering is geen oplossing voor het vraagstuk van de dood

Nota Medische ethiek van ministerie VWS en debat TK

Rijksoverheid. Auteur: minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Hugo de Jonge Minister De Jonge (VWS) informeert de Tweede Kamer hoe het kabinet de komende jaren zal omgaan met medisch-ethische vragen en wat…

Rijksoverheid.

Auteur: minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Hugo de Jonge

Minister De Jonge (VWS) informeert de Tweede Kamer hoe het kabinet de komende jaren zal omgaan met medisch-ethische vragen en wat het kabinet op dit gebied wil bereiken.

Hij schrijft in de inleiding van zijn nota als volgt. “Met grote regelmaat is er maatschappelijke aandacht voor medisch-ethische vraagstukken. In het publieke debat leven vragen rondom zwangerschap en geboorte, het doen van medisch-wetenschappelijk onderzoek of het maken van keuzes over zorg rondom het levenseinde. Ethische kwesties raken aan de kern van wie we zijn en waar we voor staan. In de samenleving bestaan op medisch-ethisch gebied verschillende opvattingen. Het maken van keuzes over deze vraagstukken is daardoor geen eenvoudige opgave. Juist daarom is een goede dialoog met elkaar van belang. Door uit te gaan van gedeelde waarden en respect te hebben voor de gezichtspunten van een ander, meent dit kabinet een goed gesprek over ethische vraagstukken te kunnen voeren en wellicht (een deel van) de verschillen te kunnen overbruggen. Voor alle partijen zijn een goede volksgezondheid en gezondheidszorg van belang.

De ontwikkeling van de geneeskunde wordt gevoed door wetenschappelijk onderzoek en technologische innovaties en beoogt te resulteren in nieuwe diagnostiek en behandelmogelijkheden, preventie en genezing van ziektes, mogelijkheden om lijden te verlichten, of meer patiëntgerichte zorg. Dat neemt niet weg dat de opvattingen over de precieze invulling van die zorg of wetenschap
uiteen kunnen lopen. Wanneer bij besluitvorming over deze onderwerpen medisch-ethische overwegingen een rol spelen, is bestaande wet- en regelgeving het uitgangspunt, zoals afgesproken in het regeerakkoord.

Het doel van dit kabinet is om bij medisch-ethische vraagstukken te komen tot beleid dat kan rekenen op breed draagvlak binnen onze samenleving, dat aansluit bij ons moreel kompas. Om bij beleidsveranderingen een antwoord te vinden op de vraag welke ruimte wenselijk en aanvaardbaar is, zijn daartoe in het regeerakkoord drie vragen opgenomen, die het uitgangspunt vormen voor het maken van keuzes en daarmee voor de standpunten van dit kabinet. Allereerst zal de vraag naar de medisch-wetenschappelijke noodzaak moeten worden gesteld.
Zijn er toereikende alternatieven die geen of een minder vergaande verruiming van de beleidsruimte behoeven? Als tweede is er de vraag naar de medisch-ethische dimensie, waarbij niet alleen wetenschappelijke belangen worden gewogen, maar waarbij ook ethische bezinning bij wetenschappers en zorgprofessionals een rol speelt. Het regeerakkoord verwijst daarbij naar het
zwaarwegende belang van adviezen van de Gezondheidsraad en andere adviesorganen, alsmede de Raad van State. Tot slot is van belang dat er maatschappelijke discussie en politieke bezinning heeft plaatsgevonden.

In deze nota werkt de Minister verder uit hoe het kabinet hieraan verder invulling wil geven. Vervolgens gaat hij in op de diverse concrete beleidsvraagstukken en schetst hij de richting waarin het kabinet de komende jaren zal gaan. Hij doet dat aan de hand van drie overkoepelende thema’s:

1) vraagstukken rond het begin van het leven;

2) medisch-wetenschappelijk onderzoek en technologie;

3) vraagstukken rond het einde van het leven.

 

Zie “Nota medische ethiek, d.d. 6 juli 2018”

Zie ook het verslag van het algemeen overleg in de Tweede Kamer, gehouden op 6 september 2018, over Medische ethiek/ Afbreking zwangerschap/ Euthanasie (te downloaden op de website van de Tweede Kamer Der Staten- Generaal.

 

 

 

 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Nota Medische ethiek van ministerie VWS en debat TK

Als er een optie voor euthanasie bijkomt, vergroot dat niet de keuzevrijheid, meent Jan Vorstenbosch. Dan wordt dóórleven niet meer de regel, maar een keus waar je je voor moet verantwoorden

TROUW, LETTER & GEEST, 16 Juni 2018, ESSAY Auteur: Jan Vorstenbosch (1952) is universitair docent Toegepaste Ethiek aan het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht.   Pia Dijkstra’s wetsvoorstel ‘Waardig Levenseinde’…

TROUW, LETTER & GEEST, 16 Juni 2018, ESSAY

Auteur: Jan Vorstenbosch (1952) is universitair docent Toegepaste Ethiek aan het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht.

