Categorie: Thema's aangaande Levensbegin (publicaties)

Juridische status abortus in internationaal en Europees recht

Door Mr Marie-Thérèse Hengst.
Mw. Hengst is jurist internationaal en Europees recht, en redacteur bij Pro Vita Humana.

Samenvatting

Men hoort vaak over het ‘recht op abortus’. Deze woorden worden zo vaak gebezigd en zo vaak in een adem genoemd met reproductieve rechten, dat men het – begrijpelijkerwijs – voor waar aanneemt. Echter, een juridisch recht op abortus bestaat niet. In dit artikel zet ik uiteen wat dan wel de juridische status van abortus is binnen het Nederlands recht, het Europese mensenrechtenrecht en het internationaal publiekrecht.

Summary

We often hear about the ‘right to abortion’. These words are so often used and many times in the context of reproductive rights, that it is understandable that the public takes it to be truth. However, a legal right to abortion does not exist. In this article I will explain what legal status abortion does have in Dutch law, European human rights law and public international law.

Nederlands recht

Binnen het Nederlands recht bestaat er geen recht op abortus. Sterker nog, het is in beginsel zelfs strafbaar.1 Er geldt echter een uitzondering op deze strafbaarheid in het geval van een ‘noodsituatie’ van een vrouw.2 Wat er onder ‘noodsituatie’ wordt verstaan, legt de wetgever niet uit. Doch, met meer dan 30.000 abortussen per jaar3 komt deze uitzondering op de strafbaarheid zo vaak voor en lijkt het zo geaccepteerd in onze samenleving, dat het in de praktijk de hoofdregel lijkt.

Europees recht

Op grond van het Europees mensenrechtenrecht bestaat er eveneens geen recht op abortus.4 De vraag die hierbij centraal staat is of een ongeborene valt onder de definitie van ‘persoon’, zoals genoemd in artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit artikel gaat over het recht op leven. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) liet de beantwoording van die vraag altijd aan de lidstaten over om dit te bepalen, maar zelf sloot het de ongeborene niet uit van dit artikel toen het zei:

“that it is neither desirable, nor even possible as matters stand, to answer in the abstract the question whether the unborn child is a person for the purposes of Article 2 of the Convention.”5

Tevens erkende het de menselijkheid van de ongeborene dat bescherming verdient:

“it may be regarded as common ground between States that the embryo/foetus belongs to the human race”6 en dat het daarom, “require[s] protection in the name of human dignity.”7

Een van de rechters8 in dezelfde zaak voegde daar in een aparte uitspraak aan toe dat, als artikel 2 helemaal niet kan worden toegepast, het dan überhaupt geen zin heeft de bescherming van het ongeboren kind op basis van dat artikel te onderzoeken:

“Had Article 2 been considered to be entirely inapplicable, there would have been no point—and this applies to the present case also—in examining the question of foetal protection and the possible violation of Article 2, or in using this reasoning to find that there had been no violation of that provision.”9

Wel gaf het Hof aan dat landen gedwongen en pijnlijke abortussen moeten voorkomen. Hierdoor zijn landen dus niet helemaal vrij in hun abortuswetgeving, maar moeten ze betrokken belangen en rechten tegen elkaar afwegen. Ook moet een land dat abortus toestaat, zorgen voor een coherente abortuswetgeving die voldoende rekening houdt met de verschillende belangen op een manier die in overeenstemming is met het EVRM.10

Internationaal recht

Evenmin bestaat er op grond van het internationaal publiekrecht een recht op abortus.11 Binnen dit rechtsgebied valt abortus in de categorie reproductieve rechten en reproductieve gezondheidszorg. Dat er geen recht op abortus bestaat, blijkt uit twee documenten van de Verenigde Naties (VN): de Programme of Action of the International Conference on Population and Development (‘Action Plan’) uit 1994 en de Beijing Declaration and Platform for Action (‘Beijing Declaration’) uit 1995.

De Action Plan en de Beijing Declaration spreken niet van een recht op abortus. Sterker nog, ze wijzen abortus als gezinsplanning expliciet af en moedigen landen aan er alles aan te doen de behoefte aan abortus weg te nemen.12 Daarbij komt dat de definities van gezinsplanning en reproductieve rechten deels overeenkomen.13 En hoewel de documenten er niet duidelijk over zijn, kan daardoor naar mijn mening gezinsplanning tot een reproductief recht gerekend worden. En juist de expliciete uitsluiting van abortus als gezinsplanning, betekent dus een automatische uitsluiting van abortus als reproductief recht. Tevens geeft de VN in deze documenten aan dat de regels over abortus nationaal of lokaal moeten worden bepaald. Door dit aan de landen zelf over te laten, kan er geen sprake zijn van een internationaal recht op abortus.14

Verder bevestigde de VN in september 2015 deze visie opnieuw in een VN-resolutie15 naar aanleiding van de Conferentie rondom de Millenniumdoelen die in New York plaatsvond. Zo verwijst Doel 5, dat gaat over gendergelijkheid en het sterker maken van vrouwen en meisjes,16 naar de Action Plan en de Beijing Declaration. Ook herhaalde de Commission on the Status of Women dit jaar op 24 maart dit standpunt in haar jaarlijkse Agreed Conclusions.17 Het woord abortus kwam er niet eens in voor.

Conclusie

Hoewel men vaak spreekt van het ‘recht’ op abortus, bestaat deze niet in juridische zin. Het Nederlandse recht kent geen recht op abortus en stelt het in beginsel zelfs strafbaar. Er geldt echter een uitzondering op deze strafbaarheid in het geval van een ‘noodsituatie’ van een vrouw. De wetgever geeft echter niet aan wat onder een ‘noodsituatie’ moet worden verstaan.

Ook binnen het Europees mensenrechtenrecht is er geen recht op abortus en is zelfs de rechtspositie van de ongeborene onduidelijk. Het EHRM erkent wel de menselijkheid van de ongeborene en geeft aan dat het bescherming verdient. Ook zegt het Hof dat de lidstaten gedwongen en pijnlijke abortussen moeten voorkomen en dat hun abortuswetgeving ruimte moeten laten voor een afweging van belangen op een manier die in overeenstemming is met het EVRM. Hiermee zijn landen dus niet geheel vrij in hun abortuswetgeving.

Evenmin bestaat er op grond van het internationaal publiekrecht een recht op abortus. Abortus valt onder de categorie reproductieve rechten en reproductieve gezondheidszorg. Dat er geen recht op abortus kan bestaan, blijkt uit twee VN-documenten, de Action Plan uit 1994 en de Beijing Declaration uit 1995. De twee documenten wijzen abortus zelfs expliciet af als vorm van gezinsplanning. Aangezien gezinsplanning tot een reproductief recht kan worden gerekend, sluit dit abortus automatisch uit als reproductief recht. Deze houding is opnieuw bevestigd in 2015 door de VN naar aanleiding van de Conferentie rondom de Millenniumdoelen en in maart dit jaar door de VN Commission on the Status of Women.

Bronnenlijst

Jaarrapportage 2015 van de Wet afbreking zwangerschap.

Abortion in European Law: Human Rights, social rights and the new cultural trend, 2015, Grégor Puppinck, PhD, Ave Maria International Law Journal.
Programme of Action adopted at the International Conference on Population and Development Cairo, 5–13 September 1994 20th Anniversary.
Beijing Declaration and Platform for Action, September 1995.
Resolution 70/1 adopted by the General Assembly on 25 September 2015 Transforming our world: the 2030
Agenda for Sustainable Development van 2015.

Noten

1. Artikel 296 lid 1 t/m 4 Wetboek van Strafrecht
2. Artikel 296 lid 5 Wetboek van Strafrecht jo artikel 5 lid 1 Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap (‘Wet Afbreking Zwangerschap’)
3. In 2015 vonden in totaal 30.803 zwangerschapsafbrekingen plaats, p. 11, Jaarrapportage 2015 van de Wet afbreking zwangerschap
4. Dit rechtsgebied vindt zijn basis in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
5. Vo v. France, 2004-VIII Eur. Ct. H.R., § 85.
6. Vo v. France, 2004-VIII Eur. Ct. H.R., §84
7. Vo v. France, 2004-VIII Eur. Ct. H.R. 67 §84
8. separate opinion Judge Jean-Paul Costa
9. Separate opinion judge Costa, joined by judge Traja to Vo v. France, 2004-VIII Eur. Ct. H.R. 67 § 10
10. P. and S. v. Poland § 99 , A, B and C at § 249, and R.R. v. Poland, 2011 Eur. H.R. Ct. § 187, and Tysiąc v. Poland, 2007 Eur. Ct. H.R. §116.
11. Dit rechtsgebied geldt voor de gehele internationale gemeenschap en regelt de juridische betrekkingen tussen internationale rechtspersonen, zoals landen en internationale organisaties.
12. p.89, para. 8.25 Programme of Action adopted at the International Conference on Population and Development Cairo, 5–13 September 1994 20th Anniversary
13. Family Planning: “decide freely and responsibly the number and spacing of their children and to have the information and means to do so and to ensure informed choices and make available a full range of safe and effective methods” p.64 Action Plan, Reproductieve rechten: “the basic right of all couples and individuals to decide freely and responsibly the number, spacing and timing of their children and to have the information and means to do so,”, p.60 Action Plan
14. Action Plan, p. 90, Beijing Platform p40 sub k
15. Resolution 70/1 adopted by the General Assembly on 25 September 2015 Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development van 2015
16. Resolution 70/1, p. 18 , ‘Goal 5. Achieve gender equality and empower all women and girls’.
17. CSW61 Agreed Conclusions, 24 March 2017 van de Commission on the Status of Women, 61st session, 13 – 24 March 2017

Reacties uitgeschakeld voor Juridische status abortus in internationaal en Europees recht

Gezondheidsraad met advies verruiming embryowet op hellend vlak

PVH 24e jaargang – 2017 nr. 3, p. 1

Is dit advies een logische stap in de medisch-ethische ontwikkeling?

“Het advies verbaast me niet. In Nederland verbinden politici, ethici en anderen de menselijke waardigheid en beschermwaardigheid steeds vaker aan capaciteiten als denken, willen, beslissen en genieten. Voor veel mensen zijn autonomie en het vermogen om positieve ervaringen op te doen essentieel voor het mens-zijn. Naarmate die vermogens er nog niet of niet meer zijn – aan het begin en het einde van het leven – wordt het leven minder beschermwaardig. Wat mij betreft zijn die vermogens echter uitingen, maar geen voorwaarden van het mens-zijn.”

Wat betekent dat voor de ethiek?

“Als je een mens omschrijft als iets wat kan denken, willen, beslissen en genieten, krijg je een versmald mensbeeld. Een embryo is niet in staat tot het opdoen van positieve ervaringen en is dus nauwelijks beschermwaardig. Voor het einde van het leven geldt hetzelfde: naarmate onze vermogens wegvallen, is er steeds minder reden om dat menselijk leven nog te beschermen.”

Is er sprake van een hellend vlak?

“Na alle ontwikkelingen op medisch-ethisch vlak in de afgelopen dertig jaar kun je onmogelijk volhouden dat het slechten van de ene ethische barrière niet tot het opruimen van de volgende leidt. Zowel voor- als tegenstanders weten heel goed dat de nieuwe Embryowet een tussenstap zal zijn op weg naar een volgend compromis. De voorstanders van het advies wijzen er keer op keer op dat de normen en waarden in de maatschappij veranderen. Ik ontken niet dat er voortschrijdend inzicht kan zijn. Maar wanneer de visie op de mens als uniek en onaantastbaar wezen blijft eroderen, zal het beleid voortdurend liberaler worden. Dus ja, een hellend vlak.”

Wat is de status van een menselijk embryo in de ethiek van de Gezondheidsraad?

“Die komt niet uit de verf. De opstellers beschrijven weliswaar de traditionele christelijke visie dat lichaam en ziel vanaf het prilste begin samenhangen. Maar ze nemen daar afstand van zonder enige reflectie op wat het embryo dan wél is. Ik had dinsdag een discussie op BNR Nieuwsradio met Annelien Bredenoord, een medisch ethicus van de Universiteit Utrecht, senator voor D66 en medeopsteller van het advies. Zij stelde dat er in essentie geen verschil is tussen experimenten met dierenembryo’s en met menselijke embryo’s.

Wanneer heeft een embryo een ziel?

“Ik vind het lastig om te zeggen of een embryo zich ontwikkelt tot mens of als mens. Daar kan ik als wetenschapper geen waterdicht antwoord op geven.”

Acht u het kweken van embryo’s voor onderzoek aan kiembaanmodificatie ethisch verantwoord?

Stellig: “Bij twijfel niet inhalen. Ook wie niet gelovig is, kan niet om het feit heen dat het begin van elk mens ligt bij de conceptie. Elke andere scheidslijn is kunstmatig. Zelfs al zou ik als embryo nog geen ziel hebben gehad, dan nog was de samensmelting van eicel en zaadcel mijn begin.” Met nadruk: “Mijn begin. In Psalm 139 zingt David: Uw ogen hebben mijn ongeformeerde klomp gezien. “Zien” betekent daar “betrokken zijn”, “koesteren”. God zag David, ook toen hij nog een ongevormde klomp cellen was. Alleen daarom al is onderzoek waarin je embryo’s verbruikt verboden gebied.”

Welke risico’s heeft het advies van de Gezondheidsraad in zich?

“Niet helemaal. Want waar leg je het onderscheid tussen het uitbannen van erfelijke ziekten en het verbeteren van de mens? De grens tussen een menselijke beperking en een ziekte is buitengewoon moeilijk te trekken. Ook onwenselijkheden in de mens zou je kunnen herdefiniëren als een ziekte. Minder dan gemiddeld intelligent? Drukker dan andere kinderen? Laten we daar ook gelijk maar wat aan doen.”

In hoeverre baart het advies u zorgen?

“Soms moet je vuile handen maken en het kwade doen om het goede te bereiken, als uitzondering. Maar mag je menselijke embryo’s kweken voor kiembaanmodificatie om ernstige erfelijke ziekten uit te bannen? Ik ben bang dat de Gezondheidsraad de regel – handen af van menselijke embryo’s – verandert, en van de uitzondering de regel maakt.”

Reacties uitgeschakeld voor Gezondheidsraad met advies verruiming embryowet op hellend vlak

Meer gespecialiseerde hulpverlening nodig na onbedoelde zwangerschap.

PVH 24e jaargang – 2017 nr. 2, p. 1
Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Tijdschrift TGE, Jrg. 27 – nr. 1 – 2017. Meer gespecialiseerde hulpverlening nodig na onbedoelde zwangerschap.
Door Drs. Ward Biemans SJ STL
Priester en moraaltheoloog, Amsterdam
E-mail: ward.biemans@jezuieten.orgDownload complete printversie incl. Reactie en Nawoord

* *

* * *

bezoekers

Vandaag is het

Meest recente wijziging

20 April, 2017 12:50

Reacties uitgeschakeld voor Meer gespecialiseerde hulpverlening nodig na onbedoelde zwangerschap.

Interview met Ann Furedi ‘Bij abortus telt alleen de moeder’

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 3, p. 003 Door Marco Visscher − 30/11/14, 16:00 – foto’s Ed Thompson Het is illegaal, maar van Ann Furedi mag zelfs een voldragen…

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 3, p. 003

Door Marco Visscher − 30/11/14, 16:00 – foto’s Ed Thompson

Het is illegaal, maar van Ann Furedi mag zelfs een voldragen baby worden geaborteerd. De Britse pleitbezorgster van ‘vrije keuze’ accepteert namelijk ‘geen enkele grens’.

