PVH 8e jaargang – 2001 nr. 1, p. 5-10

Door Dr M. de Blois
verbonden aan de Disciplinegroep Rechtstheorie van de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht

De Europese Raad, samengesteld uit de staatshoofden en regeringsleiders
van de lidstaten van de Europese Unie (hierna:EU) en de Voorzitter van
de Commissie, heeft zich tijdens een bijeenkomst in het Franse Biarritz
op 1 4 oktober 2000, in principe akkoord verklaard met de tekst van
een Handvest van de Grondrechten van de EU (hierna: Handvest).1
Het Handvest is tijdens de Europese top in Nice (7-9 december 2000)
door de Raad, het Europees Parlement en de Commissie gezamenlijk geproclameerd.

Het Handvest is een nieuwe loot aan de reeds wijdvertakte stam van verklaringen
en verdragen op het gebied van de rechten van de mens (oftewel grondrechten).2 Het
is een tekst met een tamelijk unieke ontstaansgeschiedenis. Op initiatief
van de Europese Raad heeft een speciaal samengestelde Conventie de tekst
opgesteld. Deze Conventie bestond uit vertegenwoordigers van de vijftien
staatshoofden en regeringsleiders, dertig leden van nationale parlementen,
zestien leden van het Europees Parlement en een vertegenwoordiger van
de Europese Commissie, terwijl het Hof van Justitie en de Raad van Europa
als waarnemers fungeerden. De tekst geeft dus de visie van invloedrijke
personen en instellingen weer en is alleen daarom al van grote betekenis.
Het Handvest onderstreept het belang dat de Europese Unie hecht aan
de rechten van de mens. Opnieuw is heel duidelijk dat de tijd dat de
integratie tussen de vijftien lidstaten van de EU zich allang niet meer
alleen afspeelt op het terrein van het sociaal-economische leven.3 Het
Handvest kan wellicht zelfs gezien worden als opmaat naar een Europese
constitutie.

JURIDISCHE STATUS EN OPZET

De beslissing over de juridische status van het Handvest is in Nice opnieuw
vooruitgeschoven. Vooralsnog gaat het om een plechtige politieke
verklaring, die nog niet als een formeel juridisch bindende tekst beschouwd
kan worden. Dat neemt niet weg dat het zonder twijfel een
belangrijk gezaghebbend document zal zijn, dat zijn repercussies
heeft voor de interpretatie van het geldende recht. Ook de Nederlandse
Raad van State, die blijkens een advies aan de regering gekant
is tegen een toekennen van een juridisch bindend karakter aan de tekst,
vermoedt dat het Handvest desondanks ‘geleidelijk als rechtsbron
betekenis krijgt.’ 4 Het Handvest bestaat uit zeven hoofdstukken.

Het eerste draagt als titel ‘Waardigheid’. Hierin zijn de bescherming van
de menselijke waardigheid, het recht op leven, het recht op de menselijke
integriteit, het verbod van foltering en aanverwante behandelingen of
bestraffingen en het verbod van slavernij en dwangarbeid opgenomen.

Het tweede hoofdstuk is getiteld ‘Vrijheden’, waaronder een groot aantal
vrijheidsrechten is geschaard, zoals bijvoorbeeld het recht op de eerbiediging van het
privé-leven, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en de vrijheid
van meningsuiting.

Het derde hoofdstuk, ‘Gelijkheid’, bevat naast een algemeen discriminatieverbod ook
bepalingen inzake de rechten van kinderen, ouderen en gehandicapten.
Het vierde hoofdstukhandelt over ‘Solidariteit’. Dat omvat de zogenaamde
sociale mensenrechten, zoals het recht op goede arbeidsomstandigheden
en het recht op toegang tot medische zorg van een zodanige
kwaliteit dat een hoog niveau van bescherming van de gezondheidszorg
is gewaarborgd.

Hoofdstuk vijf bestaat uit een aantal artikelen met betrekking tot ‘Burgerschap’.

De bepalingen uit het zesde hoofdstuk beogen een behoorlijke ‘Rechtspleging’ te garanderen.

Het slothoofdstuk bevat enkele ‘Algemene bepalingen’.