 

Pia Dijkstra’s wetsvoorstel ‘Waardig Levenseinde’ lijkt na de verhitte discussies tijdens de coalitievorming in de zomer van 2017 met het aantreden van het Kabinet in de koelkast gelegd. Van verder onderzoek of een uitgebreid publiek debat, zoals voorzien in het Kabinetsakkoord van 2017, is nog weinig te merken. Toch zal Dijkstra’s voorstel, eenmaal aangenomen, grote gevolgen hebben, vooral voor ouderen van boven de 75 die een verzoek kunnen doen voor hulp bij zelfdoding.

De Memorie van Toelichting op het Wetsvoorstel noemt deze mogelijkheid een wenselijke aanvulling op het reeds bestaande ‘pakket’ aan stervensvormen: euthanasie, palliatieve sedatie en versterving. Ouderen die ‘lijden aan het leven’ krijgen als ‘extra optie’ een legale route om met professionele hulp hun leven te beëindigen. De hoop is dat deze optie ook wordt geaccepteerd door burgers die er geen gebruik van zullen maken. Maar is de voorgestelde Wet inderdaad niet meer dan een ‘optie’ voor degenen die er gebruik van willen maken? Is het accepteren ervan alleen maar een kwestie van solidariteit tussen (oudere) burgers? Laat het de positie en vrijheid van burgers om met hun levensavond om te gaan onaangetast?

Laat ik vooropstellen dat ik hulp bij zelfdoding in bepaalde situaties moreel begrijpelijk, invoelbaar en gerechtvaardigd vind.

Het bekendste voorbeeld is Moek (99). Haar schoonzoon Albert Heringa hielp haar sterven, een actie die nog steeds onder de rechter is. Al blijft het de vraag of Moek niet zozeer dood wilde omdat haar leven ‘voltooid’ was (dat stadium was waarschijnlijk al gepasseerd), maar omdat zij leed aan een complex van factoren, dat volgens kenners ook ‘zwaar’ genoeg was om hulp binnen de huidige Euthanasiewet te rechtvaardigen.

Waar het mij om gaat is of het ‘een goed idee’ is om hulp bij zelfdoding bij niet-medisch gemotiveerde doodswensen via een wet te legaliseren. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, wordt in ieder geval de vraag reëel voor veel ouderen of ze er gebruik van zullen maken en zo ja, wanneer. Het wordt daarmee een publieke kwestie. Wat is daar tegen? Iedereen krijgt toch een vrije keus, er komt alleen maar een optie bij voor mensen met een doodswens?

Maar ligt het wel zo eenvoudig? Voor het antwoord daarop zijn de argumenten interessant die de Amerikaanse filosoof J. David Velleman heeft aangevoerd tegen institutionele regelingen rond euthanasie en hulp bij zelfdoding. Hij bestrijdt het idee dat meer keuze voor alle individuen altijd meer vrijheid schept. Dat is vaak niet het geval.

Bij onderhandelingen tussen vakbond en werkgevers bijvoorbeeld is het vaak gemakkelijker onderhandelen als je als vakbond maar één strategische optie hebt. Door een optie toe te voegen, bijvoorbeeld omdat je leden dat willen, kunnen de werkgevers druk uitoefenen om voor dié optie te kiezen, en daardoor wordt de positie van de onderhandelaars zwakker.

Een voorbeeld uit de huiselijke sfeer: door ongezonde spullen zoals pinda’s en zoetigheid in huis te halen, krijg je allemaal een extra optie die je niet per se hoeft te gebruiken. Maar de beschikbaarheid maakt het wel gemakkelijker om druk uit te oefenen op huisgenoten die de verleiding moeilijk kunnen weerstaan. Door samen die optie te blokkeren en die spullen niet in te slaan, kunnen individuen zich vrijer voelen. Ze zijn dat ook omdat ze er zelf eerder voor hebben gekozen om de keuze te vermijden.

Deze maatschappelijke en huiselijke voorbeelden tonen de beperktheid van louter neo-liberaal economisch denken over vrijheid in termen van individuele opties, wensen en beschikbaarheid van keuzes voor individuen.

Ze raken volgens mij ook het veel zwaardere politieke en ethische debat over ‘levensbeëindiging op verzoek’. Juist vanwege de morele ernst en het onherroepelijke karakter van de keuzes waar het om gaat, moeten we als samenleving voorzichtig zijn met dit vocabulaire. Zo kan een optie om te worden geholpen zoals het Wetsvoorstel die aanbiedt, ertoe leiden dat de eerdere situatie waarin ‘verder leven’ de norm was en hulp bij zelfdoding verboden, verandert. Zo maar verder leven kan dan het karakter krijgen van een relatief willekeurige wens, waarvoor je je als oudere evenzeer moet rechtvaardigen als een ander voor een doodswens. Onder bepaalde omstandigheden zal doorgaan met leven, afhankelijk van de keuzes die anderen maken, niet langer als vanzelfsprekend worden beschouwd. Dan wordt het kiezen zélf een belasting, juist omdat er een ‘optie’ is, een netjes geregelde praktijk, waardoor de manier waarop andere ouderen met het levenseinde omgaan een publiek gegeven is, en er binnen die context nieuwe normen kunnen ontstaan.