Politici moeten zich niet bemoeien met abortus. Iedere grens is volstrekt arbitrair

Het onderwerp leent zich er niet zo voor, maar Ann Furedi vindt het prima om aan het ontbijt te praten over abortus. De Britse is al twintig jaar een pleitbezorger van het recht erop; ze leidt de grootste Britse abortusorganisatie.

Furedi is bezorgd, nu er aan de wet gemorreld wordt. “Opnieuw”, verzucht ze. De grens tot wanneer abortus mag, staat ter discussie. Die termijn is gekoppeld aan de wetenschappelijke consensus over de levensvatbaarheid van de foetus buiten het moederlichaam. In de jaren zestig – toen abortus in westerse landen werd gelegaliseerd – was dat nog 28 weken. Dankzij vooruitgang in de neonatologie is die grens verlaagd tot 24 weken. Sommige experts – bijgevallen door conservatieve en sociaal-democratische parlementariërs – stellen dat een foetus al bij 20 weken levensvatbaar is. In Nederland dringt ChristenUnie-Kamerlid Carla Dik-Faber daarom aan op verlaging van de grens, liefst tot vóór de zogeheten twintigwekenecho.

U voelt daar niets voor. Wat is uw probleem met de wettelijke grens van 24 weken?

“Ik vind het verkeerd dat politici een grens bepalen wanneer abortus wel en niet is toegestaan. Een wet kan nooit persoonlijke omstandigheden in overweging nemen. Toch is abortus een keuze die je moet overlaten aan de vrouw en aan haar arts. Alleen zij kennen de precieze situatie van de vrouw en alleen zij kunnen bepalen wat het beste is voor haar.”

Tot wanneer moet abortus volgens u dan nog kunnen? Tot week 30? 36? Negen maanden?

Furedi zucht. “Mensen lijken wel een obsessie te hebben met het precieze aantal weken. Dat gebeurt toch ook niet bij een operatie? Je hebt geen wet die bepaalt tot wanneer je in aanmerking komt voor een harttransplantatie. Politici moeten zich niet bemoeien met abortus. Iedere grens is volstrekt arbitrair.”

Maar levensvatbaarheid is toch niet arbitrair?

“Levensvatbaarheid is niet overal, altijd, bij iedereen hetzelfde. Een baby van 22 weken kan overleven in het allerbeste ziekenhuis met gespecialiseerd personeel, maar zeker niet in een doorsnee ziekenhuis. Omstandigheden verschillen. Er is geen enkele algemeen geldende grens die rechtvaardigt dat een vrouw die 24 weken en 2 dagen zwanger is géén abortus mag, maar een vrouw die 23 weken en 5 dagen zwanger is wél. Ik accepteer geen wettelijke grens. Het moet gaan om een medisch oordeel, gebaseerd op de behoeften van degene die hulp nodig heeft.”

Verdient een levensvatbare foetus geen hulp?

“Een foetus is toch geen kind met bepaalde rechten? De wet ziet dat althans niet zo. Vrouwen en dokters vermoedelijk ook niet. Voor beleidsmakers blijft abortus altijd een abstracte, filosofische zaak. Voor vrouwen is het een urgente, persoonlijke, praktische zaak.”

In Engeland heeft één op de drie vrouwen in haar leven een abortus gehad of zal die nog krijgen. Bent u niet bang dat vrouwen hun beslissing massaal uitstellen?

“Geloof me, iedere vrouw zal proberen een late abortus te vermijden. Het is erg onplezierig, vooral wanneer je er zwanger uitziet en al bewegingen in de baarmoeder voelt. Weet u, mensen nemen al te gemakkelijk aan dat een vrouw die in een laat stadium abortus wil, niet verantwoordelijk is geweest. Dat is onzin. Het gaat doorgaans om vrouwen die nog erg worstelen met hun zwangerschap, of wier persoonlijke omstandigheden tijdens de zwangerschap zijn veranderd. Deze vrouwen verdienen het om meer tijd te krijgen om een goede afweging te maken. De vraag of je een kind wilt, van en met een bepaalde man, is een behoorlijk belangrijke kwestie.”

Een late abortus is niet alleen ‘onplezierig’, zoals u het noemt, maar ook riskanter.

“Dat is waar. De risico’s bij een abortus nemen tijdens een zwangerschap toe. Maar bij een late abortus in een goede klinische omgeving zijn de risico’s nog altijd extreem laag.”

Het lijkt erop dat u abortus wilt normaliseren.

Furedi gooit haar armen in de lucht. “Ja, natúúrlijk wil ik dat! Want ik geloof dat abortus normaal ís. In Engeland heeft één op de drie vrouwen in haar leven een abortus gehad of zal die nog krijgen. Dat vindt niet iedereen leuk, maar zo gaat dat nu eenmaal bij behoorlijk veel vrouwen in een moderne samenleving.

Vanwege de wettelijke bepalingen wordt abortus losgeweekt van de contraceptie. Dat is hypocriet. Iedereen weet dat we op allerlei manieren onze vruchtbaarheid reguleren om niet ongewenst zwanger te raken: pil, spiraaltje, condoom, morningafterpil en, als alles heeft gefaald, abortus. Maar door wettelijke beperkingen op te leggen rondom de beëindiging van een zwangerschap worden vrouwen die een abortus vragen gestigmatiseerd. Zelfs een soepele abortuswet plaatst vrouwen in een context die bij voorbaat tegen hen is gekeerd.”

Ann Furedi meent dat er veel vooroordelen bestaan over de vrouwen die de klinieken en consultatiebureaus van haar organisatie bezoeken. Fel: “Het is een mythe dat het allemaal onbezonnen, onwetende tieners zijn. Er komen in onze klinieken meer vrouwen van boven de veertig dan meisjes onder de zestien.”

De cijfers van de Nederlandse Inspectie voor de Gezondheidszorg wijzen ook in die richting; nog geen half procent van de abortussen betreft vrouwen onder de vijftien.

Verder, zegt Furedi, is de helft van de vrouwen getrouwd. “Ze weten zonder uitzondering hoe baby’s worden gemaakt, maar hadden domweg pech met de voorbehoedmiddelen.”

Toen het Britse parlement overwoog de grens te verlagen naar 22 weken, liet Furedi een aantal vrouwen ondervragen die al iets verder heen zijn. Een van hen had juist gemerkt dat haar echtgenoot een affaire had met haar beste vriendin. Een ander had ontdekt dat haar vriend haar dochters misbruikte. Er was de moeder van een zoontje dat een hartoperatie moest ondergaan, die dacht dat ze de zwangerschap wel aankon. Maar ze realiseerde zich dat ze niet in staat was om aan zichzelf te denken vóór die operatie achter de rug was. Furedi stuurde de antwoorden naar de politici met de vraag: wie van deze vrouwen wilt u vertellen dat ze hun zwangerschap moeten voortzetten?

Weet u wat nog moeilijker is? Een vrouw vertellen dat het niet meer mogelijk is om een abortus uit te voeren omdat het daarvoor te laat is. Wat wilt u aantonen met dit soort individuele verhalen?

“Dat het leven van mensen ongelooflijk ingewikkeld is. En dat het daarom niet werkt om een grens te stellen. We kunnen wel denken dat iemand die nog in een laat stadium abortus laat plegen de hardvochtigste en immoreelste vrouw ter wereld is, maar je kunt ook denken: nou, dan zal daar wel een verdraaid goede reden voor zijn geweest.”

Dokters en verplegers die een late zwangerschap afbreken, vinden het een vreselijke ingreep.

“Ja, natuurlijk. Er zijn er helaas niet zoveel die het willen doen. Ik ben er wel eens bij geweest – ook niet bepaald voor mijn plezier, maar omdat ik het voor mijn werk belangrijk vond om te zien. Maar weet u wat nog moeilijker is? Een vrouw vertellen dat het niet meer mogelijk is om een abortus uit te voeren, omdat het daarvoor te laat is. Want het mag dan gruwelijk zijn om een zwangerschap af te breken, maar uiteindelijk, als alles achter de rug is, heb je wél iemand geholpen die dit wilde.

Zo’n twee keer per week moeten we een vrouw wegsturen, omdat ze al voorbij de 24 weken is. Sorry, mevrouw, u bent te laat. Ik zou heel graag zien dat we deze vrouwen ook kunnen helpen. Politici moeten meer vertrouwen hebben in vrouwen – dat ze een verstandige beslissing nemen. En ze moeten meer vertrouwen hebben in de arts – dat die er serieus en wijs mee omgaat.”

Maar niet iedereen is zo verstandig. Neem de Amerikaanse ‘Octo-Mom’ die in 2009 per se een achtling ter wereld wilde brengen.

Furedi lacht. “Haha! Ja, dat leek me ook ontzettend stompzinnig van haar. Maar toch zou ik haar niet naar de operatiekamer willen slepen om haar een abortus op te leggen als ze dat niet wil. Sommige mensen nemen slechte beslissingen. Dat hoort erbij. Maar het gaat er niet om wat wij vinden van hun keuze, maar om het feit dat zij zelf kunnen kiezen. Ik strijd niet voor abortus; ik strijd voor de vrijheid van vrouwen om zelf een keuze te maken.”

Als student raakte Ann Furedi geïnteresseerd in vragen rond abortus. Ze ontmoette een meisje uit Ierland. Zij was naar Engeland uitgeweken: niet voor een abortus, maar voor een bevalling. Haar strengkatholieke familie mocht niet weten dat ze een buitenechtelijk kind zou krijgen. Toen haar vader onverwachts overleed, ging ze terug naar Ierland. Het was gelukkig koud, zodat haar winterjas veel kon verhullen. Maar ze durfde niemand te omhelzen en het enige waar ze tijdens de begrafenis aan kon denken, was haar houding, opdat niemand iets zou merken. Dat verhaal, zegt Furedi, maakte ‘diepe indruk op mij’.

Later, als journalist in de jaren tachtig, schreef ze voor een vrouwenblad een groot verhaal over abortus. In Engelse kiosken werd het tijdschrift in cellofaan verpakt, in Ierland verscheen het zonder het katern met dit artikel. Furedi werd persvoorlichter bij een organisatie voor geboorteplanning en later bij BPAS (zie kader), dat ze sinds 2003 leidt. Glunderend: “Ik heb de mooiste baan in de wereld.”

Ik heb meer respect voor iemand die abortus principeel afkeurt dan voor iemand die abortus alleen wil toestaan binnen een bepaalde periode

Wat vindt u van de stelling dat je menselijk leven in de baarmoeder nooit mag beëindigen?

“Het verbaast u misschien, maar ik heb daar respect voor. Ik ben het zeer oneens met pro-abortusactivisten die zich laatdunkend uitlaten over het leven in de baarmoeder. Weet u, al na een paar weken klopt het hartje en wijkt het DNA af van dat van de moeder. Bij abortus maken we een einde aan een leven vol potentie. Ik ben mij daar zeer van bewust.

Ik heb meer respect voor iemand die abortus principeel afkeurt – omdat hij vindt dat ieder leven, hoe vroeg ook, waardevol of heilig is – dan voor iemand die abortus alleen wil toestaan binnen een bepaalde periode. De eerste is tenminste intellectueel en moreel consistent.”

Maar u bent het er zeer mee oneens.

“Ja. Voor mij is het niet de vraag of een leven heilig is, en ook niet of een foetus levensvatbaar is. Mijn overtuiging is dat een persoon méér is dan een kloppend hart en een unieke genenbrij. Er is een enorm verschil tussen het leven in de baarmoeder dat nog tot wasdom moet komen en het leven van iemand die beseft dat ze leeft, die een geschiedenis heeft, die zich bewust is van haar omgeving en haarzelf, die dromen koestert voor de toekomst. De vraag moet zijn: welk leven is belangrijker? Voor mij is dat duidelijk.”

Het leven van de vrouw, bedoelt u?

“Absoluut. Bij haar leven hoort het vermogen om morele keuzes te maken, dat is wat ons mens maakt. Als we een vrouw zien als een moreel, rationeel wezen, dan is de keuze over het voortzetten of afbreken van haar zwangerschap dus aan haar.

Als je gelooft dat ieder leven heilig is, dan worden we het nooit eens. Daar heb ik vrede mee. Maar ik vind het verwerpelijk om abortus alleen toe te staan als de foetus maar niet te veel lijkt op een baby. Echt verschrikkelijk, dat mensen zo oppervlakkig kunnen zijn.”

Ann Furedi

Ann Furedi (54), directeur van het Britse Consultatiebureau Zwangerschap – BPAS, met zijn klinieken de grootste abortusorganisatie van het land – is een graag geziene gast in Britse media. Met haar pleidooi voor vrije abortus roept ze vaak weerstand op.

In 2013 haalde ze zich de woede van feministen op de hals toen ze betoogde dat een abortus ook prima is als het geslacht van de foetus (lees: een meisje, minder gewild onder groepen Aziaten) niet bevalt.

Furedi oogstte ook veel kritiek toen uitlekte dat personeel van haar BPAS-klinieken vrouwen adviseerde uit te wijken naar het buitenland als ze een abortus na 24 weken zwangerschap wilden.

Furedi is zeer liberaal. Zo komt ze, anders dan veel medestrijdsters, op voor het recht van anti-abortusactivisten om bloederige foto’s van geaborteerde foetussen te verspreiden. Al was ze minder blij toen demonstranten dat bij een BPAS-kliniek deden; volgens Furedi is niet iedere plaats en elk moment geschikt voor het uitoefenen van vrije meningsuiting.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Reacties uitgeschakeld voor Interview met Ann Furedi ‘Bij abortus telt alleen de moeder’

Over de waarde en morele status van de foetus

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 4    p. 002 Door Mr Bart Bouter advocaat bij Janssens Den Boef Advocaten en Ronald Zoutendijk directeur Siriz en Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink directeur NPV-Zorg…

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 4    p. 002

Door Mr Bart Bouter advocaat bij Janssens Den Boef Advocaten en
Ronald Zoutendijk directeur Siriz en Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink directeur NPV-Zorg voor het leven

Het interview met  ANN FUREDI over abortus heeft al veel reacties los gemaakt. Met haar boodschap dat bij een abortus alleen de moeder telt en een foetus geen bescherming verdient, ziet zij een aantal juridische en morele argumenten over het hoofd. Het uitgangspunt voor Furedi is deze vraag: Welk leven is belangrijker? Furedi vindt abortus normaal en het leven van de vrouw is absoluut belangrijker dan dat van een foetus. Zo worden ongeboren kinderen vogelvrij verklaard. Zij voldoen niet aan de door haar gehanteerde criteria; het moet gaan om iemand die beseft dat hij/zij leeft, die geschiedenis heeft, zich bewust is van de omgeving en zichzelf en dromen koestert voor de toekomst. Gelukkig is het ongeboren leven juridisch beschermd.

Voor Furedi speelt het zelfbewustzijn en het ontbreken daarvan bij ongeboren kinderen een belangrijke rol. Foetussen bestaan wel als biologische wezens, maar zijn volgens haar geen personen aan wie rechten toekomen. Wanneer wordt een levend wezen daadwerkelijk een persoon aan wie rechten toekomen? Furedi spreekt zich in de vorm van een vraag uit dat een foetus geen kind is met bepaalde rechten. Is dat zo? Dan zou een foetus vogelvrij worden.