Belangrijk in dat verband is de bepaling dat beperkingen op de
in het Handvest opgenomen rechten en vrijheden de wezenlijke inhoud
hiervan moeten eerbiedigen en ook dat met inachtneming van het
evenredigheidsbeginsel alleen beperkingen toegepast worden die
noodzakelijk zijn in het algemeen belang of ter bescherming van
de rechten en vrijheden van anderen. Verder wordt bepaald dat het
Handvest niet zo mag worden geïnterpreteerd dat het een inbreuk
maakt op de rechten die in andere rechtsinstrumenten op het
gebied van grondrechten erkend worden. Wel kan de door het
Handvest geboden bescherming verder gaan dan die welke in andere
bronnen gegarandeerd wordt.

PROBLEEMSTELLING

Het is niet mijn doel het Handvest hier integraal te bespreken.
Ik zal mij beperken tot een aantal opmerkingen over enkele artikelen,
die van belang zijn voor de medische ethiek en het gezondheidsrecht.
Daarbij ga ik uit van het perspectief van de integrale bescherming
van het menselijk leven. De vraag die in dat verband aan
de orde komt is of het Handvest in dit opzicht iets toevoegt aan
de bestaande normen op het gebied van de rechten van de mens. In
de eerste plaatsga ik in op het beginsel van de menselijke waardigheid dat
een prominente plaats inneemt in de tekst.

DE MENSELIJKE WAARDIGHEID

Reeds in de preambule van het Handvest wordt verwezen naar de menselijke
waardigheid die, samen met vrijheid, gelijkheid en solidariteit,
deel uitmaakt van de ondeelbare en universele waarden die
de grondslag van de Unie vormen. Vervolgens is, zoals we
reeds zagen, een apart hoofdstuk van het Handvest, het eerste, gewijd aan de menselijke
waardigheid. Dat hoofdstuk staat naast een hoofdstuk over ‘Vrijheid’.
Daaruit blijkt dat volgens de opstellers ‘Waardigheid’ en ‘Vrijheid’ te
onderscheiden en niet zonder meer tot elkaar herleidbare
concepten zijn. Juist in verband met medisch-ethische en
gezondheidsrechtelijke vragen kan dat tot interessante perspectieven
leiden. Dat wordt duidelijk wanneer wij nader ingaan op het eerste artikel
van het Handvest. Daarin wordt expliciet vastgelegd dat de menselijke
waardigheid onschendbaar is en dat deze moet worden beschermd
en geëerbiedigd.
Deze bepaling kent geen parallel in de Nederlandse rechtsorde
en evenmin in de Europese verdragen. De tekst is vrijwel
woordelijk gelijk aan art 1 lid 1 van het Duitse Grundgesetz.5
We kunnen hier de invloed van onder anderen de eerste voorzitter van
de Conventie, de voormalige Duitse Bondspresident Herzog,
vermoeden. We vinden de verwijzing naar de menselijke waardigheid overigens wel
in de preambules van een aantal belangrijke VN-mensenrechtenverdragen.6
De menselijke waardigheid is een belangrijk rechtsbeginsel
dat iets zegt over de uiteindelijke grond voor de erkenning
van rechten van de mens. Het beginsel kan bogen op een eerbiedwaardige
geschiedenis.7 Volgens sommigen is de menselijke waardigheid voor een ieder evident;
het is voor hen de uitdrukking ‘van een oorspronkelijke en autonome ethische ervaring.’ 8
Voor anderen is het de verwoording van de erkenning van de mens
als schepsel, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis,
het uitgangspunt van de joods-christelijke moraal.9 De
menselijke waardigheid begrepen in het licht van zijn historische,
godsdienstige en filosofische wortels duidt erop dat de mens respect verdient, omdat zijn
bestaan als zodanig zin heeft, zelfs wanneer die mens daar
zelf niet van overtuigd is. De menselijke waardigheid verwijst naar de
plaats van de mens in de scheppingsorde.10 Dit
recht vaardigt ook de unieke plaats van de mens ten opzichte
van andere schepselen.
Alleen aan de mens komt deze waardigheid toe. Niet voor niets
is nog steeds impliciet aan elke rechtsorde het gegeven dat aan mensen
een ( veel) hogere beschermwaardigheid toekomt dan aan bijvoorbeeld
de dieren. Wie een mens doodt is in het algemeen schuldig aan
een ernstig misdrijf. Wie een dier doodt zonder daarbij wreedheid
toe te passen, maakt zich in het algemeen niet schuldig aan een delict,
of het moest gaan om speciale voorschriften betreffende wederrechtelijke
zaaksbeschadiging, natuurbescherming of voedselbereiding.
De unieke waarde van elke menselijke persoon, de fundamentele gelijkwaardigheid
van alle mensen en de verantwoordelijkheid van mensen worden
uit de menselijke waardigheid afgeleid. Deze visie op de
unieke waarde van de mens heeft een belangrijke rol gespeeld bij het tot
stand brengen van art 1 van het Grundgesetz, dat dan ook
gelezen moet worden als reactie op de gruwelijke ervaringen
in de nazi-tijd.
Hierbij moet wel aangetekend worden dat er tegenwoordig stromingen
in de ethiek zijn die de unieke waarde van de menselijke
persoon ten opzichte van andere schepselen sterk relativeren.
Te denken valt hier bijvoorbeeld aan ethici als Kuhse en Singer, die
geen bezwaar hebben tegen experimenten met embryo’s die geen
pijn of plezier kunnen ervaren, terwijl zij protesteren tegen
het gebruiken van proefdieren.10