Erkenning

Het gevoel dat het normaal is om te (willen) blijven leven zit diep in het zelfbegrip van de moderne, westerse mens. De huidige burgers van Nederland leven in de meest welvarende samenleving uit de geschiedenis. We kunnen ons nog niet goed voorstellen onder welke voorwaarden het verder leven van ouderen ter discussie zal worden gesteld. Dat gebeurt zeker als er druk op de keuzes van ouderen komt te staan, door bijvoorbeeld klimaatverandering of het schaarser worden van publieke middelen voor de zorg. Dan is doorleven geen vanzelfsprekende keuze meer. Als andere burgers sterke rechtvaardigingen geven om uit het leven te stappen, en jij kunt dat niet omdat je minder goed in staat bent om je redenen geloofwaardig naar voren te brengen, of omdat je aantoonbaar in een situatie bent waar die ‘goede’ argumenten ook op jou van toepassing zijn, dan is dat bedreigend voor je status en je erkenning als persoon. Die erkenning is juist belangrijk als je ziek of zwak en dus afhankelijk bent.

Als je je keuze niet kunt rechtvaardigen kan het lijken alsof je onredelijk bent. Door toenemende rechtvaardigingsdruk kunnen mensen zichzelf overbodig, of hun bestaan als zinloos gaan voelen.

De culturele nadruk op actief zijn, op rationeel zijn, op autonomie en op nuttigheid en productiviteit, kan in dat zelfbegrip ook een rol gaan spelen. Een passief en afhankelijk bestaan is dan iets negatief, de bewijslast komt sluipenderwijs te liggen bij wie afhankelijk, belastend en duur zijn.

Zulke sociale, economische en culturele factoren gaan de komende decennia een grotere rol spelen. Wat betekent een wet op de levensbeëindiging dan voor de zorg voor ouderen en hun positie? Die positie kan veranderen door toenemende druk op de economie, door de snel veranderende technologische omgeving, of door het grotere beroep op een relatief kleine volgende generatie. De combinatie van die veranderingen met een ‘hulp bij doodswensen’-wet kan het huidige zelfbegrip en de zelfinterpretatie van ouderen, als individuen die ‘als vanzelfsprekend’ bij de samenleving behoren en verzekerd kunnen zijn van vaak kostbare zorg op hun oude dag, sterk beïnvloeden.

Velleman vergelijkt dit maatschappelijk effect met de discussie over het verbieden van het duel in de 19de eeuw. Ook daarin ging het om een keuze op leven en dood, en ook daarin speelde het begrip ‘waardigheid’ een belangrijke rol. Het ging om de vrijheid van de adellijke klasse om zonder tussenkomst van de overheid te duelleren in situaties waarin eer en waardigheid werden uitgedaagd. De sociale kosten om te weigeren te duelleren waren voor de adel in zo’n cultuur hoog. Weigeren leidde tot een reputatie van schande en oneer, als je je liet beledigen zonder genoegdoening te vragen. Een wet tegen duelleren was de enige maatregel die deze sociale kosten bij de individuen wegnam. Zij konden zich dan beroepen op de hogere macht van de wet. Pas daardoor kon de cultuur onder adel en militairen veranderen.

Het ging toen om mensen die zich op grond van hun vrijheid en waardigheid verzetten tegen de invoering van een wettelijk verbod om hun eigen leven op het spel te zetten. In het geval van een Wetsvoorstel hulp bij zelfdoding gaat het juist om het opheffen van een verbod. Het betekent dat de optie om geholpen te worden bij zelfdoding (oudere) mensen nieuwe redenen kan geven om hun leven te beoordelen en in bepaalde gevallen, te willen beëindigen. Het gebruikmaken van hulp bij zelfdoding is dan niet slechts een private zaak tussen een hulpverlener en iemand met een weloverwogen wens om te sterven. Het heeft ook gevolgen voor het soort samenleving en cultuur waarin we leven en de manier waarop ouderen zich verhouden tot hun bestaan.

Bij het duelverbod streed een elite voor een eigen morele code voor eer en waardigheid. Ook in onze samenleving zijn er andere, maar eveneens grote verschillen tussen individuen – economisch, sociaal, qua opleiding, en psychologisch. In de ethische discussie over het Wetsvoorstel worden het eigen levensverhaal en de eigen regie vaak als aanknopingspunt voor de interpretatie van vrijheid en autonomie genomen, maar voor veel mensen wordt het script en scenario van hun leven, inclusief het vermogen om dat onder woorden te brengen, flink bepaald door de maatschappelijke context en door sociale normen en verwachtingen. Met een wetsvoorstel zal een publieke ruimte worden geopend waarin een vergelijking van dergelijke ‘levenseindeverhalen’ van 75-plussers mogelijk wordt. Het aanbieden van stervenshulp kan het normaal maken dat je je leven beëindigt, als je bijvoorbeeld tot last bent voor je omgeving of voor de samenleving.