Het fundament van de mensenrechten is binnen onze cultuur de bescherming van de menselijke waardigheid. Dit wordt cultuurfilosofisch algemeen erkend en komt juridisch onder meer tot uitdrukking in de meeste internationale mensenrechtenverdragen. Het Verdrag van de rechten van de mens uit 1947 is sterk gekleurd door de recente oorlogservaringen. Er moest een nieuwe basis worden gevonden van wat en wie we hebben te respecteren en wat nooit kan en mag verdwijnen.

De vraag is vanaf welk moment er juridische bescherming toekomt aan het menselijk leven. Artikel 3 van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) kennen aan ieder mens het recht op leven toe. De vrucht wordt daar over het algemeen niet onder begrepen. Beide artikelen moeten worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 1 van de Universele Verklaring waarin staat dat ‘all human beings are born free’. De vastgelegde rechten zien in hoofdzaak op geboren mensen. Maar daarmee is niet alles gezegd.

De Nederlandse wetgeving kent ook al (rechts)gevolgen toe in de periode voor de geboorte. Na het moment van innesteling van de vrucht in de baarmoeder, spreekt de wetgeving over een vrucht waarvan een vrouw zwanger is. Artikel 1:2 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dergelijke vrucht als reeds geboren wordt aangemerkt zo dikwijls als zijn belang dit vordert. Immers, als de vrucht dood ter wereld komt, dan wordt hij geacht nooit te hebben bestaan. In het Romeinse recht was dit al met zoveel woorden vastgelegd. De ingenestelde vrucht werd wel de status nascendi genoemd: een vrucht op weg naar de geboorte. Vanaf dat moment kwam er dan ook een grotere mate van bescherming toe aan ongeboren kinderen. De gedachte daarachter is dat het ongeboren menselijk leven meer bescherming verdient naarmate het zich ontwikkelt. Het criterium van zelfstandige levensvatbaarheid van het ongeboren kind is hier van belang.

Verder bepaalt artikel 82a Wetboek van Strafrecht dat ‘het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven’ valt onder het een ander van het leven beroven. Waar gaat het dan concreet over? Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet afbreking zwangerschap moet bij het moment van zelfstandige levensvatbaarheid worden gedacht aan een vrucht van 24 weken. De termijn van 24 weken komt ook terug in de wetgeving rondom abortus. Zo is het op dit moment toegestaan abortus te laten plegen bij een vrucht tot niet ouder dan 24 weken. Na het verstrijken van 24 weken is abortus ‘normaliter’ niet meer geoorloofd.

Een moeder die uit vrees voor de ontdekking van de bevalling haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, is dan ook schuldig aan doodslag of moord. Daaronder valt ook het doden van een vrucht waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat deze buiten het lichaam van de moeder in leven kan blijven.

De wetgever kent dus een groot gewicht toe aan de bescherming van het ongeboren leven vanaf het moment van levensvatbaarheid. Ook rechters treffen soms maatregelen ter bescherming van een nog ongeboren kind, bijvoorbeeld als het gaat om een verplichte opname van de zwangere vrouw in een kliniek.

De opvatting van Furedi dat het ongeboren kind geen rechten heeft, is kortom in strijd met de menselijke waardigheid, internationale mensenrechtenverdragen en de Nederlandse wetgeving.

Furedi vindt dat het vermogen om morele keuzes te maken iets is wat ons mensen mens maakt. Daarom zou de keuze over het voortzetten of afbreken van haar zwangerschap dus altijd aan haar (de vrouw) zijn. De morele status van het ongeboren en pasgeboren kind wordt daarbij over het hoofd gezien. De kinderen krijgen geen stem. Dat is niet alleen een gevaarlijke gedachte. Het ziet ook over het hoofd dat in wetgeving en internationale verdragen veel waarde toekomt aan de bescherming van het leven. Ook naar iemand waar nog niets vanuit gaat, moet geluisterd worden. Elke fase van het leven is een fase van het leven dat respect en bescherming verdient.

Reacties uitgeschakeld voor Over de waarde en morele status van de foetus

Menselijke waardigheid in het abortusdebat

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 2    p. 003 Door Prof. mr dr M.A.J.M. Buijsen Hoogleraar Gezondheidsrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam INLEIDING Hoewel menselijke waardigheid al decennia lang het onbetwiste fundament vormt…

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 2    p. 003

Door Prof. mr dr M.A.J.M. Buijsen
Hoogleraar Gezondheidsrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam

INLEIDING

Hoewel menselijke waardigheid al decennia lang het onbetwiste fundament vormt van de rechten van de mens, is het als beginsel en begrip geruime tijd buiten beeld gebleven bij de Nederlandse beoefenaars van het gezondheidsrecht. Onder deze gezondheidsjuristen heeft het grondslagendebat sinds het ontstaan van het vakgebied vooral in het teken gestaan van het beginsel van persoonlijke autonomie. Of respect voor autonomie nu wel of niet kan gelden als pijler van dit rechtsgebied, is hier niet zo’n relevante vraag maar vast staat dat de term ‘waardigheid’ in de kring van Nederlandse gezondheidsjuristen tegenwoordig aanmerkelijk vaker dan voorheen gebezigd wordt. Dit schijnt niet zozeer het gevolg te zijn van voortschrijdend inzicht bij de academische beoefenaars van het vakgebied, als wel van een beleidsnotitie die een vorige Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Sport, toen nog Jet Bussemaker, enkele jaren geleden alweer heeft doen uitgaan.

In de zogenaamde Beleidsbrief ethiek van 7 september 2007 zette de bewindsvrouw de belangrijkste beleidsvoornemens op het terrein van de medische ethiek uiteen. Kernbegrip van deze notitie vormt de menselijke waardigheid. In het kabinetsbeleid staan de waarden van autonomie, beschermwaardigheid van het leven en goede zorg centraal, maar deze waarden staan niet op zichzelf, aldus de Staatssecretaris, en bij de beantwoording van concrete ethische vraagstukken kunnen mensen verschillen in het gewicht dat ze aan een bepaalde waarde willen toekennen. Er zijn echter normen, zo vervolgt zij, waaraan we in onze rechtsstaat allen gebonden zijn, ongeacht de politieke voorkeur en ongeacht de kleur van een coalitieakkoord. Deze normen, die leidend zullen zijn in het Nederlandse medisch-ethische beleid, zijn de rechten van de mens. Deze normen zijn er ter bescherming van de menselijke waardigheid, en het is ook daarom dat gesproken kan worden van menselijke waardigheid als het fundament van de rechten van de mens.

Het heeft er veel van weg dat door de mensenrechten tot leidraad van het medisch-ethische overheidsbeleid te verklaren, de van oudsher nogal nationaal georiënteerde gemeenschap van Nederlandse gezondheidsjuristen weer bij de internationale les getrokken werd. Als mensenrechten leidend zijn voor het overheidsbeleid ter zake van de medische ethiek, als recht dus richtsnoer is, waarom dan als juristen blijven steggelen over een beginsel (zelfbeschikking, autonomie) dat de verdenking toch vooral een morele waarde te zijn welbeschouwd nooit echt heeft kunnen wegnemen?! De Staatssecretaris deed in haar Beleidsbrief overigens weinig meer dan getuigen van het feit dat er in de laatste jaren internationaal een zeer sterke ontwikkeling is geweest om specifiek mensenrechtelijke normstelling te ontwikkelen op het vlak van de biogeneeskunde.

Meer dan voorheen zijn Nederlandse gezondheidsjuristen dus bereid te aanvaarden dat de rechtsregels op het terrein van de gezondheidszorg, die de betrekkingen tussen gebruikers, aanbieders en financiers van zorg normeren, respect voor de menselijke waardigheid tot uitdrukking (dienen te) brengen. Maar wat zegt een jurist nu eigenlijk wanneer hij aangeeft menselijke waardigheid te beschouwen als kernbegrip van zijn vakgebied? Is dat veel, is dat weinig, of is dat misschien wel helemaal niets? Of zou er waarheid schuilen in de veelgehoorde klacht dat menselijke waardigheid een vaag, verwarrend en welbeschouwd nutteloos begrip is?

WAARDIGHEID IN HET POSITIEVE RECHT

In tal van internationale documenten wordt naar het begrip van menselijke waardigheid verwezen. Niet alleen in teksten opgesteld onder verantwoordelijkheid van organisaties als de Europese Unie (EU), de Raad van Europa (RvE) en de Verenigde Naties (VN), zoals de hierboven genoemde UNESCO-verklaringen, maar ook in allerlei documenten van niet-gouvernementele organisaties. Zo heeft de World Medical Association (WMA) menselijke waardigheid (‘dignity’, ‘human dignity’) in talloze ethische codes aangewezen als hèt te eerbiedigen goed.

Het begrip wordt genoemd in de preambules van vrijwel elk mensenrechtenverdrag dat sinds de Tweede Wereldoorlog in VN-verband tot stand is gekomen. Om op deze plaats de belangrijkste maar te noemen: de Universele verklaring van de rechten van de mens (UVRM, 1948), het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR, 1966) en het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR, 1966). En al in 1945 werd in het Handvest van de VN een verwijzing naar menselijke waardigheid opgenomen.

Met de mensenrechtenverdragen van de Raad van Europa ligt het wat anders. In het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM, 1950) zelf wordt menselijke waardigheid niet genoemd. In feite zijn verwijzingen naar waardigheid tot eind jaren negentig van de vorige eeuw een zeldzaamheid in verdragsteksten van de Raad. Daarna lijkt er iets van een kentering te zijn opgetreden, en wordt het wat vaker genoemd, onder meer in het VRMB en de bijbehorende Additionele protocollen. En hoewel respect voor de menselijke waardigheid dus niet genoemd wordt in het EVRM, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) sedert de eeuwwisseling meermaals van dit respect gesproken als ‘the very essence of the Convention’. In een recente uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) wordt van menselijke waardigheid gesproken als ‘a recognised fundamental value at the core of positive human rights law’.

Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is het EU-Grondrechtenhandvest bindend geworden. ‘De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd’, aldus het allereerste artikel van dit Handvest. Het belang van de menselijke waardigheid kwam reeds eerder tot uitdrukking in jurisprudentie van het Hof van Justitie. In 2004 stelde deze rechter dat ‘de communautaire rechtsorde onbetwistbaar de eerbied voor de menselijke waardigheid als algemeen rechtsbeginsel [beoogt] te verzekeren’.

Ook een aantal nationale constituties bevat verwijzingen naar menselijke waardigheid. Het meest bekend zijn ongetwijfeld de grondwetten van Duitsland en Zuid-Afrika. De Nederlandse Grondwet kent zo’n verwijzing momenteel niet. Weliswaar heeft zij een (bescheiden) grondrechtencatalogus, maar daarin wordt van menselijke waardigheid geen gewag gemaakt. Hierin komt misschien verandering nu de Staatscommissie Grondwet in het kader van de herziening van de Grondwet tot de opneming van een algemene bepaling heeft geadviseerd, luidende dat ‘Nederland een democratische rechtsstaat is, dat de overheid de menselijke waardigheid, de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen eerbiedigt en waarborgt, en dat openbaar gezag alleen wordt uitgeoefend krachtens de Grondwet of de wet’. Het voorstel voor deze bepaling, die de normatieve kracht van de Grondwet naar het oordeel van de Commissie ten goede zou komen, is ongetwijfeld mede ingegeven door het feit dat in het laatste decennium respect voor menselijke waardigheid als fundamentele norm elders binnen onze rechtsorde veel aan terrein gewonnen heeft, en dus min of meer onontkoombaar is geworden. Uiteindelijk ook voor Nederlandse gezondheidsjuristen.

Uit de verdragsteksten, de jurisprudentie en de literatuur komt naar voren dat in het begrip van menselijke waardigheid een sterk normatieve claim besloten ligt. Dat ‘menselijke waardigheid’ ‘respect verdient’, is een tautologie. Dat het begrip ‘menselijke waardigheid’, dat naar een eigenschap lijkt te verwijzen, inhoudelijk een aanspraak op eerbiediging (of erkenning, bescherming, waarborging, et cetera) herbergt, maakt het begrip echter niet problematisch.

Van ‘menselijke waardigheid’ of ‘respect voor menselijke waardigheid’ wordt zeer verschillend gesproken. Zo noemt men het ‘the very essence of the Convention’, spreekt men ook wel van ‘a recognised fundamental value at the core of positive human rights law’, en wordt het meermaals aangeduid als het fundament of de grondslag van de mensenrechten. Enerzijds heeft menselijke waardigheid kennelijk alles met mensenrechten van doen, anderzijds is waardigheid iets dat er kennelijk los van kan worden gedacht, zozeer zelfs dat de Staatscommissie Grondwet vol kan houden dat de Nederlandse overheid zowel de menselijke waardigheid als de grondrechten als de fundamentele rechtsbeginselen heeft te eerbiedigen en waarborgen. Daarbij zij aangetekend dat het niet ongebruikelijk is om in het beginsel van eerbiediging van de menselijke waardigheid tevens een (algemeen) rechtsbeginsel te zien, zoals overigens ook diezelfde Staatscommissie doet.

WAARDIGHEID EN MENSENRECHTEN

Hoe verhoudt menselijke waardigheid zich tot de mensenrechten? In de preambules van het IVBPR en het IVESCR wordt eenvoudig gesteld dat de door die verdragen beschermde rechten ‘voortvloeien uit de inherente waardigheid van de menselijke persoon’. Als de relatie tussen beide ideeën zo beschreven wordt, kan vrij gemakkelijk iets over de inhoud van het begrip van waardigheid gezegd worden. Immers, het in acht nemen van iemands grondrechten komt dan neer op het eerbiedigen van diens waardigheid. En het schenden van iemands grondrechten zal dan een aantasting betekenen van diens waardigheid. In beginsel dan toch. Een privacyschending is een waardigheidsaantasting. Iemand discrimineren evenzeer. Maar een verdragspartij die nalaat werk te maken van sociale zekerheid, respecteert de waardigheid van haar economisch zwakkere burgers evenmin. De staat die partij is bij het IVESCR en niet voorziet in voor allen verplicht en kosteloos primair onderwijs, schendt de waardigheid van generaties. En de overheid die geen toegang tot noodzakelijke gezondheidszorg organiseert, neemt een loopje met de waardigheid van zorgbehoevenden.

Zo bezien kan van het begrip van menselijke waardigheid alleen maar gezegd worden dat het een ongemeen rijke inhoud heeft. Het geven van een definitie van ‘menselijke waardigheid’ is dan ook onmogelijk. Filosofen mogen het proberen, juristen kunnen het niet, althans niet zonder de betekenis geweld aan te doen. Immers, de gepositiveerde mensenrechten zèlf zijn de betekenis van menselijke waardigheid, in al hun uitwerkingen. En niet alleen de klassieke vrijheidsrechten, maar alle grondrechten, met inbegrip van de economische, de sociale en de culturele. Alle grondrechten zijn concretiseringen van (respect voor) menselijke waardigheid.

EEN NIET TE DEFINIEREN BEGRIP

Dit alles suggereert dat ‘menselijke waardigheid’ dan misschien wel niet te definiëren is, maar dat het weergeven van de betekenis, en het vastleggen ervan, niet onmogelijk is. Toch is dat niet echt zo. Alle tot grondrechten gepositiveerde mensenrechten zijn de betekenis van ‘menselijke waardigheid’, maar ook weer niet. Het weergeven en vastleggen van de betekenis van ‘menselijke waardigheid’ zou niet alleen een buitengewoon bewerkelijke onderneming zijn, men zou ook altijd achter de feiten aanlopen. De bron droogt immers niet op. Menselijke waardigheid is niet alleen gepositiveerd en geconcretiseerd, maar blijft ook altijd te positiveren en te concretiseren. Het begrip is zowel bepaald als onbepaald, en niet stabiel maar ‘in flux’.