Voor de medische ethiek en het gezondheidsrecht lijkt mij
van fundamentele betekenis dat de menselijke waardigheid
en niet de individuele zelfbeschikking vooropstaat in een
opsomming van mensenrechten.12
Laatstgenoemd beginsel wordt bijvoorbeeld door Leenen gehanteerd
als kernbeginsel van de mensenrechten in het algemeen en
van de rechten van mensen in de gezondheidszorg in het bijzonder.13 Vanuit
dit beginsel ligt de erkenning van rechten op (hulp bij)
suïcide en euthanasie voor de hand. Ook de beschermwaardigheid van
degenen die nog niet, niet of niet meer tot zelfbeschikking
in staat zijn, zoals ongeborenen, gehandicapten of demente
bejaarden, wordt dubieus wanneer het recht op zelfbeschikking
het centrale beginsel is. Op grond van het beginsel van de menselijke
waardigheid kan daarentegen beredeneerd worden dat aan de
mens bescherming toekomt, ongeacht zijn mentale of lichamelijke capaciteiten
en ook ongeacht zijn subjectieve mening of gevoelens op
een bepaald moment.
In de rechtstoepassing zijn ook aanwijzingen te vinden dat
de hierboven kort aangegeven uitleg van het beginsel van
de menselijke waardigheid voor het gezondheidsrecht van betekenis
is. Ik denk in dit verband aan de rechtspraak van onder andere het Duitse Bundesverfassunsgericht met
betrekking tot het eerder genoemde artikel 1 van het Grundgesetz.
Het Hof heeft deze bepaling gebruikt om het pleit tussen
concurrerende grondrechten te beslechten. Zo viel in een
beslissing uit 1975 de afweging tussen het recht op zelfbeschikking van de vrouw
en het recht op leven van haar ongeboren kind ten gunste
van het laatstgenoemde uit met een beroep op de menselijke waardigheid.
De ontplooiingsmogelijkheden van de vrouw worden door het uitdragen van
de zwangerschap weliswaar beperkt, maar daar staat tegenover dat het ongeboren
leven door de ingreep vernietigd wordt.14
In andere situaties hebben rechters in de Bondsrepubliek
duidelijk gemaakt dat het bij de menselijke waardigheid gaat
om een objectieve waarde, die gehandhaafd en beschermd moet
worden, ook al zou de betrokkene daarvan afzien. Zo werd
het optreden in een erotische peepshow als strijdig met de menselijke waardigheid
geoordeeld, ook al had de betrokken vrouw zich daarvoor vrijwillig
beschikbaar gesteld.15 In een uitspraak van het Verwaltungsgericht
Karlsruhe werd politieoptreden ter verhindering van actieve
hulp bij levensbeëindiging rechtmatig geoordeeld. Ook in dat
verband werd verwezen naar de menselijke waardigheid: ‘Wo
menschliches Leben existiert, kommt ihm auch Menschenwürde
zu; es ist nicht entscheidend, ob der Träger sich dieser Würde
bewusst ist und sie selbst zu wahren weiss. Die von Anfang
an im menschlichen Sein angelegeten potenziellen Pühigkeiten genügen, um
die Menschenwürde zu begründen. (. . .) dass die umfassende
Schutzpflicht des Staatesfür das menschliche Leben nicht davon
anhängen kann, ob derjenige, um dessen Leben es geht, diesen
Schutz will oder ob überhaupt ein Grundrechtsträger vorhanden
ist. Das bedeutet aber zugleich, dass das Grundgesetz auch über
das eigene Leben kein Verfügungsrecht gewährt and es
deshalb auch kein verfassungsrechtlich verbürgten Anspruch
auf “aktive Sterbehilfe” durch Dritte geben kann.’ 16