Waardigheid

Misschien levert je dat dan zelfs wel een nieuw soort waardigheid op, of respect voor je opofferingsgezindheid. Dat voorzag de Engelse filosoof David Hume al in de achttiende eeuw in zijn vaak geciteerde essay ‘Over zelfmoord’: “Stel dat ik niet meer in staat ben het algemene belang te dienen; stel dat ik er een last voor ben; stel dat mijn leven een hinderpaal is voor een ander om dat belang veel beter te dienen. In die gevallen moet mijn terugtrekking uit het leven niet alleen beschouwd worden als zonder schuld, maar zelfs prijzenswaardig. En de meeste mensen die overwegen het leven de rug toe te keren, verkeren in een dergelijke situatie.”

Hume’s redenering kan voor bepaalde individuen een redelijke en alleszins te billijken rechtvaardiging zijn om uit het leven te stappen. Het punt is dat er een groot verschil is tussen personen, die elk voor zich in de beslotenheid van hun eigen leven deze keuze maken zonder dat die publiek wordt, en een institutionele regeling waarin deze redenen inzet worden van de vraag of de overheid hulp bij zelfdoding accepteert en faciliteert.

Ik vraag me daarom af of het wel wenselijk is om in alle openheid, zichtbaar en toetsbaar de overwegingen, normen en redenen van mensen met een doodswens te bespreken. Juist bij beslissingen rond het levenseinde die inderdaad – zoals in de Memorie van Toelichting wordt toegegeven – uiterst persoonlijk, uniek, kwetsbaar, complex en situatiegebonden zijn. Juist daarom is het misschien beter weg te blijven van een proces waarin de beslissing over het levenseinde over het afzonderlijke geval wordt heengetild naar een maatschappelijke discussie over gedeelde en misschien ongewild dwingende normen, naar een toetsing waar niemand echt gelukkig mee is.

Mijn bedenkingen vegen niet de respectabele verlangens en belangen aan de kant van oudere mensen met grote mentale en existentiële problemen. Maar de politieke vraag is of er voor hen geen redelijke alternatieven bestaan.

Volgens veel kenners onderschatten veel mensen de mogelijkheden die de bestaande Wet Toetsing Levensbeëindiging en Hulp bij Zelfdoding hun biedt. Bovendien zijn er al stervensvormen waarbij individuen kunnen afwegen en beslissen in de beslotenheid van hun eigen persoonlijke omgeving, met familie en medische en sociale hulpverleners.

Neem het vaak ten onrechte als gruwelijk afgeschilderde ‘versterven’. Wilsbekwame individuen zijn sowieso vrij om te beslissen zich niet te laten behandelen, en voor uitsluitend palliatieve begeleiding te kiezen. Of de door filosoof Ton Vink bepleite praktijk van zelf-euthanasie, waarbij een consulent betrokken is, die niet instrueert maar informeert, adviseert en steunt.

Aan al deze alternatieven kleven óók praktische, morele en juridische problemen, maar ik verkies ze boven het ontwikkelen van een nieuwe professionele praktijk van levenseindebegeleiding.

 

Dit essay is een bewerking van ‘De Discussie over een Voltooid Leven-wet. Een ethische beschouwing over maatschappelijke voorwaarden en effecten’, te lezen op www.uu.nl/onderzoek/ethiek-instituut/onderzoek/reeks-ethische-annotaties

Reacties uitgeschakeld voor Als er een optie voor euthanasie bijkomt, vergroot dat niet de keuzevrijheid, meent Jan Vorstenbosch. Dan wordt dóórleven niet meer de regel, maar een keus waar je je voor moet verantwoorden

Kamerleden blij met onderzoek Laatste Wil

ACTUEEL / ANP, 21 maart 2018 DEN HAAG (ANP) – Kamerleden zijn blij dat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek is begonnen naar de Coöperatie Laatste Wil (CLW). ,,Goed dat…

ACTUEEL / ANP, 21 maart 2018

DEN HAAG (ANP) – Kamerleden zijn blij dat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek is begonnen naar de Coöperatie Laatste Wil (CLW). ,,Goed dat het OM in actie komt”, twittert fractievoorzitter Kees van der Staaij van de SGP. ,,Aanpak van deze gevaarlijke club en van verkoop zelfmoordpoeder is dringend nodig.”

Ook Kamerlid Carla Dik-Faber van de ChristenUnie juicht het onderzoek toe. ,,Ik maak me al langer ernstige zorgen om de verspreiding van een zelfmoordpoeder via de CLW, nota bene zonder dat er controle is op wie het middel in handen krijgt.”, laat zij weten. ,,Wat hier op het spel staat, is de veiligheid van kwetsbare mensen in onze samenleving.”

