Reactie door Juristenvereniging Pro Vita (JPV) Het wetsvoorstel In het voorliggende wetsvoorstel wordt door een arts uitgevoerde levensbeëindiging op verzoek of verleende hulp bij zelfdoding uit het Wetboek van Strafrecht…
Reactie door Juristenvereniging Pro Vita (JPV)
Het wetsvoorstel
In het voorliggende wetsvoorstel wordt door een arts uitgevoerde levensbeëindiging op verzoek of verleende hulp bij zelfdoding uit het Wetboek van Strafrecht (Sr) geschrapt. Het betreft de artikelen 293 lid 2 en 294 lid 2 Sr.
Het voorstel beoogt geen wijziging aan te brengen in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl of Euthanasiewet).
Fundamentele rechten
Het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) legt aan de Europese lidstaten de plicht op de rechten en plichten van dat verdrag aan haar burgers te verzekeren. Art. 2 EVRM waarborgt dat niemand opzettelijk het leven wordt ontnomen. Dit komt krachtig tot uitdrukking in onder meer de artikelen 293 en 294 Sr. In beide artikelen wordt ook de betrokkenheid van artsen genoemd. Van de strafbaarstelling op zichzelf en bovendien van de hoge strafmaat gaat een krachtig signaal uit.
Deze artikelen zijn ons inziens daarom een onmisbare uitwerking van art. 2 EVRM. De betrokkenheid van artsen bij levensbeëindiging hoort niet bij het normale medische handelen, dat gericht is op herstel en het verzachten van lijden.
De Wtl rechtvaardigt het handelen van een arts als hij aan de daarin genoemde zorgvuldigheidsvereisten heeft voldaan. Feitelijk haalt de Wtl onder die voorwaarden euthanasie uit het strafrecht.
De artt. 293 lid 2 en 294 lid 2 Sr maken een noodzakelijk onderscheid tussen degene die willens en wetens een moord beraamd en de arts die handelt op verzoek van een patiënt. De wetsartikelen maken het daardoor mogelijk voor patiënten om over hun levenseinde te beslissen, als het leven voor hen uitzichtloos en ondraaglijk is geworden.
Wij vinden het voorstel van wet dat voorligt daarom onjuist en in strijd met het EVRM.
Verbeteringen in de Euthanasiewet
In het wetsvoorstel van Jetten en Koekkoek wordt vaak het zwaard van Damocles genoemd. Dat roept de vraag op of de strafbaarstelling van euthanasie en daarmee strafvervolging verbeterd kunnen worden. Als niet aan alle zorgvuldigheidseisen van art. 2 Wtl wordt voldaan geldt in geval van euthanasie een maximale strafmaat van 12 jaar gevangenisstraf of een geldboete van €103.000,00 (5e categorie).[1]
In de literatuur worden de zorgvuldigheidseisen besproken en stelt men de vraag of ook onderscheid gemaakt kan worden tussen de verschillende zorgvuldigheidseisen. De vraag ligt dan voor of iedere tekortkoming op dezelfde manier bestraft moet worden.[2]
We zetten deze zorgvuldigheidseisen op een rij.
De zorgvuldigheidseisen van art. 2 Wtl houden in dat de arts:
- de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt,
- de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt,
- de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten,
- met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was,
- ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijke zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen A tot en met D, en
- de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.
Alle zorgvuldigheidseisen samen geven het volledig zorgvuldig handelen van de arts weer en heffen zijn strafbaarheid op. Het is echter mogelijk om de verschillende zorgvuldigheidseisen van elkaar te onderscheiden in hun karakter en doel.
Zonder twijfel zijn de zorgvuldigheidsvereisten A en B de pijlers van het recht op leven van art. 2 EVRM. Bolte-Knol noemt ze in haar dissertatie de kernvereisten.[3] Deze essentiële vereisten beschermen het leven van de patiënt ertegen dat hij van het leven wordt beroofd.