In de Duitse literatuur wordt in dezelfde lijn gesteld dat het
mogelijk maken van doden op verzoek iemand tot ‘Verfügungsobjekt’ van
een ander maakt, waarmee de waardigheid van te doden persoon
wordt aangetast.17
Het lijkt mij toe dat een soortgelijke uitleg van de menselijke
waardigheid te vinden is in Aanbeveling 1418 (1999) van
de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa inzake
de bescherming van de mensenrechten en de waardigheid van
terminaal zieke patiënten en stervenden.18 Hierin
wordt immers vanuit het beginsel van de menselijke waardigheid
gepleit voor het handhaven van het verbod van
het opzettelijk doden van terminale patiënten of stervenden.
Mijn conclusie uit het voorgaande is dat er in de eerste
bepaling van het Handvest belangrijke aanknopingspunten zitten
voor een benadering van de medische ethiek en het gezondheidsrecht,
die de integrale bescherming van het menselijk leven vooropstelt.
Daardoor kan deze bepaling een waardevolle aanvulling betekenen
op de bestaande instrumenten op het gebied van de mensenrechten.
Het is de vraag of dat ook voor het tweede artikel geldt.

RECHT OP LEVEN

Artikel 2 van het Handvest stelt in het eerste lid dat een ieder recht op leven
heeft. Daarmee wordt herhaald wat reeds in andere mensenrechtenverdragen
is vastgelegd.19 Vanzelfsprekend zou moeten zijn dat onder ‘een
ieder’ de mens vanaf zijn prille levensbegin tot zijn natuurlijke
dood begrepen wordt. Helaas moet worden vastgesteld dat de hier bedoelde
verdragen in de heersende rechtspraktijk niet worden uitgelegd als
waarborgen voor het leven van de ongeborene, hoewel dat wel zou kunnen
en ook moeten.20 Het is daarom begrijpelijk dat de Europarlementariër,
mr. R. van Dam (SGP/RPF/GPV), aan de Conventie heeft voorgesteld
de tekst van artikel 2 lid 1 aan te vullen met de volgende tekst: ‘Dit
recht wordt beschermd vanaf de conceptie tot de natuurlijke dood.’ Een
dergelijke verduidelijking zou zeer op zijn plaats zijn geweest,
nu vrijwel overal in Europa de bescherming van het menselijke leven
niet alleen aan het begin, maar ook aan het einde van zijn ontwikkeling
bedreigd wordt. Het voorstel van Van Dam heeft het niet gehaald.
Toch zullen we niet moeten nalaten er op te wijzen dat ook zonder
de voorgestelde toevoeging het recht op leven zich uitstrekt vanaf
de conceptie tot het natuurlijke einde. In dat verband verwijs ik
allereerst naar wat hier voor is gezegd over de menselijke waardigheid.
Art 2 van het Handvest zal toch in samenhang met art 1 moeten worden
uitgelegd!
Verder is het goed in verband met de bescherming van het leven van
ongeboren kinderen nog eens te herinneren aan de preambule van het
Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989) waarin sprake is van
wettelijke bescherming van het kind zowel voor als na zijn geboorte.21
Dat biedt perspectief voor een uitleg van het recht op leven in samenhang
met art 24 van het Handvest dat in lid 1 bepaalt dat kinderen recht
hebben op de bescherming en zorg die nodig zijn voor hun welzijn.
Om welzijn te kunnen genieten moeten ze er wel (mogen) zijn! Dat
impliceert dat zij voor hun geboorte beschermd worden.Verder zou
nog gedacht kunnen worden aan art 26 van het Handvest dat tot integratie
van personen met een handicap verplicht. Een heel belangrijk uitgangspunt,
dat een argument oplevert tegen de rechtvaardiging van de abortus
provocatus op grond van de handicap van het ongeboren kind.
Met betrekking tot de problematiek van de euthanasie zou een relatie
gelegd kunnen worden tussen het recht op leven en art 26 van het
Handvest dat stelt dat de Unie het recht van ouderen om een waardig
leven te leiden erkent en eerbiedigt. Dat wijst in samenhang met
art 35, dat spreekt van een recht op medische zorg en een hoog niveau
van bescherming van menselijke gezondheid, in de richting van optimale
zorg van de mens in het laatste levensstadium. Deze bepalingen nopen
onder andere tot een sterke nadruk in het overheidsbeleid op de ontwikkeling
van palliatieve zorg.
Intentioneel doden komt echter in strijd met de waardigheid van de
patiënt, zoals reeds betoogd is in het voorgaande. Bovendien
kan nog eens verwezen worden naar de al eerder genoemde Aanbeveling
1418 (1999) van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa,
die een lans breekt voor palliatieve zorg en tegelijkertijd het verbod
van het opzettelijk doden van zieke en stervende medemensen onderstreept.
Respect voor de waardigheid van de ouder wordende mens ook in de
laatste levensfase heeft verder alles te maken met het recht op de
menselijke integriteit, waar het derde artikel van het Handvest over
spreekt.