De al genoemde Staatscommissie Grondwet wijst op de onbestemde kern van het begrip wanneer zij spreekt van de verschillende functies van het beginsel van eerbiediging van de menselijke waardigheid. Enerzijds bij de interpretatie en toepassing van grondrechten, als toetssteen dus, anderzijds als leidraad, dat wil zeggen: bij het maken van keuzes en de afweging van belangen in het geval grondrechten met elkaar botsen. Interessant is nu dat de Commissie daarbij opmerkt dat ‘gezichtspunt daarbij kan zijn dat hoe nauwer het verband is tussen (de aantasting van) een grondrecht en de menselijke waardigheid, des te meer gewicht toekomt aan dat grondrecht’. Welke grondrechten nu precies een nauwer verband met het beginsel hebben, laat de Commissie in het midden, maar meer dan waarschijnlijk ontleent ze het denkbeeld van een hiërarchie van grondrechten aan jurisprudentie van het EHRM, die in enkele uitspraken inderdaad van een rangorde lijkt uit te gaan.

De rechter in Straatsburg kan die hiërarchie uiteraard alleen maar aannemen voor de grondrechten waarvan de schendingen aan hem voorgelegd kunnen worden. Hoe nauw het verband is tussen economische, sociale en culturele rechten en menselijke waardigheid als beginsel, weten we niet daar de beoordeling van schendingen van deze rechten volgens het Europees mensenrechtenrecht immers niet tot de bevoegdheid van het EHRM behoort. Maar dat deze grondrechten niet of in mindere mate in rechte afdwingbaar plegen te zijn, impliceert nog niet dat hun schending in beginsel geen inbreuk op de menselijke waardigheid oplevert. En het komt mij bovendien voor dat ook voor ESC-rechten geldt dat zij – als alle grondrechten – beperkt kunnen worden, maar nimmer in de kern mogen worden aangetast. Dat rechters zich in veel rechtsculturen niet over die vraag mogen buigen, wil nog niet zeggen dat aantasting van de wezenlijke kern van economische, sociale en culturele rechten aanvaardbaar is. De Staatscommissie zelf bepleit de opneming in de Grondwet van een beperkingsclausule die een verbod inhoudt op aantasting van de kern van alle grondrechten.

Het heeft er dus alle schijn van dat het onbepaalde deel van het begrip van menselijke waardigheid veel minder richtinggevend is dan de Staatscommissie aanneemt. Dit lijkt het beginsel inderdaad ongeschikt te maken als rechtsbeginsel, hoe rijk aan inhoud het begrip verder ook is. Dat hoeft overigens geen belemmering te zijn voor de ontwikkeling van een goede rechtstheorie op het gebied van het gezondheidsrecht. Met het bepaalde deel van het begrip moeten gezondheidsjuristen uit de voeten kunnen. Aan de keuzes die door wetgevers en rechters gemaakt zijn met betrekking tot de concretiseringen van het beginsel die voor de gezondheidszorg relevant zijn, te weten de grondrechten van toegang tot noodzakelijke voorzieningen van gezondheidszorg, van gelijke behandeling, van de eerbiediging van de lichamelijke en geestelijke integriteit en van de persoonlijke levenssfeer, en aan de belangenafweging die daaraan ten grondslag ligt, kan een gezondheidsjurist meer dan voldoende houvast ontlenen. Op basis van deze normen is zeer wel een theorie te construeren die doet wat van een wetenschappelijke theorie mag worden verlangd – verklaren waarom de voor de gezondheidszorg toepasselijke rechtsregels en -regeltjes zijn zoals ze zijn, de rechtsontwikkeling op dat terrein enigszins voorzien – en daarenboven ook nog eens een meer dan adequaat interpretatief kader biedt voor de praktiserende gezondheidsjurist.

Het begrip van menselijke waardigheid is weliswaar (zeer) rijk aan inhoud, maar blijft een door min of meer gestolde betekenis omsloten onbestemde kern houden, een zwart gat als het ware, met dan dit verschil dat er niets in verdwijnt, maar alles er juist uit lijkt voort te komen. Wanneer van waardigheid als beginsel gesproken wordt, lijkt men naar dat deel van de begripsinhoud te verwijzen. Ten onrechte stelt de Staatscommissie Grondwet dit gat minder zwart voor; van teveel grondrechten – in het bijzonder de sociale, culturele en economische – is onbekend hoe nauw hun verband met het beginsel precies is. Dat er een verband is, moge duidelijk zijn: van alle grondrechten kan immers worden volgehouden dat hun schending een inbreuk op de waardigheid oplevert. Althans, in beginsel.

Voor de beoefenaars van een vakgebied waarin toch onmiskenbaar de verwerkelijking van een sociaal grondrecht centraal staat, te weten de toegang van een ieder tot voorzieningen van noodzakelijke gezondheidszorg, betekent dit dat menselijke waardigheid als rechtsbeginsel inderdaad weinig bruikbaar is.

WAAROVER TOCH WEL WAT VALT TE ZEGGEN . . .

Dit alles neemt niet weg dat er over de juridische notie van menselijke waardigheid meer te zeggen valt, en misschien wel meer dan men pleegt aan te nemen. Het gesignaleerde verband tussen mensenrechtenschendingen en waardigheidsinbreuken doet vermoeden dat waardigheid een attribuut is van de individuele mens. Dit is in feite zozeer een cliché, dat men er nogal eens aan voorbijgaat. Dat vooral Nederlandse gezondheidsjuristen persoonlijke autonomie een verheven plaats hebben toegewezen, wil niet zeggen dat buiten het vakgebied autonomie als rechtsbeginsel volkomen onbekend is. De al genoemde Staatscommissie Grondwet bijvoorbeeld omschrijft het ‘beginsel van zelfbeschikking en autonomie’ als het ‘beginsel [dat] impliceert dat iedere persoon binnen grenzen gerechtigd is om te handelen op basis van zijn eigen idee van inrichting van zijn eigen leven, in plaats van op basis van ideeën die de overheid heeft’. Zij aanvaardt dit beginsel bovendien als rechtsbeginsel door het te beschouwen als een aspect van menselijke waardigheid. En dat is niet zonder reden. In recente jurisprudentie van het EHRM wordt zelfs onomwonden gesproken van een recht op persoonlijke autonomie. De Commissie voegt hier evenwel aan toe dat zich botsingen kunnen voordoen binnen het concept van menselijke waardigheid. ‘Zo kan het beginsel van persoonlijke autonomie conflicteren met andere aspecten van menselijke waardigheid.’ In zijn algemeenheid valt geen voorrang voor een van de aspecten aan te geven, zo besluit zij, en zal een afweging van belangen steeds in het concrete geval moeten plaatsvinden.

Met andere woorden, als persoonlijke autonomie inderdaad juridische betekenis heeft, dan is menselijke waardigheid toch het omvattende of onderliggende begrip. En dat lijkt mij als gezondheidsjurist alvast geen onjuiste voorstelling van de verhouding tussen beide begrippen. Zo zal de arts die de wens van een wilsbekwame patiënt om van verdere ingrepen verschoond te blijven negeert, ook als het een levensverlengende of zelfs levensreddende therapie betreft, niet alleen de autonomie van zijn patiënt schenden, maar ook diens waardigheid. En de arts die gehoor geeft aan zo’n wens, respecteert niet alleen de autonomie van zijn patiënt maar eerbiedigt ook diens waardigheid. Echter, de hulpverlener die in een noodsituatie nalaat om van zijn patiënt ‘informed consent’ te verkrijgen alvorens over te gaan tot levensreddend handelen, zal niet per definitie ook een inbreuk plegen op de waardigheid van die patiënt. Door op deze wijze diens autonomie te veronachtzamen, is het meer dan waarschijnlijk dat hij de waardigheid van zijn patiënt juist eerbiedigt.

‘Waardigheid’ en ‘autonomie’ zijn overduidelijk niet synoniem. Toch wordt wel beweerd dat ‘waardigheid’ geen betekenis heeft welke die van ‘autonomie’ overstijgt. Het is wellicht tegen de achtergrond van deze opvatting dat de Staatscommissie het nodig heeft geacht de verhouding tussen beide begrippen enigszins te verhelderen. Diegenen die waardigheid met autonomie vereenzelvigen, of autonomie onomwonden aanwijzen als hèt rechtsbeginsel, zoals veel beoefenaars van het Nederlandse gezondheidsrecht doen, staan bloot aan twee verwijten. Het eerste is terecht, het tweede heel wat minder.

WAARDIGHEID KOMT DE INDIVIDUELE MENS TOE

Allereerst kan deze denkers worden aangewreven dat zij meer gewicht toekennen aan één categorie van grondrechten, namelijk de vrijheidsrechten. Daar is onvoldoende reden toe, en zeker op het terrein van het gezondheidsrecht leidt dat tot interpretaties met twijfelachtige, en soms zelfs gevaarlijke uitkomsten. In het verlengde daarvan ligt het veelgehoorde verwijt er een (te) individualistische kijk op grondrechten op na te houden; een opvatting die vaak met het Westen wordt geassocieerd. Dit verwijt is niet terecht voor zover daarmee de suggestie wordt gewekt dat degenen die onwillig zijn waardigheid tot autonomie te reduceren, een minder individualistische conceptie van waardigheid koesteren. Dat waardigheid niet met autonomie kan worden vereenzelvigd, neemt niet weg dat slechts de individuele mens te beschouwen is als subject van waardigheid. Waardigheid is een attribuut van het menselijke individu, niet van de groep.

WAARDIGHEID IS WEZENLIJK

Van waardigheid kan met zekerheid nog een en ander worden gezegd. Allereerst dat zij wezenlijk is. Waardigheid is inherent (‘inherent’) aan de menselijke persoon, waarmee lijkt samen te hangen dat zij tevens onschendbaar (‘inviolable’) en onvervreemdbaar (‘inalienable’) is. Het algemene principe dat menselijke waardigheid respect verdient, lijkt daarmee te impliceren dat de schending en de vervreemding van de waardigheid van een persoon niets minder betekent dan de miskenning van dat individu als mens. Waardigheid is dus wezenlijk met mens-zijn verbonden. Wat is dan mens-zijn?

Destijds vonden de opstellers van de Universele verklaring van de rechten van de mens het aanvankelijk een goed idee om filosofen en theologen van over heel de wereld te betrekken bij hun poging de basisconcepten te verhelderen. Dit leidde evenwel tot niets dan gekibbel. Een anekdote wil dat Eleanor Roosevelt twee prominente leden van dat gezelschap – Charles Malik, een Libanese thomist en Peng-Chun Chang, een Chinese confucianist – op de thee vroeg om van gedachten te wisselen over de grondslagen van de mensenrechten. Na het debat tussen beide filosofen aanvankelijk gefascineerd te hebben aangehoord, trok de voorzitster van de werkgroep vrij snel de conclusie dat dergelijke filosofische controverses een enorme politieke sta-in-de-weg voor de Verklaring zouden kunnen opleveren. Het strategische besluit om iedere vorm van metafysica verre van de voorbereidende besprekingen te houden, was daarna eveneens snel genomen.

Metafysische bescheidenheid is kenmerkend gebleven voor het mensenrechtendiscours. Speculaties over de menselijke natuur blijven achterwege, en veel meer dan stellingen als ‘Dignity is a consequence of being human’ zal men niet aantreffen. En ook over het inherent-zijn van waardigheid is men doorgaans kort. ‘An individual’s dignity can be respected or violated, yet it can neither be granted nor lost.’ Of: ‘The equality and universality of human dignity and human rights do not originate from a convention.’ Of: ‘One possesses dignity and its subsequent rights not due to the recognition of other human beings, but due to one’s descent from them.’

Filosofen en theologen kunnen het speculeren niet laten. Onder hen bevinden zich tal van denkers die waardigheid met aspecten van de menselijke natuur verknopen. Immanuel Kant, die waardigheid grondvestte op autonomie en rede, is uiteraard zeer bekend. De hedendaagse filosoof Alan Gewirth definieert menselijke waardigheid als ‘a kind of intrinsic worth (…) constituted by certain intrinsically valuable aspects of being human’. En ongetwijfeld zullen ook vandaag de dag nog veel christelijke theologen waardigheid niet los willen zien van de mens als schepsel Gods.

Tegenover deze ‘substantivisten’ staan denkers, juristen ook, die meer aansluitend op het mensenrechtendiscours menselijke waardigheid slechts zien als ‘foundational, declaratory, and undefined’, ‘a sort of axiom in the system’, ‘a bedrock concept that resists definition in terms of something else’, of ‘a formal background value’. Anders dan de ‘substantivisten’ begrijpen aanhangers van deze ‘formalistische’ benadering van menselijke waardigheid haar als funderend principe, dat zich onttrekt aan verdere analyse.

Beide ‘scholen’ hebben een punt, en beide hebben ongelijk. Is men er eenmaal van doordrongen dat het begrip van menselijke waardigheid inhoud gegeven is en wordt door de positivering van en concretisering door mensenrechten, dat haar inhoud daarmee steeds zowel bepaald als onbepaald is, dan is daarmee geïmpliceerd dat analyse steeds deels mogelijk is, en deels ook niet. Voor zover menselijke waardigheid met en door grondrechten betekenis gegeven is, valt zij te kennen en verder begrippelijk te ontsluiten, en voor zover dat niet is gebeurd, is dat onmogelijk. Menselijke waardigheid is inhoudelijk niet onveranderlijk, zoals de eerste benaderingswijze lijkt te veronderstellen, maar evenmin leeg, zoals de tweede aanvoert. De betekenis van ‘menselijke waardigheid’ ontvouwt zich gaandeweg, maar nooit volledig. De ‘valuable aspects of being human’ openbaren zich in de tijd. Zo is met de erkenning van het grondrecht op noodzakelijke gezondheidszorg de waarde van gezondheid als aspect van menselijke waardigheid gebleken. Maar de gehele betekenis van menselijke waardigheid zal niemand (kunnen) vatten. Inhoudelijk is en blijft de kern van het begrip onbestemd.

WAARDIGHEID IS TIJDELIJK

Menselijke waardigheid is voorts tijdelijk. Aan het mens-zijn kleven aspecten waar men zelfs in het abstracte mensenrechtenrecht niet omheen kan. Mensen zijn tijdelijke wezens: zij komen en gaan, worden geboren en zullen sterven. Hebben ongeboren en gestorven mensen ook waardigheid die respect verdient?

Volgens artikel 1 UVRM worden alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Daarmee lijkt ongeboren menselijk leven van de werking van de UVRM-rechten uitgesloten. Op Europees niveau is de status van ongeboren menselijk leven onduidelijk. In haar in 2009 verschenen proefschrift signaleert Van Beers dat er slechts duidelijkheid is met betrekking tot het in artikel 2 EVRM neergelegde recht op leven van het embryo in vitro. Extracorporele embryo’s zijn van de bescherming van dat recht uitgesloten. Voor het overige ongeboren leven weigert het EHRM consequent zich uit te spreken over het al dan niet bezitten van persoonlijkheid.

Eenzelfde onduidelijkheid is er eigenlijk ook ten aanzien van gestorvenen. In een recente uitspraak heeft het EHRM gesteld dat met de dood de ‘human quality’ teloorgaat. Of het Hof daarmee bedoeld heeft te zeggen dat na de dood de menselijkheid verdwijnt, blijft in het midden. Maar vast staat dat na de dood niet alle EVRM-grondrechten nog bescherming bieden. Volgens het Hof kan lijkschennis in ieder geval niet worden beschouwd als een onmenselijke of vernederende behandeling van de gestorvene als bedoeld in artikel 3 EVRM.