Het Belgische Grondwettelijk Hof maakt bovendien nader onderscheid en noemt de voorwaarden waaraan de arts moet voldoen, vergelijkbaar met de zorgvuldigheidsvereisten C en D, en procedurele eisen E en F die controle op zijn handelen mogelijk maken. Het Hof verbindt daaraan de vraag of eenzelfde strafmaat voor alle vereisten in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel.[4]
De Belgische Euthanasiewet werd naar aanleiding van dit arrest recent aangepast.[5]
Levensbeëindiging van wilsonbekwame kinderen
Een ander knellend vraagstuk is de levensbeëindigend van kinderen die jonger zijn dan 12 jaar. De Regeling LZA/LP/LK1-12 lijkt artsen vrij te stellen van strafbaarheid als zij het leven beëindigen van kinderen. De voorgaande regeling voor late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging van pasgeborenen is in twee opzichten uitgebreid. Ten eerste in het oprekken van de leeftijd van kinderen tot 12 jaar. Ten tweede maakt het actieve levensbeëindiging met een chemisch middel mogelijk. In de regeling LK1-12 ontbreken zelfs alle zorgvuldigheidseisen.
Het behoeft geen betoog dat levensbeëindiging zonder dat de betreffende persoon daar zelf en uitdrukkelijk om kan verzoeken een flagrante schending is van het recht op leven, neergelegd in art. 2 EVRM en van art. 293 Sr. Het is in strijd met onze rechtsorde.
Een ministeriële regeling als zodanig onttrekt zich echter aan de toetsing aan het EVRM en het parlement, en het is evenmin mogelijk tegen een ministeriële
regeling zoals deze in beroep te gaan. Het mag duidelijk zijn dat de regeling kinderen onbeschermd laat en dat geen arts hier enige rechtsbescherming aannemen![6]
Om deze reden is het dringend noodzakelijk om in de Wtl voorwaarden op te nemen voor kinderen, die nog niet geen zelfstandig, uitdrukkelijk en weloverwogen verzoek om hun levenseinde kunnen indienen.
Conclusie
Wij komen tot de slotsom dat het wetsvoorstel van de heren Jetten en Koekkoek op zichzelf onjuist is en in strijd met art. 2 EVRM. Het is echter denkbaar dat de strafbaarstelling meer genuanceerd kan worden en vervolging meer effectief en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel kan plaatsvinden. Wij bevelen daarom aan de strafbaarstelling van euthanasie nader te onderzoeken ten aanzien van de verschillende zorgvuldigheidseisen in art. 2 Wtl.
Bovendien is het met grote klem noodzakelijk om de rechten van kinderen tot 12 jaar, die nog niet over zichzelf kunnen beslissen, in de Wtl te verankeren. Het benemen van het leven van een kind dat nog niet over zichzelf kan beslissen is tegen de wet en onze rechtsorde en kwalificeert in de huidige omstandigheid als moord, art. 293 Sr.
Namens Juristenvereniging Pro Vita
mr. Tista Bobbink
Patrick Garré, jurist
[1] rijksoverheid.nl/onderwerpen/straffen en maatregelen.
[2] De uitspraak van het Belgisch Grondwettelijk Hof ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.134.
- Bolte-Knol, Strafbaarstelling van euthanasie, Uitgesproken strafrecht?, WJS Uitgevers 2025.
[3] S. Bolte-Knol, Strafbaarstelling van euthanasie, Uitgesproken strafrecht?, WJS Uitgevers 2025, p. 528.
[4] ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.134, r.o B12.1, B12.2.1 en r.o A.3.4.
[5] Art. 140 van de wet van 28 maart 2024 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis.
[6] https://provita.nl/publicaties/consultatie-jpv-over-de-regeling-beoordelingscommissie-late-zwangerschapsafbreking-en-levensbeeindiging-bij-pasgeborenen-en-kinderen-1-12-jaar/