RECHT OP DE MENSELIJKE INTEGRITEIT

Aldus luidt de titel van artikel 3. In lid 1 wordt gespecificeerd dat
een ieder recht heeft lichamelijke en geestelijke integriteit.
Dit recht is hecht verankerd in het internationale recht inzake de
rechten van de mens.22
Het is op zich belangrijk dat deze algemene notie
in lid 2 wordt uitgewerkt voor de geneeskunde en de biologie.
Die uitwerking omvat vier punten, maar deze zijn niet limitatief
bedoeld.
Toch zal de opsomming een belangrijke indicatie gaan vormen
voor wat onder respect voor de lichamelijke en geestelijke
integriteit verstaan moet worden. Juist daarom is het jammer
dat de tekst van het Handvest op een aantal punten teleurstelt.

Het eerste punt verwoordt het beginsel van de vrije en geïnformeerde
toestemming van betrokkenen. Ik neem aan dat het gaat om
betrokkenen bij medische behandelingen of wetenschappelijke
onderzoeken. Waarschijnlijk moeten we dit lezen als mede omvattend een verbod van onvrijwillige
medische en wetenschappelijke experimenten, zoals dat voorkomt
in art 7 IVBPR-verdrag.

In de tweede plaats bevat de tekst een verbod van eugenetische
praktijken, met name die welke de selectie van personen tot doel
hebben. Een uiterst belangrijke bepaling, die niet alleen verwijst
naar een gruwelijk Europees verleden, maar ook van belang is voor
de hedendaagse praktijk, waar immers de mogelijkheden van de genetica
in een wervelend tempo worden uitgebreid. Helaas zullen we hieronder
zien dat in het Handvest de deur naar de eugenetica niet hermetisch
gesloten blijft.

Het derde punt is een verbod om het menselijk
lichaam en de bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel
voordeel aan te wenden. Op het eerste gehoor zou dit tussen twee
haakjes een verbod van alle vormen van prostitutie inhouden. Ik
vrees dat dat niet de bedoeling is geweest. Waarschijnlijk zal
de bepaling zien op instrumenteel gebruik in de biomedische sfeer.
Commercialisering is natuurlijk uit den boze. De beperking hiertoe
is echter te betreuren. Ook niet-commercieel instrumenteel gebruik
van het menselijk lichaam en onderdelen daarvan zou verboden moeten
zijn. Om een voorbeeld te noemen: ook draagmoederschap uit idealisme
of als vriendinnendienst lijkt mij verwerpelijk, aangezien daarmee
de ontwikkeling van het kind losgemaakt wordt van het in de scheppingsorde
verankerde kader voor de voortplanting.