Kortom, postmortaal bieden niet alle grondrechten nog bescherming, en prenataal bieden niet alle grondrechten al bescherming, ofschoon vooral dit laatste sterk afhankelijk is van nationale wetgeving. Bij ongeborenen en gestorvenen kan niet worden volgehouden dat iedere grondrechtenschending in beginsel ook een inbreuk op de waardigheid oplevert. Hun waardigheid verdient zogezegd minder respect. Zo niet tussen geboorte en dood. Tussen deze momenten is er met zekerheid volkomen waardigheid, en wel voor een ieder. En daarmee zijn we aanbeland bij het laatste predicaat. Menselijke waardigheid is niet alleen wezenlijk en tijdelijk, zij is ook gelijk. ‘One’s human dignity, if it is a mark of anything, is a mark of one’s equality on some fundamental level with other human beings.’

WAARDIGHEID HEBBEN WE ALLEMAAL, IN GELIJKE MATE

Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren, aldus – nogmaals – artikel 1 UVRM. ‘Waardigheid’, dat verwijst naar een waarde die respect verlangt, is oorspronkelijk helemaal geen term die betrekking heeft op een toestand van gelijkheid. ‘Dignitas’, ‘dignity’ of ‘dignité’ kwam van oudsher de patriciër toe, de geestelijke en de edelman, vooral in hun publieke optreden. Historisch gezien is ‘waardigheid’ met status, rang en maatschappelijke positie verbonden en brengt het dus hiërarchische verhoudingen tot uitdrukking. Dat waardigheid begrepen wordt als attribuut van alle mensen is van relatief recente datum. De claim dat het loutere mens-zijn een individu reeds met gelijke waardigheid doet bekleden is welbeschouwd ongehoord revolutionair, gezien de lange traditie waarin waardigheid uitsluitend in fundamenteel hiërarchische termen begrepen werd.

De metafysica van het mensenrechtendiscours is bescheiden in die zin dat over het eigene van mens-zijn in algemene zin weinig of niets gezegd wordt. Dit is niet alleen historisch verklaarbaar vanuit politiek-strategische prudentie, het is ook vooral ingegeven door het egalitaire karakter van waardigheid. Omwille van de gelijkheid kan van het mens-zijn evenwel niet genoeg worden geabstraheerd. Niet alleen is er waardigheid ongeacht leeftijd, ras, geslacht et cetera, maar ook ongeacht individuele eigenschappen, talenten en mogelijkheden. Immers, zouden mensen hieraan hun waardigheid ontlenen, dan zou waardigheid niet iedereen in gelijke mate toekomen noch zou iedereen gedurende zijn leven aanspraak maken op dezelfde mate van respect. Pijn, lijden, zwakte en het onvermogen zich te uiten tasten de waardigheid van individuele mensen geenszins aan. Ware dat wel zo, dan zouden zieken, comateuzen, stervenden en de allerzwaksten minder respect verdienen. Zo bezien is zelfs de opmerking dat mensen met verstand begiftigd zijn (artikel 1 UVRM) een allesbehalve onschuldige gemeenplaats.

WAARDIGHEID IN HET ABORTUSDEBAT

Een jurist die aangeeft menselijke waardigheid te beschouwen als kernbegrip, zegt daarmee zowel veel als weinig. Hoewel ‘menselijke waardigheid’ uiteraard ook buiten het recht betekenis heeft en zich daar niet laat reduceren tot grondrechten, is dat anders in het recht. Daar vormen gepositiveerde mensenrechten de (veranderlijke) inhoud van het begrip. Zo bezien is menselijke waardigheid een begrip met een buitengewoon rijke inhoud. Maar het begrip blijft altijd ten dele onbepaald. Als algemeen rechtsbeginsel is menselijke waardigheid dan ook weinig richtinggevend. Minder nietszeggend wordt het beginsel naarmate het gepositiveerd is. Vakjuristen zoals gezondheidsjuristen doen er daarom verstandig zich te oriënteren op de grondrechten die relevant zijn voor hun rechtsgebied.

Waardigheid is een attribuut van de individuele mens. Grondrechten kunnen aldus nooit te individualistisch worden begrepen. Van waardigheid als attribuut van de menselijke persoon kan verder gezegd worden dat zij gekenmerkt wordt door wezenlijkheid, tijdelijkheid en gelijkheid. Dit zijn zogezegd de transcendentalia van de menselijke waardigheid. Haar inhoud openbaart zich evenwel in de tijd. De waardevol geachte aspecten van het mens-zijn tonen zich met en in de positivering van mensenrechten.

Naar huidig recht komt de vrouw waardigheid toe, de ongeboren vrucht niet. Daarmee is niet gezegd dat de ongeboren vrucht geen mensenrechtenbescherming geniet. In tegendeel, maar anders dan de vrouw geniet de vrucht niet de volledige mensenrechtenbescherming. Die bescherming genieten mensen – alle mensen – slechts na hun geboorte en tot hun dood. Beneden de 24 wekengrens weegt het belang van de vrouw zwaarder dan dat van de vrucht. Na die grens is het belang van de vrucht zwaarwegender. Of, in termen van beginselen, beneden de abortusgrens prevaleert de autonomie van de vrouw, na het passeren van die grens, het recht op leven van de vrucht. Voor de grens is het onthouden van hulp bij zwangerschapsafbreking een schending van de autonomie van de vrouw, en daarmee van haar waardigheid. Haar die hulp onthouden, is een waardigheidsschending. Na het passeren van die grens is een dergelijke onthouding niet langer een waardigheidsschending.

Het levensvatbaarheidscriterium vertroebelt het zicht op het werkelijke debat. Het pleidooi voor verlaging van de abortusgrens ontleent zijn kracht aan het volgende argument , onder meer verwoord door Hans van Goudoever: “Want wanneer je kinderen van 23 weken het leven wilt gaan redden omdat je denkt dat ze dan nog kans op overleven hebben, kun je abortus bij 24 weken niet langer toestaan.” Ook de wetgever argumenteerde destijds zo door de abortusgrens te laten samenvallen met levensvatbaarheid. De argumentatie lijkt consequent. Maar is het welbeschouwd helemaal niet. Bij het proberen te redden van het leven van een vroeggeborene hoeft de afweging met de belangen van de vrouw namelijk helemaal niet gemaakt te worden. Een vroeggeborene geniet immers volledige mensenrechtenbescherming. De geboorte heeft immers al plaatsgevonden. Dat overgegaan wordt tot behandelen is vanuit het mensenrecht gedacht dan ook min of meer vanzelfsprekend. Een ongeborene ontbeert echter die waardigheid. Ongeborenen zijn beschermwaardig vanaf het moment dat de belangen van de vrouw niet langer geacht worden zwaarder te wegen. Iedereen die een lans breekt voor verlaging van de abortusgrens, pleit voor inperking van de autonomie van de vrouw. Iedereen die verlaging van de abortusgrens voorstaat, zal zich moeten afvragen hoeveel inperking de waardigheid van de vrouw verdraagt!

Reacties uitgeschakeld voor Menselijke waardigheid in het abortusdebat

Medische ontwikkelingen op het grensvlak van levensvatbaarheid.

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 2, p. 002 Door Mw. Dr Mirjam van Weissenbruch, Neonatologe VU medisch centrum In Nederland worden per jaar ongeveer 180.000 kinderen geboren, waarvan 4.000…

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 2, p. 002

Door Mw. Dr Mirjam van Weissenbruch, Neonatologe VU medisch centrum

In Nederland worden per jaar ongeveer 180.000 kinderen geboren, waarvan 4.000 ernstig ziek en/of zeer vroeg geboren zijn. Tien ziekenhuizen hebben een neonatale intensive care unit (NICU) waar deze kinderen behandeld worden. Hier wordt zeer intensieve hoog gespecialiseerde zorg verleend aan te vroeg geborenen, de prematuren (gemiddeld 2.500 per jaar) en aan kinderen die een ernstige aandoening hebben die levensbedreigend kan zijn. Dit is met name het geval bij zuurstofgebrek rond de geboorte (perinatale asfyxie), een aangeboren afwijking van organen, zoals bijvoorbeeld een hartafwijking maar ook bij een ernstige infectie die rondom de geboorte is ontstaan.

Prematuren, die abrupt de baarmoeder en placenta missen, van belang voor een goede groei en ontwikkeling van organen,  kunnen een aantal specifieke complicaties ontwikkelen gebaseerd op het feit dat  hun onrijpe organen nog niet op een leven buiten de baarmoeder zijn voorbereid. Naarmate de zwangerschap korter heeft geduurd, komen deze complicaties vaker voor. Op de korte termijn spelen door onrijpheid van de longen, ademhalingsproblemen een grote rol, maar ook hersenbloedingen, darmontstekingen, voedingsproblemen en infecties, die op de lange termijn kunnen leiden tot een groei en ontwikkelingsachterstand, zowel motorisch als verstandelijk. Ook visus- en gehoorproblemen kunnen voorkomen.

RICHTLIJN PERINATAAL BELEID

Een belangrijke ontwikkeling in Nederland voor de NICUs is de invoering van de richtlijn perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte, opgesteld door gynaecologen en neonatologen. Sinds oktober 2010 worden op basis van deze richtlijn ook prematuren vanaf 24 weken zwangerschap opgenomen en behandeld. Dit betreft jaarlijks 75 kinderen.

Voordat deze richtlijn werd ingevoerd, gold in Nederland het nee-tenzij principe voor baby’s van 24 weken die ter wereld kwamen. Dit betekende dat deze kinderen geen invasieve behandeling kregen zoals kunstmatige beademing. In het algemeen werd bij baby’s van 24 weken de kans op overlijden zo groot geacht, dat artsen medische ingrepen niet in verhouding vonden staan tot de kans op goed overleven.
Met de invoering van de richtlijn is dit veranderd in het ‘ja-tenzij’ principe. In het eerste jaar na invoering van de richtlijn overleefde in Nederland 43% van de baby’s van 24 weken. Bij overleving zijn deze prematuren langdurig opgenomen op de intensive care en over het algemeen worden zij hierna  overgeplaatst naar een regionaal Post IC/HC centrum voordat zij naar huis kunnen worden ontslagen. Een deel van deze kinderen zal overleven met matige tot ernstige handicaps. De lange termijnuitkomsten voor de school- en jongvolwassen leeftijd zijn echter nog niet bekend.

LEVENSVATBAARHEIDSGRENS IN HET BUITENLAND

In landen om ons heen, zoals Engeland en Zweden maar ook in de VS en Japan worden kinderen behandeld die jonger zijn dan 24 weken. In Zweden was gedurende de jaren 2004 en 2007 de 1-jaars overleving van 707 levend geboren prematuren na een zwangerschapsduur van 22 tot en met 26 weken  70%, variërend van 9,8% (5 van 51) bij 22 weken, 53% (53 van 101) bij 23 weken, 67% (96 van 144)  bij 24 weken, 82% (167 van 205)  bij 25 weken tot 85% (176 van 206) bij 26 weken zwangerschapsduur (EXPRESS studie).

In Engeland was de 120 dagen overleving van alle prematuren geboren na een zwangerschapsduur van 23 tot en met 25 weken in 2006 ten opzichte van 1995 verbeterd van 40% naar 53%, een toename variërend van 9% bij 23 weken, 12% bij 24 weken en 16% bij 25 weken. In 2006 was de overleving van de 22 wekers  2% (n=3), de 23 wekers 19% (n=66), de 24 wekers 40% (n=178), de 25 wekers 66% (n=346), en van de 26 wekers 77% (n=448) respectievelijk (p<0.001) (EPICure studie).

Ondanks de verbeterde resultaten in overleving binnen deze studies was het patroon in ernstige korte termijn complicaties hetzelfde. Ook hier gold dat hoe korter de zwangerschapsduur hoe kleiner de kans op overleven en hoe groter de kans op korte termijncomplicaties met kans op lange termijn gezondheidsproblemen.

LEVENSVATBAARHEIDSGRENS IN NEDERLAND

De grens van levensvatbaarheid is in Nederland nu gesteld op 24 weken. Het bijstellen van de levensvatbaarheidsgrens in onze maatschappij vraagt om een brede maatschappelijke discussie. Immers als dit zou leiden tot een wijziging van  de grens van toegestane  zwangerschapsafbreking dan zou dat ook inhouden dat er niet voldoende evaluatie of beslistijd voor de ouders overblijft, bijvoorbeeld naar aanleiding van de bevindingen van de ECHO bij 20 weken.

Hulpverleners hebben bij beslissingen rond het begin van leven grote behoefte aan een brede reflectie van hun handelen. Welke opvattingen leven er over levensverlengende behandelingen bij deze ernstig zieke en/of premature baby’s van wie volstrekt onduidelijk is hoe hun leven eruit zal zien als zij in leven blijven? Hoe sterk hechten wij aan een langere levensduur van deze kinderen en wanneer gaat deze langere levensduur ten koste van kwaliteit van leven? Hoe bepalen we of er sprake is van disproportionele zorg? Welke opvattingen leven er in de maatschappij, de beroepsgroepen en ouders?

Het centrum voor Ethiek en Gezondheid van de Raad voor de Volksgezondheid heeft inmiddels aangekondigd het signalement “Voors en Tegens” van de Richtlijn Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte uit te brengen. Medisch gezien zijn er nog grote lacunes in wetenschappelijke kennis op het grensvlak van levensvatbaarheid. En maatschappelijk gezien zullen een aanzienlijk deel van de overlevende kinderen in hun latere leven op belemmeringen kunnen stuiten door het eerder hebben moeten inleveren op kwaliteit van leven.

Reacties uitgeschakeld voor Medische ontwikkelingen op het grensvlak van levensvatbaarheid.

De grens van het leven.

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 2,    p. 001 Door Mr Don Ceder INLEIDING Dit jaar is het 30 jaar geleden dat de Wet afbreking Zwangerschap (WAZ) in Nederland na een…

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 2,    p. 001

Door Mr Don Ceder

INLEIDING

Dit jaar is het 30 jaar geleden dat de Wet afbreking Zwangerschap (WAZ) in Nederland na een langslepende discussie in werking trad en zo een abortus voor elke zwangere vrouw onder voorwaarden mogelijk maakte. 30 jaar na dato komt de overheid echter steeds meer onder druk te staan vanwege haar abortusbeleid. Deze is namelijk anno 2014 in strijd met de Nederlandse strafwet. Doordat de afgelopen jaren is nagelaten het beleid aan te passen is het momenteel mogelijk dat potentiëel levensvatbare ongeboren kinderen in Nederland worden geaborteerd. Dit is in strijd met het wetboek van Strafrecht en de rechtsbescherming van het ongeboren leven.

Om tot deze conclusie te kunnen komen is er uitvoerig onderzoek gedaan naar de rechtsgeschiedenis en wetshistorie van de abortuswetgeving en de huidige stand van de medische wetenschap op het gebied van de neonatologie. Al deze elementen zijn essentieel om tot een juist oordeel te kunnen komen en de probleemstelling te kunnen beantwoorden.

DE RECHTSGESCHIEDENIS

De rechtsgeschiedenis van de abortuswetgeving in Nederland leert ons dat de abortusdiscussie al eeuwen zowel relevant als verhit is. Het toont ook aan hoe de Nederlandse wetgeving altijd het rechtsbescherming van het kind belangrijk heeft gevonden en daar ook uiting aan heeft gegeven in de wet. Abortus is in Nederland door de eeuwen heen, op uitzonderingen na, altijd een strafbaar feit geweest en gebleven. In de memorie van toelichting van de WAZ die nog steeds in gebruik is, is het volgende gezegd:

‘Wij zien daarbij de afbreking van ongeboren menselijk leven als een zo ernstige en ingrijpende maatregel, dat ze alleen kan worden aanvaard, indien de nood van de vrouw haar onontkoombaar maakt.’