In een brief aan de Tweede Kamer laat minister van Justitie Ferd Grapperhaus weten dat alleen een arts onder strenge voorwaarden mag helpen bij euthanasie. ,,Voor ieder ander is hulp bij zelfdoding, of het verschaffen van middelen daartoe, een strafbaar feit”, aldus de bewindsman.

De Tweede Kamer vroeg minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid eerder deze week met de CLW te gaan praten. Aanleiding was de dood van een 19-jarige vrouw die vorige maand met behulp van een door die organisatie gepromoot zelfdodingsmiddel een einde aan haar leven maakte. Maar zo’n gesprek is niet langer opportuun nu het OM de zaak in onderzoek heeft, meldt Grapperhaus.

Reacties uitgeschakeld voor Kamerleden blij met onderzoek Laatste Wil

Raad van Kerken: geen taboe op euthanasie

Nederlands Dagblad, 20 februari 2018 Auteur: Eline Kuijper De overheid zou hulp bij zelfdoding niet moeten aanbieden aan mensen die hun leven als voltooid ervaren. Met die boodschap kwam de…

Nederlands Dagblad, 20 februari 2018

Auteur: Eline Kuijper

De overheid zou hulp bij zelfdoding niet moeten aanbieden aan mensen die hun leven als voltooid ervaren. Met die boodschap kwam de Raad van Kerken dinsdag, bij de presentatie van de brochure ‘Nu word ik oud.

Amersfoort

‘Het leven is pas voltooid als het over is, als je dood bent’, zei de oudkatholieke aartsbisschop van Utrecht Joris Vercammen bij de presentatie. Hij is voorzitter van de kerngroep ‘Vierde levensfase’ van de raad, die zich twee jaar lang met dit thema bezighield. De raad wil met dat boekje het gesprek over euthanasie bij voltooid leven verdiepen. Maar een ideologisch standpunt van de raad tegen euthanasie zou te kort door de bocht zijn. ‘De discussie over voltooid leven is complex. We willen geen taboe op euthanasie leggen’, aldus Vercammen. Hij wil de problematiek juist aangrijpen om het gesprek in de samenleving aan te gaan, over kwetsbaarheid, afhankelijkheid en de zorg voor ouderen. ‘Mensen zijn niet autonoom en onafhankelijk. We mogen geen druk leggen op ouderen.’ In een werkbezoek van de groep aan een verzorgingstehuis in Hilversum viel hen op dat ouderen last hebben van eenzaamheid en de vraag stellen of ze niet tot last zijn. Zorgelijk, vindt Vercammen. ‘Alsof jonge mensen niet tot last van de samenleving zijn. Praten over voltooid leven zonder dat de zorg voor ouderen op orde is, dat lijkt nergens op.’

Afhankelijk

Het platform, waarin verschillende kerken samenwerken, vindt het een bijbelse opdracht om aan de kant te staan van lijdende en zieke mensen. Dat gaat over veel meer dan voltooid leven. ‘In de samenleving worden kwetsbaarheid en afhankelijkheid gezien als on-waarden’, zei Vercammen. ‘Maar kwetsbaarheid en afhankelijkheid horen bij het leven. Wie zouden we zijn, als we niet afhankelijk van elkaar zijn?’

Bij de gesprekken die voorafgingen aan het schrijven van deze brochure, nam de raad als moreel uitgangspunt dat ‘het moedwillig doden van een onschuldig mens in principe problematisch is’, vertelt medisch ethicus Theo Boer. Hij schreef mee aan de brochure. ‘De discussie over euthanasie bij voltooid leven is echt uniek voor Nederland’, zei Boer. ‘Dat is een reden om extra voorzichtig te zijn. Er is een neiging in dit land om verslaafd te raken aan de dood. Er is bijna geen lijden te bedenken, of de dood wordt als uitweg genoemd.’

Boer wijst erop dat berichten en gesprekken over zelfdoding leiden tot meer zelfdodingen. ‘Laten we daarom oppassen met er te veel over te praten en te zeggen dat het geregeld moet worden. Het aanbod schept de vraag.’ Een totaalverbod op euthanasie zou de vraag verminderen, zegt Boer, maar dat is in zijn ogen geen optie. ‘We leven ook in een democratie. Als er in de samenleving veel draagvlak is voor euthanasie, kunnen we niet onze kop in het zand steken.’

De brochure ‘Nu word ik oud’ heeft een oplage van tienduizend en wordt verspreid onder predikanten en pastoors. Toen de werkgroep ‘Vierde ­levensfase’ net begon, stuurde ze een brief naar de Tweede Kamer waarin ze de waardigheid van de mens benadrukte.