Deze bewoordingen maken duidelijk dat de overheid ook vandaag de dag nog steeds een grote waarde hecht aan het leven van het ongeboren kind en dat dit fundament verankerd ligt in de WAZ.

In de periode tussen 1970 en 1979 zijn niet minder dan zes wetsontwerpen ingediend, wat de gevoeligheid omtrent dit onderwerp kenmerkt. Uiteindelijk kwamen na stroeve regeringsonderhandelingen in 1977 de partijen tot een overeenkomst. De nieuwe minister van Justitie De Ruiter (CDA) en zijn collega van Volksgezondheid en milieuhygiëne Ginjaar (VVD) waren belast met de uitvoering van de overeenkomst. Uiteindelijke resulteerde dit in de indiening van het wetsontwerp Ginjaar/De Ruiter op 15 februari 1978. Het wetsontwerp ‘Wet afbreking zwangerschap’ werd uiteindelijk met de kleinst mogelijke meerderheid aangenomen (76 stemmen voor, 74 stemmen tegen). In april 1981 werd het wetsontwerp ook door de Eerste Kamer met een minimale meerderheid (38 voor, 37 tegen) aangenomen. De WAZ ging uiteindelijk pas in 1984 van kracht, toen de uitvoerregels van de WAZ in de vorm van ‘Besluit Afbreking Zwangerschap’ (hierna BAZ) ingesteld werden. De WAZ werd door de wetgever omschreven als de wettelijke regeling en het resultaat van een afweging tussen enerzijds ‘de rechtsbescherming van ongeboren menselijk leven’ en anderzijds ‘het recht van de vrouw op hulp bij ongewenste zwangerschap’.

Een belangrijk gegeven is dat de politieke voorstanders van legale abortus allen wetsvoorstellen hebben ingediend die de grens trokken bij de levensvatbaarheid. De reden hiervoor was het besef dat het rechtsbescherming van het ongeboren kind in het gedrang kwam bij het uitvoeren van een abortus. Daarom was een gebalanceerde belangenafweging bij het in te dienen wetsontwerp noodzakelijk. De PvdA, de grootste voorstander van legale abortus, diende in 1971 een wetsvoorstel in waarbij abortus uitgevoerd zou mogen worden tot aan de levensvatbaarheidgrens. De PvdA lichtte in haar wetsvoorstel Lamberts/Roethof uit 1971 toe:

’De vraag of in bepaalde gevallen abortus provocatus geoorloofd is te achten, draagt in zoverre een uitzonderlijk karakter, dat bij deze ingreep steeds de tegenover elkaar staande levensbelangen van twee menselijke wezens – waarvan één in ontwikkeling – in het geding zijn (..) Heeft de vrucht een zodanig stadium van ontwikkeling bereikt dat deze zelfstandig levensvatbaar moet worden geacht, dan heeft ook de beschermwaardigheid nagenoeg haar volle omvang verkregen.’

Alles overwegende kan worden vastgesteld dat de rechtsbescherming van het ongeboren leven in Nederland verankerd is in de strafwetgeving en dat het huidige abortusbeleid van Nederland mogelijk in strijd is met deze rechtsbescherming.

DE STRAFBAARHEID VAN ABORTUS NADER BEKEKEN

In Art. 82a Sr wordt het aborteren van een mogelijk levensvatbaar kind strafbaar gesteld. In artikel 82a Sr staat:

Artikel 82a Sr: ‘Onder een ander, of een kind bij of kort na de geboorte, van het leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven.’

Het bestandsdeel ‘een ander van het leven beroven’ komt naast artikel 82a ook in enkele andere artikelen voor waaronder art. 287, 289, 291 en 293 Sr. Al deze artikelen vallen onder de titel ‘misdrijven tegen het leven gericht’ en bij overtreding van deze strafbepalingen wordt doodslag of moord ten laste gelegd. De wetgever heeft dan ook in artikel 82a Sr het aborteren van een ongeboren kind ‘die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven’ gelijkgesteld aan doodslag (indien opzettelijk) of moord (opzettelijk en met voorbedachten rade). Iemand die art. 82a Sr overtreed zal dan ook overeenkomstig vervolgd worden.

Art. 82a Sr zegt dat een ongeboren kind niet geaborteerd mag worden indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat dit in staat is buiten het moederlichaam in leven te kunnen blijven. Het bestandsdeel ‘redelijkerwijs’ is het onderwerp van veel discussie. Tegenstanders van een verlaging van de abortusgrens claimen namelijk dat het bestandsdeel ‘redelijkerwijs’ een handhaving van de 24 wekengrens rechtvaardigt en dat deze, indien blijkt dat de levensvatbaarheid lager ligt, niet per se verlaagd hoeft te worden. Het argument is dat de wetgever zou uitgaan van een redelijke benadering van de levensvatbaarheidgrens. Dit is echter een onjuiste interpretatie. De wetgever legt in de parlementaire stukken uit wat er met de term ‘redelijkerwijs’ wordt bedoeld:

‘ (..) het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven. Deze laatste formulering is aldus gekozen, omdat het levensvatbaar zijn van een vrucht pas onomstotelijk kan worden vastgesteld, nadat deze levend ter wereld is gebracht en – mogelijk dankzij de geboden medische verzorging – in leven is gebleven. Waar het dus om gaat is dat het doden van een vrucht op zodanig tijdstip, dat zij naar ervaringsregels, gezien de stand van de medische wetenschap, een redelijke kans maakte – ter wereld gekomen – in leven te blijven, wordt gelijkgesteld aan opzettelijke levensberoving en aan een misdrijf tegen het leven gericht, als bedoeld in Titel XIX van het Tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.’

Volgens de memorie van toelichting heeft de wetgever de term ‘redelijkerwijs’ opgenomen in de wet omdat levensvatbaarheid van een ongeboren individu pas onomstotelijk vastgesteld kan worden bij geboorte. Omdat het kind in kwestie nog niet is geboren is bij het overwegen van een abortus moet er worden uitgegaan van een redelijke verwachting van de levensvatbaarheid. Deze verwachting is gebaseerd op de ervaringsregels en de stand van de medische wetenschap omtrent levensvatbaarheid. Wat dus doorslaggevend is voor de wet is het algemeen heersend medisch inzicht aangaande de levensvatbaarheid bij vroeg geboren kinderen. Indien deze grens is vastgesteld, betekent dit dat men er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat een ongeboren kind dat deze grens overschrijdt in potentie de capaciteit heeft om tijdens geboorte levensvatbaar ter wereld te komen. Het aborteren van het kind is daarom niet toegestaan op grond van art. 82a Sr. Uit de memorie van toelichting blijkt overigens dat een kind dat na geboorte medische zorg nodig heeft om in leven te blijven ook levensvatbaar wordt geacht.

Dit blijkt ook uit een uitspraak van de Hoge Raad tijdens een zaak waarbij een gynaecoloog een levensvatbaar kind had geaborteerd. De verdediging meende dat de vrucht weliswaar levend was geboren maar kort na de geboorte (vooral als gevolg van de nog onvoldoende ontwikkeling van de longen) was overleden, waardoor er geen sprake van feitelijke levensvatbaarheid was. De Hoge Raad oordeelde echter dat er sprake van levensvatbaarheid was in de zin van artikel 82a Sr ( juncto. Artikel 289 Sr):

‘indien op het moment van de ten laste gelegde gedragingen redelijkerwijs mocht worden verwacht dat de vrucht in staat zou zijn bij een ’normale’ geboorte op dat moment, zijnde mitsdien een fictieve situatie, buiten het moederlichaam in leven te blijven. Voor de vervulling van dit bestanddeel van de delictsomschrijving is niet van belang of de aan de medische wetenschap ontleende redelijke verwachting achteraf blijkt voor het onderhavige geval niet op te gaan.’

OORSPRONG 24 WEKENGRENS

De wet geeft geen tijdvak aan met betrekking tot de abortusgrens. Dit is bewust niet opgenomen zodat de abortusgrens zich gemakkelijk kon aanpassen aan nieuwe wetenschappelijke inzichten. In 1978 heeft de wetgever de abortusgrens op 24 weken gesteld. Het aantal weken werd vastgesteld op grond van de stand van de toenmalige wetenschap die ervan uitging dat kinderen onder de 24 weken niet levensvatbaar ter wereld kunnen komen. De wetgever lichtte haar keus als volgt toe:

‘Wat betreft de nadere precisering van de zwangerschapsduur waarbij aangenomen moet worden dat de vrucht levensvatbaar is, dient overwogen te worden dat bij de huidige stand van de medische wetenschap vruchten van minder dan 24 weken als niet levensvatbaar beschouwd worden. Bij een zwangerschapsduur van 24 weken of langer is er echter een steeds grotere kans op een levensvatbare vrucht. Dit betekent dat een zwangerschapsduur van 24 weken als absolute grens moet gelden ten aanzien van zwangerschapsafbreking.’

De wetgever hield nauwkeurig rekening met de toenmalige stand van de medische wetenschap bij het instellen van de 24 weken grens. Naast het instellen van de abortusgrens aan de hand van de stand van de medische wetenschap hield de wetgever ook rekening met het feit dat destijds de conventionele methoden die gebruikt werden om een zwangerschap vast te stellen onnauwkeurig waren en een eventuele zwangerschapsduur niet exact konden vaststellen. Om deze reden besloot de wetgever dat bij zwangerschappen die via de conventionele methoden waren gemeten, tot maximaal 20 weken een abortus zou mogen worden uitgevoerd. De wetgever hield een onnauwkeurigheidsmarge van vier weken aan:
‘Omdat het om een vitale grens gaat, zal in zulke gevallen immers de maximale extra veiligheidsmarge van 4 weken moeten worden aangehouden.’

De wetgever spreekt van een vitale grens. Deze vitale grens zou nooit overschreden mogen worden omdat dit een inbreuk op de rechtsbescherming van het ongeboren kind zou betekenen. In de praktijk werd er dus geen abortusgrens van 24 weken aangehouden, maar een abortusgrens van 20 weken (en in enkele gevallen mocht deze termijn tot 22/24 weken worden opgerekt).

‘Bij de besluitvorming aangaande zwangerschapsonderbreking betekent dit, dat een met conventionele middelen geschatte zwangerschapsduur van 20 weken de uiterste grens is waarbij nog abortus kan worden overwogen, aangezien daarboven levensvatbaarheid niet is uit te sluiten.’

De wetgever zegt hiermee dat de 20 wekengrens is ingesteld omdat daarboven levensvatbaarheid niet uitgesloten kon worden. Dit betekent dat de wetgever ervan uitgaat dat abortus slechts is toegestaan indien levensvatbaarheid uitgesloten kan worden. Anno 2013 is 35 jaar na vaststelling van de 24 weken abortusgrens deze nooit meer aangepast. In dezelfde de geest van de wetgever zou de vitale grens (lees: levensvatbaarheid) vandaag de dag met voorzichtigheid moeten worden benaderd.

Op grond van de rechtsgeschiedenis en de teleologische en wethistorische interpretatie van wet en memorie van toelichting kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de wetgever het uitvoeren van abortussen uitsluit en strafbaar stelt wanneer levensvatbaarheid niet kan worden uitgesloten. Om aan te kunnen tonen dat Nederland zich momenteel daaraan schuldig maakt zal gekeken moeten worden naar de huidige stand van de medische wetenschap.

MEDISCHE ONTWIKKELINGEN OP HET GEBIED VAN LEVENSVATBAARHEID BIJ VROEG GEBOREN KINDEREN

Sinds de vaststelling van de abortusgrens op 24 weken in 1978 is er in de afgelopen 35 jaar grote medische vooruitgang geboekt op het gebied van de neonatologie. De wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft de medische ontwikkelingen van de afgelopen decennia in de gaten gehouden en heeft op grond hiervan de levensvatbaarheid verlaagd en vastgesteld bij het begin van de perinatale fase of wanneer het kind 500 gram of meer weegt. De perinatale fase van de zwangerschap begint bij 22 weken zwangerschap. Het WHO merkt dan ook het volgende op:
‘Preterm birth rates available from some developed countries, such as the United Kingdom, the United States and the Scandinavian countries, show a dramatic rise over the past 20 years.’

Vroeg geboren kinderen overleven steeds vaker de eerste cruciale maand. Dit komt onder andere door betere medische zorg in de eerste 24 uur na de geboorte, het voorkomen van infecties, het antenataal toedienen van corticosteroïden, verbeterde beademingstechnieken en meer geavanceerde bewaking van vitale parameters.

Een Brits onderzoeksteam van EPICure publiceerde eind 2012 het artikel ‘Short term outcomes after extreme preterm birth in England: comparison of two birth cohorts in 1995 and 2006 (the EPICure studies)’. Hierin werden twee grote studies naar te vroeg geboren baby’s in Engeland onderzocht (één uit 1995 en één uit 2006). Het onderzoek toont aan dat de overlevingskans van te vroeg geboren kinderen tussen de 22 en 25 weken de afgelopen jaren flink is gestegen.

In 2006 waren de overlevingskansen tot aan ontslag uit het ziekenhuis van een vroeg geboren kind als volgt: 2% bij een levend geboren kind bij 22 weken, 19% bij 23 weken, 40% bij 24 weken, 66% bij 25 weken en 78% bij 26 weken. Deze cijfers zijn inclusief de vroeg geboren kinderen waarbij geen enkele medische zorg is toegediend en als gevolg daarvan overleden. Het cijfer overlevenden wordt nog hoger wanneer alleen levend geboren kinderen die op de intensive care medische hulp hebben gekregen worden meegerekend. 16 % van de kinderen geboren in de 22ste week overleefden tot aan ontslag uit het ziekenhuis; 30% van de kinderen geboren in de 23ste week; 47% van de kinderen bij een geboorde van 24 weken en 69% na een geboorte van 25 weken en 78% na een geboorte van 26 weken.

Hoewel er nog sprake is van een groot sterftepercentage, bewijst dit onderzoek wel dat vroeg geboren kinderen onder de 24 weken in staat zijn om levensvatbaar ter wereld te komen. Dit zou inhouden dat het Nederlands abortusbeleid in strijd is met art. 82a Sr, omdat art. 82a Sr het aborteren van mogelijk levensvatbare kinderen strafbaar stelt.

Andere medische onderzoeken komen tot dezelfde conclusie. In Amerika zijn onder leiding van medisch wetenschapper Stoll gegevens onderzocht van een perinataal centrum van 9575 kinderen die tussen de 22 tot 28 weken zijn geboren tussen 2003 en 2007. Daaruit bleek dat 6% van de kinderen die na 22 weken worden geboren het overleefden tot ontslag uit ziekenhuis; 26% bij 23 weken, 55% bij 24 weken en 84 % bij 26 weken.98 De resultaten van dit onderzoek worden weergegeven in tabel 3.1.

Tabel 3.1. Overlevingspercentage van kinderen geboren tussen 1 Januari 2003 en 31 December 2007. De dunne lijnen geven het verschil tussen de twee verschillende centra aan waar de onderzoeken hebben plaatsgevonden. (Bron: Stoll e.a. 2010)

Een Amerikaans onderzoek van het ‘National Institute of Child Health and Human Development Neonatal Research Network’ onder leiding van Tyson onderzocht te vroeg geboren kinderen (22-25 weken) die geboren zijn tussen 1998 en 2003. Dit team ondervond dat 18 tot 22 maanden na de geboorte 51% van de te vroeg geboren kinderen nog in leven was.

Uit onderzoek van de EXPRESS Group bleek dat de overlevingskans van kinderen in Zweden geboren tussen 22 en 26 weken in 2004-2007 na een jaar 70% was. 9,8% van de kinderen bleek levensvatbaar bij 22 weken; 53% bij 23 weken; 67% bij 24 weken; 82% bij 25 weken en 85% bij 26 weken. Blijkens het Zweedse geboorteregister verdubbelde het percentage overlevende vroeggeborenen tussen 23 en 24 weken van 1989-1991 tot 1911-2001.

Ook Nederlandse studies wijzen uit dat levensvatbaarheid onder de 24 weken mogelijk is. Echter moet wel opgemerkt worden dat Nederland in vergelijking met omliggende landen een hoge behandelgrens heeft. Dit houdt in dat in de meeste gevallen pas na 24 weken actief medische hulp wordt verleend wordt aan een vroeg geboren kind. Dit verklaart waarom Nederland, in tegenstelling tot andere soortgelijke landen, geen overlevenden kent van 22 weken. De resultaten van dit onderzoek onder leiding van Groenendaal worden weergegeven in tabel 3.2.

Tabel 3.2. Gegevens over aantallen geboorten uit Perinatale Registratie Database 2006-2007 (Bron: Groenendaal e.a. 2010)Op grond van alle bovengenoemde studies en nog enkele andere die niet zijn uitgelicht, concludeert de Nederlandse perinatale richtlijn dan ook in 2009:

‘Het overlevingspercentage (tot ontslag uit het ziekenhuis) van alle pasgeborenen is minder dan 20% bij een zwangerschapsduur van 21-23 weken, 39% bij 24 weken, 56% bij 25 weken en 60% bij 26 weken. Overleving als percentage van alle levendgeborenen is 24% bij 23 weken, 38% bij 24 weken, 53% bij 25 weken en 74% bij 26 weken. De overleving van alle NICU opnames is 40% bij 23 weken, 46% bij 24 weken, 59% bij 25 weken en 77% bij 26 weken.’

De stand van de medische wetenschap is ten opzichte van 1978 veranderd. Het beleid zou daarom ook in lijn met het doel van de wet daarop aangepast moeten worden. Een 24 wekengrens is daarom niet meer verdedigbaar en zou verlaagd moeten worden om binnen de grenzen van de Nederlandse wetgeving de blijven.

POLITIEKE ONTWIKKELINGEN ABORTUSGRENS

Steeds meer Kamerleden laten zich uit over de onhoudbaarheid van de huidige abortusgrens. Tweede Kamerlid Esmee Wiegman stelde in 2010 Kamervragen aan Edith Schippers, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ook PVV Kamerleden Agema en Gerbrands en CDA Kamerleden Margreet Smilde en Janneke Schermers hebben zich recentelijk uitgesproken over de abortuskwestie. Janneke Schermers van het CDA zei hierover:

‘We moeten voorkomen dat mensen met een afwijking niet meer welkom zijn. Ik kan niet zeggen waar de grens ligt, daarvoor is het beeld medisch gezien te wisselend. De abortusgrens staat nu op de levensvatbaarheidgrens van 24 weken. Als die medisch gezien naar beneden gaat, moeten we er wel over nadenken om die bij te stellen’.

Het CDA heeft al gepleit voor het invoeren van een abortusgrens van 22 weken. De ChristenUnie heeft om dezelfde reden gepleit voor een abortusgrens van 18 weken. Kamerlid Fleur Agema van de PVV zelfs heeft gepleit voor verlaging van de abortusgrens naar 14 weken. Minister-president Mark Rutte zorgde voor ophef door zich uit te laten over de abortusgrens tijdens een tv uitzending van het EO-programma Moraalridders op 16 februari 2011. Premier Rutte zei daarin dat hij het goed vindt om te discussiëren over de abortusgrens als nieuwe wetenschappelijke inzichten daartoe aanleiding geven. Nadat er vanuit politieke partijen kritiek op de uitspraken van Rutte kwam maakte Rutte duidelijk dat de regering niet van plan was om de Abortuswet te veranderen, maar dat nieuwe inzichten slechts kritisch moeten worden bekeken. Rutte vindt dat initiatieven op dat gebied uit de Kamer moeten komen.

Minister Edith Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft zich ook na enkele Kamervragen over de abortusgrens uitgelaten. Ze stelde na gesprekken met deskundigen vast dat ‘onvoldoende medische, juridische en praktische redenen zijn gebleken om de abortusgrens te verlagen’. Om deze reden is de abortusgrens nog niet op de politieke agenda gekomen.
Ook in Engeland ligt de huidige abortusgrens onder vuur. In Engeland heeft minister van Volksgezondheid Jeremy Hunt recentelijk verklaard dat hij de abortusgrens in Engeland, Wales en Schotland wil verlagen van 24 weken naar 12 weken. Britse minister van Vrouwenzaken Maria Miller pleitte voor een verlaging van 24 naar 20 weken en stelde dat de wet ‘should reflect the way medical science has moved on.’
Ook Brits parlementslid Nadine Dorries pleitte voor een verlaging van de abortusgrens op grond van medische onderzoeken die aantonen dat steeds meer kinderen onder de 24 weken levensvatbaar worden geboren. Premier David Cameron zei dat hij persoonlijk een voorstander was van een verlaging van de abortusgrens ‘because I think there are some medical arguments for that.’ Cameron sprak niet namens de Britse regering, maar het lijkt erop dat in Engeland binnen korte tijd weer een abortusdiscussie zal losbarsten.

CONCLUSIE

Het zou goed zijn om exact 30 jaar na invoering van de ‘Wet afbreking zwangerschap’ weer een constructief maatschappelijke discussie te hebben in ons land rondom een van de laatste grootste taboes in Nederland, waarbij zowel de belangen van de zwangere vrouw als de rechtsbescherming van het ongeboren kind worden besproken en verdedigd. Hoe denken we als samenleving tegenwoordig over het abortusvraagstuk?

Het is duidelijk dat er sprake is van veel onduidelijkheid omtrent dit gebied. Deze onduidelijkheid is ook merkbaar bij de media, bij medische organisaties en zelfs bij de overheid. Op de website van de overheid staat:

’Abortus mag tot het kind buiten uw lichaam zou kunnen overleven. Die grens ligt voor de Strafwet bij 24 weken.’

Deze informatie naar zwangere vrouwen toe is misleidend. De Strafwet noemt geen aantal weken, maar stelt dat de abortustermijn afhankelijk is van de stand van de huidige medische wetenschap.

Abortus is een moeilijk en gevoelig vraagstuk waar geen eenvoudig antwoord op te vinden is. De keuze waar ouders voor komen te staan is zwaar en gaat altijd gepaard met verdriet en verschillende emoties, en heeft een grote impact, vooral als wij beseffen dat het bij de meeste late zwangerschapsafbrekingen in Nederland gaat om ongeboren kinderen die gewenst waren door de ouders, maar om medische redenen zijn geaborteerd. Het zou goed zijn om 30 jaar na invoering van de ‘Wet afbreking zwangerschap’ weer een maatschappelijke discussie te hebben in ons land. Niet een eendimensionale zoals de afgelopen jaren het geval is geweest, maar een constructieve dialoog waarbij zowel de belangen van de zwangere vrouw als de rechtsbescherming van het ongeboren kind worden besproken, afgewogen en verdedigd.

Reacties uitgeschakeld voor De grens van het leven.

Vermist: de rechtsbescherming van het ongeboren kind

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 1,    p. 002 Door Mr Don Ceder Een landelijke abortusdiscussie staat 30 jaar na de officiële inwerkingtreding van de Wet afbreking Zwangerschap (WAZ) weer op…

PVH 21e jaargang – 2014 nr. 1,    p. 002

Door Mr Don Ceder

Een landelijke abortusdiscussie staat 30 jaar na de officiële inwerkingtreding
van de Wet afbreking Zwangerschap (WAZ) weer op het punt om los te
barsten in Nederland. Enkele suggesties in de in het najaar van 2013
uitgebrachte ‘Evaluatie – Regeling centrale deskundigencommissie late
zwangerschapsafbreking in een categorie-2 geval en levensbeëindiging bij
pasgeborenen’ hebben voor opschudding gezorgd.1

Een van de vele aanbevelingen uit dit rapport is een wetswijziging waarbij
de abortusgrens (nu vastgesteld op 24 weken) moet worden verlaten
in enkele gevallen. De strenge abortusgrens en enkele zorgvuldigheidseisen
bij het uitvoeren van een late abortus worden volgens het rapport in
de praktijk als een knelpunt ervaren en artsen die deze uitvoeren voelen
zich daarnaast door de strafwet en de betrokkenheid van het Openbare
Ministerie (OM) in de strafrechtelijke sfeer geplaatst.2

De suggestie om de wet door middel van een wetswijziging te verruimen
is inmiddels overgenomen door de NVOG (Nederlandse vereniging voor Obstetrie
en Gynaecologie). Deze heeft in een brief aan Minister Schippers haar
voorkeur voor het loslaten van de 24 weken grens en het versoepelen van
enkele zorgvuldigheidseisen uitgesproken. Na het zorgvuldig lezen van
zowel het rapport als de brief van de NVOG aan minister Schippers kom
ik tot de schrikbarende conclusie dat de huidige manier waarop de abortuskwestie
wordt geschetst een vertekend beeld laat zien.

De wijze waarop deze aanbevelingen worden gepresenteerd toont duidelijk
aan dat er een zeer belangrijke partij wordt vergeten: het ongeboren
kind. Het lijkt alsof deze nauwelijks een belang noch enige rechten
heeft om zich op te beroepen. Dit is een grove vergissing. Het ongeboren kind
heeft een rechtsbescherming dat verankerd is in de Nederlandse wet.
De afgelopen decennia is het gelukt een groot rookgordijn op te trekken rondom de
abortuswetgeving zodat een heldere berichtgeving omtrent de abortuskwestie
bijna onmogelijk is gemaakt. En te midden van dit rookgordijn worden er vele politieke
beslissingen genomen waarvan ongeboren kinderen de voornaamste slachtoffers
van zijn. Het is tijd voor een broodnodige opfriscursus, voor iedereen.
Hoe zat het juridisch ook alweer met het aborteren van een ongeboren
kind?

1. ABORTUS IS IN NEDERLAND IN BEGINSEL STRAFBAAR

Hoewel berichtgeving anders doet voorkomen, is een abortus in Nederland
uitvoeren in beginsel strafbaar.

De strafbaarstelling van het uitvoeren van een abortus bij een zwangere
vrouw staat in art. 296 Wetboek van Strafrecht (Sr.) lid 1:
Art. 296 Sr 1. Hij die een vrouw een behandeling geeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs
moet vermoeden dat daardoor de zwangerschap kan worden afgebroken, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en zes maanden
of geldboete van de vierde categorie. (..) 5. Het in het eerste lid bedoelde feit
is niet strafbaar, indien de behandeling is verricht door een arts in een ziekenhuis of
kliniek waarin zodanige behandeling volgens de Wet afbreking zwangerschap mag
worden verricht.”

Lid 2, 3 en 4 zijn verzwarende omstandigheden waaronder het uitvoeren
van een abortus kan plaatsvinden. Lid 5 creëert een uitzondering
op een in beginsel algemeen abortusverbod. Op grond van lid 5 is een abortus
niet strafbaar wanneer aan alle richtlijnen van de Wet Afbreking Zwangerschap
(WAZ) is voldaan. De wetgever vond het in beginsel strafbaar stellen van
abortus nodig ter onderstreping van de toegekende rechtsbescherming van
het ongeboren leven door de Nederlandse overheid. Deze rechtsbescherming
is overigens zwaar bevochten. Voorafgaand aan de moeizame totstandkoming
van de Wet Afbreking Zwangerschap in 1981 zijn er tussen 1970 en 1981
6 (!) wetsvoorstellen gesneuveld voordat de definitieve WAZ in beide Kamers
een meerderheid kreeg. De wetgever omschreef de WAZ als volgt:
‘Het wetsontwerp gaat ervan uit, dat aan vrouwen die zich ten gevolge
van een ongewenste zwangerschap in een noodsituatie bevinden, hulp
moet worden verleend. Wij zien daarbij de afbreking van het ongeboren
menselijk leven als zo’n ernstige en ingrijpende maatregel, dat ze alleen
kan worden aanvaard, indien de nood van de vrouw het haar onontkoombaar
maakt. Dit uitgangspunt brengt met zich mee dat de arts, de vrouw en
zij die verder bij de voorbereiding van een beslissing omtrent zwangerschapsafbreking
worden betrokken, ieder voor zich met de grootst mogelijke zorgvuldigheid
moeten handelen in het besef van de zware verantwoordelijkheid tegenover
het ongeboren leven en van de gevolgen voor de vrouw en de haren.’3

In de huidige wijze waarop wordt omgegaan met de kaders waarin geaborteerd
mag worden is van het besef ‘van de zware verantwoordelijkheid tegenover
het ongeboren leven’ weinig te merken.

2. ER BESTAAT GEEN WETTELIJKE 24 WEKEN GRENS IN NEDERLAND

Een abortus mag tot een bepaalde grens uitgevoerd worden in Nederland.
Er heerst een wijd verspreid misverstand dat de abortusgrens in Nederland
bij de wet is vastgesteld op 24 weken. De media, vele organisaties en
zelfs politici spreken van een wettelijke 24 weken abortusgrens. De realiteit
is echter dat de wet niet spreekt over een 24 wekengrens, maar over een
levensvatbaarheidsgrens (het moment waarop kinderen zelfstandig buiten
de baarmoeder kunnen overleven). De strafbaarstelling van abortus na
de levensvatbaarheid van het ongeboren kind wordt geregeld in art. 82a
Sr.: Artikel 82a Sr: “Onder een ander, of een kind bij of kort na de geboorte, van het leven
beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht
mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven.”