 

Reacties uitgeschakeld voor Raad van Kerken: geen taboe op euthanasie

Zes maanden voorwaardelijk voor man die stiefmoeder hielp bij zelfdoding

NRC.nl, 31 januari 2018 Auteur: Kasper van Laarhoven   Albert Heringa is woensdag door het Gerechtshof in Den Bosch schuldig bevonden aan het bieden van hulp bij de zelfdoding van zijn…

NRC.nl, 31 januari 2018

Auteur: Kasper van Laarhoven

 

Albert Heringa is woensdag door het Gerechtshof in Den Bosch schuldig bevonden aan het bieden van hulp bij de zelfdoding van zijn stiefmoeder.

Albert Heringa (75) krijgt zes maanden voorwaardelijke celstraf opgelegd voor het bieden van hulp bij de zelfdoding van zijn stiefmoeder, dat besloot het Gerechtshof in Den Bosch woensdag. Dat is meer dan de drie maanden die het OM eiste. Het hof bevond Heringa schuldig en verwierp Heringa’s beroep op ‘noodtoestand.’ Heringa had volgens het Hof een andere arts moeten zoeken toen de huisarts van stiefmoeder Moek euthanasie weigerde.

Heringa diende zijn stiefmoeder in 2008 (zij was toen 99) een mix van malariapillen, slaappillen en een antibraakmiddel toe. Zij stemde hiermee in, in een gesprek dat Heringa filmde. Moek was nagenoeg blind, had zware rugklachten en kampte met hartfalen. Heringa filmde eveneens de zelfdoding van Moek. Hij hoopte zo het debat rondom euthanasie aan te zwengelen. Later werd van deze beelden een documentaire gemaakt, die actualiteitenrubriek Netwerk in 2010 uitzond. De uitzending was de aanleiding voor Heringa’s vervolging.

Noodtoestand

Het was de tweede keer dat de zaak in hoger beroep voorkwam. Het hof in Arnhem oordeelde dat Heringa geen straf verdiende. De Hoge Raad veegde deze eerdere uitspraak van tafel omdat “een beroep op noodtoestand slechts bij hoge uitzondering kan worden geaccepteerd bij hulp bij zelfdoding door iemand die geen arts is.” Het aantal meldingen van euthanasie neemt in Nederland al jaren toe. De Regionale Toetsingscommissies Euthanasie ontving in 2016 meer dan 6000 meldingen van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. Dat is ongeveer 4 procent van het totaal aantal overleden mensen in dat jaar. In 2015 waren het er nog minder dan 5500. In 2016 assisteerde in 85 procent van de gevallen een arts bij de zelfdoding.

Een steunpetitie voor Heringa van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) werd door bijna 20.000 mensen ondertekend. Ook het gerechtshof in Den Bosch zat overvol met steunbetuigers voor Heringa. In een reactie zegt de NVVE tegen ANP dat zij teleurgesteld en verbijsterd zijn over de uitspraak. Volgens de vereniging heeft het Hof geen enkele empathie getoond voor de positie waar Heringa destijds in verkeerde. De NVVE heeft 167.000 leden.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Zes maanden voorwaardelijk voor man die stiefmoeder hielp bij zelfdoding

Wat zegt de Bijbel over voltooid leven?

Dagblad Trouw, 15 februari 2018, rubriek religie en filosofie. Auteur: Maaike van Houten   Drie visies. De Protestantse Kerk in Nederland en de Katholieke kerk zien in de Bijbel een…

Dagblad Trouw, 15 februari 2018, rubriek religie en filosofie.

Auteur: Maaike van Houten

 

Drie visies.

De Protestantse Kerk in Nederland en de Katholieke kerk zien in de Bijbel een oproep tot overgave; de mens mag het leven niet in eigen hand nemen. Joost Röselaers van de remonstranten vindt: ‘God wil dat wij een leefbaar leven leiden. Als dat niet meer kan, mag het klaar zijn’. 

 

  1. ‘Waardigheid ontkennen is belediging aan het adres van God’ Kardinaal Wim Eijk, aartsbisschop van Utrecht

“Wij geloven dat de waardigheid van de mensen wordt bepaald doordat we zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Die waardigheid geldt voor de hele persoon, voor de ziel maar ook voor het lichaam en die moet altijd en overal gerespecteerd worden. Die universele waardigheid geldt onder alle omstandigheden en voor alle mensen, ook al zijn ze er zelf van overtuigd dat hun leven alle waardigheid en zin heeft verloren. En ook als ze niet geloven. Of je nou christen bent of niet, die waardigheid van de mens ligt besloten in Gods scheppingsorde. Dat hangt samen met je mens-zijn als zodanig. “De mens die zijn leven als voltooid ziet en er een eind aan wil laten maken, doet die waardigheid geweld aan. Het is een pijnlijke en liefdeloze belediging aan het adres van God wanneer die waardigheid wordt ontkend.