In dit wetsartikel nergens gesproken over een 24 weken grens. Waar
komt deze grens dan vandaan? Op zoek naar de levensvatbaarheid heeft de
wetgever op grond van medische inzichten destijds bepaald dat de levensvatbaarheid
rond 1978 (!) op 24 weken stond. De wetgever lichtte haar keus voor 24
weken in de Memorie van Toelichting toe: ‘ Wat betreft de nadere precisering van de zwangerschapsduur
waarbij aangenomen moet worden dat de vrucht levensvatbaar is, dient overwogen
te worden dat bij de huidige stand van de medische wetenschap vruchten
van minder dan 24 weken als niet levensvatbaar beschouwd worden. Bij
een zwangerschapsduur van 24 weken of langer is er echter een steeds
grotere kans op een levensvatbare vrucht. Dit betekent dat een zwangerschapsduur
van 24 weken als absolute grens moet gelden ten aanzien van zwangerschapsafbreking.4

De 24 wekengrens is nooit in de wet opgenomen, maar is als beleid op grond van de wet geïmplementeerd
in Nederland. Dit is een belangrijk verschil. Zelfs de overheid heeft tegenwoordig moeite om dit onderscheid
te maken. Op haar website staat: ‘ Een abortus kan uiterlijk plaatsvinden tot het moment dat de
vrucht levensvatbaar is buiten het lichaam van de moeder. Volgens de Strafwet is dat tot 24 weken.’ 5

De stand van de abortusgrens is al sinds de officiële inwerkingtreding
van de WAZ in 1984 ongewijzigd gebleven. De afgelopen dertig jaar is
er echter grote vooruitgang geboekt in de medische wetenschap op het
gebied van de neonatologie, waardoor de levensvatbaarheidsgrens niet
meer op 24 weken ligt. In 2009 bijvoorbeeld is Frieda Mangold in Duitsland
geboren na 21 weken en 5 dagen zwangerschap, waarmee Frieda momenteel
het vroegst levensvatbare kind ter wereld is.6 Frieda’s geboorte
was geen incident, momenteel worden er over de gehele wereld jaarlijks
duizenden levensvatbare kinderen geboren na een zwangerschap van minder
dan 24 weken. Dit wordt ook bevestigd in alle medische onderzoeken van de afgelopen
jaren die uitkomen omtrent dit onderwerp.7 Dit betekent dat het Nederlandse
abortusbeleid momenteel in strijd is met de Nederlandse Strafwet.
Deze medische ontwikkelingen gaan de politiek niet onopgemerkt voorbij.
Minister-president Mark Rutte zorgde voor ophef door zich uit te laten
over de abortusgrens tijdens een tv-uitzending van het EO-programma
Moraalridders op 16 februari 2011. Premier Rutte zei daarin dat hij
het goed vindt om te discussiëren over de abortusgrens als nieuwe wetenschappelijke
inzichten daartoe aanleiding geven. Nadat er vanuit politieke partijen
scherpe kritiek op de uitspraken van Rutte kwam, maakte Rutte snel
duidelijk dat de regering niet van plan was om de Abortuswet te veranderen,
maar dat nieuwe inzichten slechts kritisch moeten worden bekeken.8 Minister
Schippers heeft zich na enkele Kamervragen kort uitgelaten over de
kwestie en gezegd dat er ‘onvoldoende medische, juridische en praktische
redenen zijn gebleken om de abortusgrens te verlagen’.9 Ook
de NVOG blijft volhouden dat er niets mis is met de 24 weken grens
en dat er geen redenen zijn om deze te verlagen.10 Een correcte interpretatie
van de wet en de huidige stand van de medische wetenschap ontkrachten deze beweringen.
Een verlaging van de abortusgrens is nodig om binnen de kaders van de Strafwet te blijven.

3. EEN LATE ZWANGERSCHAPSAFBREKING IS JURIDISCH GEZIEN IN BEGINSEL MOORD / DOODSLAG

Hoe zwaar weegt juridisch gezien het aborteren van een ongeboren levensvatbaar kind?
In art. 82a Sr. wordt het aborteren van een redelijkerwijs levensvatbaar
kind gelijkgesteld aan het doden van een juridisch levend persoon. Het
bestandsdeel ‘een ander van het leven beroven’ komt naast
artikel 82a ook in enkele andere artikelen voor waaronder art. 287, 289,
291 en 293 Sr. Al deze artikelen vallen onder de titel ‘misdrijven
tegen het leven gericht’ en bij overtreding van deze strafbepalingen
wordt doodslag of moord ten laste gelegd. Het leven van het ongeboren
levensvatbaar kind wordt dus beschermd door de wet en deze rechtsbescherming
is nagenoeg even groot als die van een levend persoon.

Het komt voor dat na de verstreken abortusgrens van 24 weken een abortus
op grond van ernstige medische redenen bij uitzondering alsnog wordt
uitgevoerd. Dit wordt een late zwangerschapsafbreking (LZA) genoemd.
Voor deze gevallen is er door de jaren heen consensus ontstaan over het correct handelen
bij late zwangerschapsafbrekingen, inclusief een procedure voor toetsing
van dat handelen achteraf.11 Bij een LZA wordt een onderscheid
gemaakt tussen twee categorieën aandoeningen:

Categorie I betreft aandoeningen van het ongeboren kind die naar redelijke verwachting
tijdens of na de geboorte onontkoombaar tot de dood zullen leiden.

Categorie II betreft ongeborenen kinderen met weliswaar een kans om buiten de baarmoeder
te overleven, maar waarbij postnatale inzet van levensverlengend medisch handelen zinloos wordt geacht.

Een late abortus die onder de eerste categorie valt is op grond van art. 82a Sr. niet strafbaar.
Het kind is namelijk niet levensvatbaar, waardoor niet aan alle bestanddelen van de wetsartikel is voldaan.
Een abortus van een niet levensvatbaar kind valt daarom buiten de reikwijdte
van het artikel. Wanneer bij deze afbreking wordt gehandeld binnen
de kaders van art. 296 Sr. is er dus geen sprake van een strafbare handeling.
Om te bepalen of sprake van is van een ongeboren kind met een aandoening
die in categorie 2 valt zijn er strenge zorgvuldigheidseisen opgesteld waaraan
een abortus moet voldoen.12

Een late abortus van een kind dat onder categorie 2 valt is op grond van art. 82a Sr. in
beginsel wel strafbaar. Een beroep op een rechtvaardigingsgrond
kan echter de strafbaarheid wegnemen. Wanneer aan alle zorgvuldigheidseisen
is voldaan wordt overmacht in de zin van noodtoestand aangenomen. Of
er werkelijk voldaan is aan alle zorgvuldigheidseisen moet door de
officier van justitie worden beoordeeld. Er is een deskundigencommissie
opgesteld die een grote rol speelt in het onderzoek en het OM van zwaarwegende
adviezen voorziet.13

4. SUGGESTIES IN EVALUATIERAPPORT IN STRIJD MET RECHTSBESCHERMING ONGEBOREN KIND

Hoewel het rapport terecht enkele knelpunten in de huidige praktijk
bij het uitvoeren van een LZA aan de kaak stelt en bekritiseert, zijn
enkele suggesties die genoemd worden in strijd met de rechtsbescherming
van het ongeboren kind.

Het rapport pleit er bijvoorbeeld voor om art. 82a Sr. te verruimen
met een extra bepaling waarin staat dat de arts niet strafbaar is wanneer
een late abortus plaatsvindt op twee verschillende medische gronden.
De eerste medische grond is bij de aanwezigheid van zeer ernstige en
niet te herstellen aandoeningen bij het ongeboren kind. Vervolgens
pleit het rapport dat een late abortus uitgevoerd moet kunnen worden wanneer
de zwangerschap een ernstig en niet op andere wijze weg te nemen gevaar
voor de gezondheid van de vrouw oplevert. Dit heet een maternale indicatie.14

Allereerst rijst de vraag waarom een wetsverruiming eigenlijk nodig is.

De huidige richtlijn rond de LZA heeft al als doelstelling noodzakelijke
late abortussen mogelijk te maken en de belangen van het ongeboren kind
en de zwangere vrouw daarbij te waarborgen. Indien de uitvoering van de richtlijn
in de praktijk op enkele punten tekort schiet, kan er altijd besproken
worden hoe de doelstellingen die door de richtlijn beoogt worden alsnog
bereikt kunnen worden door enkele knelpunten op te lossen. Een wettelijke
verruiming zou echter tegen dezelfde problemen aanlopen als de huidige
richtlijn. En alle problemen die door een wettelijke verruiming mogelijk
zouden kunnen worden verholpen kunnen ook binnen de huidige richtlijnen
van de LZA worden verholpen. De uitvoering van de doelstelling is het
probleem, niet de grondslag waarop het beleid wordt uitgevoerd. Daarnaast
geeft een wettelijke verruiming een signaal af dat in strijd is met de
rechtsbescherming van het ongeboren kind en met wat het wetsartikel beoogt
te realiseren. Gezien de aard van een late abortus (de wet spreekt over
doodslag/moord) is een versoepeling van de rechtsbescherming van het kind
niet gewenst. Alles overwegende zijn de argumenten die aangevoerd worden
niet toereikend om een wettelijke verruiming te rechtvaardigen.

Daarnaast doet het rapport de suggestie het leed van de moeder los
te koppelen van een medische indicatie bij het ongeboren kind en ook alleen
op grond van het leed van de moeder te kunnen aborteren. Ook deze suggestie
is in strijd met de in de wet geregelde rechtsbescherming van het ongeboren
kind. Indien er sprake is van een acute levensbedreigende situatie bij
de moeder kan er op grond van een belangenafweging altijd besloten worden
om het ongeboren kind te aborteren, ten behoeve van het leven van de vrouw.
Het wordt echter problematisch bij niet levensbedreigende situaties, omdat
het verzoek om het kind te aborteren botst met het belang van het ongeboren
kind. Gezien de belangenafweging die gemaakt moet worden, kan dan vaak,
terecht, worden afgezien van een abortus, omdat de rechtsbescherming van
het ongeboren kind zwaarder wordt geacht. Dit houdt niet in dat de situatie
van de moeder wordt genegeerd. Het betekent slechts dat ondanks de kwetsbare
situatie waarin de moeder zich bevindt, deze niet zwaar genoeg weegt om
het doden van het ongeboren leven te legitimeren, zonder dat er ook sprak
is van een foetale medische indicatie. Deze belangenafweging is gezien
de aard van de situatie gerechtvaardigd.

Het evaluatierapport doet ook een aanbeveling om late abortussen toe
te staan wanneer er geen 100% zekerheid bestaat over de diagnose en
prognose van een ziekte bij het ongeboren kind. Het rapport stelt dat
er terughoudendheid heerst onder gynaecoloog-perinatologen (Een gynaecoloog
die gespecialiseerd is in het behandelen en begeleiden van zwangere vrouwen) ten
aanzien van een LZA, omdat er vaak geen 100% zekerheid is over de diagnose
en prognose.
Eén van de zorgvuldigheidseisen bij een categorie 2 situatie is
dat er naar heersend medisch inzicht ‘geen twijfel’ mag bestaan
over de diagnose en de daarop gebaseerde prognose. In het rapport wordt
voorgesteld dat de zorgvuldigheidseis wordt genuanceerd tot bijvoorbeeld ‘de
grootst mogelijke zekerheid’.15

Gezien de rechtsbescherming van het ongeboren kind is de zorgvuldigheidseis
dat er 100% zekerheid moet bestaan over de diagnose en prognose niet onredelijk.
De mogelijkheid dat er levensvatbare ongeboren kinderen geaborteerd kunnen
worden, moet worden uitgesloten. Daarom kunnen een onzekere diagnose en
prognose nooit toereikend zijn om over te gaan tot het aborteren van een
een mogelijk levensvatbaar kind.

5. CONCLUSIE

De rechtsbescherming van het ongeboren kind in Nederland is verankerd
in de Nederlandse wet. Dit gegeven komt echter nauwelijks naar voren wanneer
de abortuskwestie ter sprake komt. De keuze om een abortus uit te voeren
is een belangenafweging van enerzijds de noodsituatie van de vrouw en
anderzijds de rechtsbescherming van het ongeboren kind. Het is daarom
schrikbarend dat er in het evaluatie rapport geen enkele keer gesproken
wordt over de rechtsbescherming van het ongeboren kind. Dit geldt ook
voor de brief van de NVOG aan minister Schippers.

Het is vreemd dat juist nu, wanneer het Nederlandse abortusbeleid meer
dan ooit onder juridische druk staat vanwege haar abortusgrens, er geadviseerd
wordt om de strikte 24 wekengrens los te laten. Het streven om lijden
vanwege handicaps en aandoeningen te voorkomen lijkt in de praktijk steeds
meer op beleid ter voorkoming van de geboorte van mensen met een handicap
of aandoening. In deze queeste wordt weinig rekening gehouden met de rechtsbescherming
van het ongeboren kind.

Abortus is een moeilijk en gevoelig vraagstuk waar geen eenvoudig antwoord
op te vinden is. De keuze waar ouders voor komen te staan is zwaar en
gaat altijd gepaard met verdriet, verschillende emoties en een diepe impact,
vooral als wij beseffen dat het bij de meeste late zwangerschapsafbrekingen
in Nederland gaat om ongeboren kinderen die gewild waren door ouders,
maar om medische redenen zijn geaborteerd. Het zou goed zijn om 30 jaar
na invoering van de ‘Wet afbreking zwangerschap’ weer een
maatschappelijke discussie te hebben in ons land. Niet een eendimensionale
zoals de afgelopen jaren het geval is geweest, maar een constructieve dialoog
waarbij zowel de belangen van de zwangere vrouw als de rechtsbescherming
van het ongeboren kind worden besproken, afgewogen en verdedigd.

NOTEN

1. Evaluatie-Regeling centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking
in een categorie-2 geval en levensbeëindiging bij pasgeborenen, ZonMw, september 2013.

2. Idem p, 13.

3. Kamerstukken II 1978/79, 15 475, nrs. 1-4 , p. 9. (MvT).

4. Kamerstukken II 1978/79, 15 475, p. 32

5. ‘Voorwaarden abortus’ www.rijksoverheid.nl (zoek op: voorwaarden abortus)

6.Duitse baby overleeft geboorte na 21 weken’, Volkskrant 23 april 2011, www.volkskrant.nl (zoek op: baby Frieda).

7. O.a. B. J. Stoll, N. I. Hansen, E. F. Bell, S. Shankaran,

A. R. Laptook, M. C. Walsh, E. C. Hale, N. S. Newman, K. Schibler,
W. A. Carlo, K. A. Kennedy, B. B. Poindexter, N. N. Finer, R. A.
Ehrenkranz, S. Duara, P. J. Sánchez, T. M. O’Shea, R. N.
Goldberg, K. P. Van Meurs, R. G. Faix, D. L. Phelps, I. D. Frantz
III, K. L. Watterberg, S. Saha, A. Das, R. D. Higgins,’ Neonatal
Outcomes of Extremely Preterm Infants From the NICHD Neonatal Research
Network’, Pediatrics 2010 DOI: 10.1542/peds.2009-2959 ; O.a.
K. L. Costeloe, E.M. Hennessy, S. Haider, F. Stacy, N. Marlow, E.
S. Draper,’ Short term outcomes after extreme preterm birth
in England: comparison of two birth cohorts in 1995 and 2006 (the
EPICure studies)’, BMJ 2012, DOI:10.1136/bmj.e7976 ; EXPRESS
Group, ‘One-Year Survival of Extremely Preterm Infants After
Active Perinatal Care in Sweden’, JAMA. 2009; 301(21) :p. 2225-2233.
DOI:10.1001/jama.2009.771.

8. ‘Kabinet niet van plan abortusgrens te verlagen’, 17 februari NCR,

www.ncr.nl (zoek: Rutte abortusgrens).

9. ‘Abortusgrens blijft ongewijzigd’, 19 April 2011, www.rijksoverheid.nl

(zoek: abortusgrens ongewijzigd).

10. Reactie NVOG op discussie abortusgrens’, 22 februari 2011, http://www.nvog.nl

(zoek: reactie NVOG discussie abortusgrens).

11. Late zwangerschapsafbreking: zorgvuldigheid en toetsing, overleggroep

Late Zwangerschapsafbreking, 1998, p.18 e.v. ; LZA: medisch handelen en Late Zwangerschapsafbreking,
NVOG, 2007; Kamerstukken II, 2005/2006, 30300 XVI, nr. 90.

12. Evaluatie-Regeling centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking

in een categorie-2 geval en levensbeëindiging bij pasgeborenen, ZonMw, september 2013, p. 29.

13. Idem, p.18.

14. Idem, p. 14.

15. Idem.

Reacties uitgeschakeld voor Vermist: de rechtsbescherming van het ongeboren kind

Type uw zoekwoord in onderstaand veld. Druk hierna op enter/return om te zoeken