“Het is onze opdracht zoveel mogelijk de oorzaken weg te nemen waardoor zij naar de dood verlangen en die waardigheid niet meer zien, en hen te helpen inzien dat een leven altijd waarde heeft. We moeten het lijden van mensen die dood willen omdat ze hun leven als voltooid zien, serieus nemen, we moeten vragen waarom ze dat willen. Ze kunnen gebukt gaan onder het leven, daar moet je niet flauw over doen. We moeten de bereidheid hebben mensen die in zo’n nood verkeren, bij te staan en niet alleen te laten. Als iemand echt naar hen luistert, voor hen openstaat, dan is dat een geweldige steun in de rug. Dat onderschatten we weleens. Mensen kunnen heel eenzaam zijn. Daar kan geen enkel mens tegen. We zien in de praktijk dat oprechte belangstelling van een medemens het gevoel kan wegnemen in de steek gelaten te zijn. “Bij veel mensen zal aandacht werken. Maar je houdt een groep mensen over die toch per se dood wil. Als katholieken kunnen we hulp bij levensbeëindiging niet goedkeuren. Daar moeten we heel duidelijk in zijn. Dat standpunt kan bij pastorale begeleiding leiden tot een breuk, waarna iemand geen contact meer wil met de kerk. Dat zij zo.

“Bij het toedienen van de laatste sacramenten legt de mens zichzelf in Gods handen, je geeft je over aan zijn liefdevolle zorg. Dat staat haaks op actieve levensbeëindiging. Dan is die overgave er juist niet, dan neemt de mens het leven in eigen hand. Een priester mag de laatste sacramenten niet toedienen aan iemand van wie hij weet dat die van plan is zijn leven te laten beëindigen. Ik weet niet of mensen die bewust voor de dood kiezen bij God komen, ik kan alleen de leer van de kerk verkondigen. Dat oordeel is aan God, in de wetenschap dat Hij de beslissing weegt en ook de angst die daaraan mogelijk ten grondslag ligt, angst voor eenzaamheid, verlies aan sociale relaties. “Het verlangen om te sterven kan heel legitiem zijn. Heer laat mij sterven. Een pastor en een gelovige kunnen daar samen om bidden. Je mag hopen dat dat gebed wordt verhoord, al kan dat langer duren dan gewenst. Maar God beproeft je nooit boven je kracht. En hij geeft ook kracht en genade om vol te houden en te volbrengen.”

 

2. Het is een vorm van barmhartigheid hulp te krijgen bij de dood’ Joost Röselaers, algemeen secretaris van de remonstranten

“Je kunt de ervaring hebben dat het leven rond is. Ik zie dat in de Bijbel bij Job. Hij was niet ernstig ziek maar hij stierf oud, en verzadigd van het leven. Ik vind dat mooi. Hij was eigenlijk klaar met het leven. “In mijn Amsterdamse gemeente heb ik contact gehad met mensen bij wie dat zo was. Het was voor hen frustrerend dat ze dood wilden, maar dat daar geen regeling voor is. Je komt dan op het terrein van zelfdoding, met alle problemen van dien. Mensen kunnen alleen zelf ervaren dat hun leven op het existentiële vlak klaar is. Dat kan een ander niet voor ze doen. Er is ook fundamentele eenzaamheid, die is niet op te heffen.

“De Bijbel zegt niets over voltooid leven. We grijpen al in in het natuurlijke verloop, met vaccins, met behandelingen bij ziekte. Als je je leven als afgerond beschouwt, als er geen perspectief meer is, dan hoef je niet te wachten tot de dood komt. Dan mag je er hulp bij vragen. Het is een vorm van barmhartigheid die te mogen krijgen. God wil wel dat wij een leefbaar leven leiden. Als dat niet meer kan, dan mag het klaar zijn. “We zijn helemaal vrij dat moment zelf te bepalen. God staat daarbuiten. Ik zou nooit zeggen dat iemand op Gods tijd is thuisgehaald. Het is een raar beeld van God, dat die iemand van 30 bij zich roept. Ook bij iemand van 85 zou ik dat nooit zeggen. Maar wij hebben wel het vertrouwen dat iemand na de dood bij God is. Op de rouwkaart van de remonstrantse theoloog Han Adriaanse, die stierf met behulp van euthanasie bij een niet te genezen ziekte, stond: hij heeft het leven teruggegeven aan zijn Schepper. Dat vind ik een mooie gedachte, en het is ook heel christelijk om zelf dat besluit te nemen. “Maar dat moet niet de norm worden. Het kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Ik zou er niet triomfantelijk over willen praten. Er zit ook iets tragisch aan als mensen geen andere uitweg zien dan de dood. En het moet ook niet raar worden om te zeggen: ik wil blijven leven, ook al beteken ik maatschappelijk gezien niks meer. We moeten de samenleving zo inrichten dat mensen niet gedwongen worden in een bepaalde richting.

“In het besluit om hulp te willen bij voltooid leven moeten predikanten zich niet mengen, wel in de manier waarop het gaat. De beslissing heeft ook effect op je omgeving. De mens is relationeel autonoom: wat doet deze beslissing met je kinderen, met je familie, buren, vrienden? Wat laat je achter? Je moet het proces ernstig nemen, ook de zware kant ervan. “Bij remonstranten is veel persoonlijke vroomheid. Ik kan me voorstellen dat ze, als ze zo’n besluit nemen, wel een innerlijk gesprek hebben gehad met God, of dat ze hebben gebeden. Daar kan een predikant het bij laten. Het zou heel kwalijk zijn dat als iemand worstelt, in de puree zit, je dan zegt: dat mag niet. Je moet zo iemand bijstaan. “Wij geven geen mening namens de kerk, ik zeg dit dus op persoonlijke titel. Het is niet één op één, in de zin van: we zijn liberaal, dus voor hulp bij voltooid leven. Maar bij ons is dit geen taboe. Mensen kunnen altijd bij ons terecht om het hier over te hebben, een dominee zal nooit zeggen: dit kan niet. Misschien neemt dat ook bij gelovigen uit de strengere hoek de angst weg dat dit van hun godsdienst niet mag. Zij kunnen bij ons ruimte ervaren.”

 

3. ‘Mijn tijden zijn in Uw hand, daar spreekt overgave uit’ René de Reuver, scriba van de Protestantse Kerk in Nederland

“In een brede kerk als de onze komt elke vraag die in de samenleving speelt naar voren in het pastoraat. Ook die van mensen die hun leven als voltooid zien. Het is niet goed die vraag weg te drukken. We moeten ons ertoe verhouden, meer dan dat we gelijk een antwoord hebben. “In de Bijbel vinden we aanknopingspunten die ons verder helpen. Voor mij is dat psalm 31, die wordt toegeschreven aan koning David. Zijn leven verloopt in ellende. ‘Zuchtend slijt ik mijn dagen, ik ben afgedankt als gebroken aardewerk’, zegt hij. Dat is heftig, dat is een hele existentiële kwestie. “David vraagt niet hoe hij dit af kan handelen, of hij er een einde aan mag maken. Nee, David zegt: mijn tijden zijn in Uw hand. Dat vind ik een prachtige zin. In de nieuwe vertaling staat dat zijn lot en zijn leven in Gods hand zijn. Daar spreekt overgave uit. Want dat is de grote vraag: ben jij diegene die de regie over alles in eigen hand neemt, of ken je iets van overgave? “Het idee dat we zelf de regie voeren tegenover het leven, maakt me zeer terughoudend over dit voorstel voor hulp bij voltooid leven. We zijn wel verantwoordelijk voor veel dingen en we grijpen in, op allerlei manieren. Maar het leven is een geschenk, het is door God gegeven. Je kunt niet zomaar zelf bepalen dat je leven voltooid is, en dat je ermee stopt.

“Deze wet is het verkeerde antwoord op wezenlijke vragen. Ik vrees dat die als een boemerang gaat werken. Dat mensen denken: ik ben 75, ben ik de samenleving tot last? Al in de Middeleeuwen werd gezegd dat er een kunst is om te leven, maar ook een kunst om te sterven. Zijn we die kunst om te sterven een beetje kwijtgeraakt? En dan bedoel ik niet precies het doodgaan zelf, maar ook de moeite van de laatste levensfase. Dat je probeert het daarin uit te houden. Dat is niet makkelijk. Het vraagt veel van de mens zelf maar ook van de omstanders. Die kunnen onbarmhartig zijn, mensen laten zitten, omdat ze ze toch alleen maar horen klagen. Geef niet op, dat is ook een appèl aan de samenleving.

“Tegenover regie zetten wij: relatie. Het is nooit: ik alleen, op mezelf. Ik kan wel denken dat mijn leven voltooid is, maar vinden mijn kinderen dat ook, vindt mijn man dat, mijn vrouw? En juist als mensen niemand hebben, dan weet de kerk zich geroepen naar mensen om te zien. De houding van de kerk zou een pastorale moeten zijn. We moeten naast iemand gaan zitten, laat die zijn verhaal doen. Blijf bij de ander, in die zin ben je een representant van God. “Als er een wens is om hulp bij voltooid leven, kan je daar als pastor over doorpraten. Je mag zeggen hoe jij erover denkt. Maar je respecteert de keus van diegene die dood wil. We laten geen mensen in de steek, en we leiden ook hun uitvaart. “De kerk staat niet tussen de mens en God. De mens is verantwoording verschuldigd aan God, niet alleen aan zichzelf. De Protestantse Kerk schrijft niet voor hoe het moet. Het is niet: als je het niet met ons eens bent, ben je geen christen. Maar ik kan wel zeggen dat hulp bij voltooid leven, voor zover ik het Evangelie versta, een stap te ver gaat.”

 

Reacties uitgeschakeld voor Wat zegt de Bijbel over voltooid leven?

Type uw zoekwoord in onderstaand veld. Druk hierna op enter/return om te zoeken