Het vierde gedachtestreepje in art 3 staat voor het verbod
van het reproductief klonen van mensen. Dit gaat de opstellers
van het Handvest gelukkig nog te ver. De explicitering van
het verbod lijkt mij overigens in het huidige tijdsgewricht
van essentieel belang, nu de ethische posities op het terrein van de biotechnologie
voortdurend opschuiven. Het moet overigens ernstig betreurd
worden dat niet de oorspronkelijke versie van deze bepaling
is blijven bestaan, waarin het adjectief ‘reproductief’ niet was
opgenomen. Een amendement van Van Dam om dit woord weg te
laten is helaas niet aanvaard. Helaas, omdat ook tegen het
niet-reproductief kloneren ernstige bezwaren bestaan. Wanneer met
uitgaat van de volledige beschermwaardigheid van het menselijk embryo vanaf
de conceptie, dan moet het ‘tot stand brengen’ van
embryo’s met oog op allerlei therapeutische doeleinden worden afgewezen.
Datzelfde geldt voor het ‘tot stand brengen’ van embryo’s
met oog op de selectie van embryo’s in het kader van preïmplantatie
diagnostiek. Hierbij worden de ‘beste’ embryo’s
geselecteerd opdat zij zich verder ontwikkelen in de baarmoeder.
Niet geschikt bevonden embryo’s komen nooit tot die ontwikkeling.
Terecht wordt in dit verband gesproken van een eugenetische
tendens.23 In termen van het Handvest: hier gaat het om eugenetische praktijken
die de selectie van personen tot doel hebben.
Het is zeer te betreuren dat wat het Handvest met één hand aan bescherming
geeft (het tweede streepje) met de andere hand (het vierde
streepje) weer wordt prijsgegeven.

SLOTOPMERKINGEN

Tot zover slechts een paar opmerkingen over de relevantie van het
Handvest voor vraagstukken van medische ethiek en gezondheidsrecht.Voor
een integrale bescherming van het recht op leven, vanaf het prille begin tot
zijn natuurlijke einde, biedt het Handvest zeker positieve aanknopingspunten.
Die zijn er met name vanwege de centrale betekenis van het beginsel van de
menselijke waardigheid. Op het punt van het recht op leven had de tekst echter
duidelijker gekund, terwijl de uitwerking van het recht op de menselijke integriteit
ronduit teleurstelt.
We moeten afwachten welke rol het Handvest in de dagelijkse praktijk
van de medicus en de jurist gaat spelen.

NOTEN

1. Zie voor de tekst Europa van Morgen,
30e jaargang, nummer 14, 18 oktober 2000 (Bijlage).
2. Gemakshalve gebruik ik hier de termen rechten
van de mens, mensenrechten en grondrechten door elkaar.
3. De huidige EU-lidstaten zijn Frankrijk,
de Duitse Bondsrepubliek, Italië, België, Luxemburg,
Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Ierland, Griekenland,
Spanje, Portugal, Zweden, Finland en Oostenrijk.
4. Zie Europa van Morgen, 30e jaargang,
nummer 14, 18 oktober 2000, p. 248.
5. ‘Die Würde des Menschen is unantasbar. Sie zu achten und schützen
ist Verpflichtung aller staatlichen Gewalt.’
6. Zie bijvoorbeeld het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten
en Politieke Rechten (1966) (hierna: IVBPR) en het Internationale
Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (1966).
7. Zie bijvoorbeeld Ernst Bloch, Naturrecht und menschliche Würde,
Frankfurt am Main 1972; Alfred Verdross, La dignité; de
la personne humaine base des Droits de l’Homme, Österreichisches
Zeitschrift für öffentliches Recht und Völkerrecht
31, 271-277 (1980).
8. D.F. Scheltens, Het prejuridische subjectieve recht als fundamenteel
rechtsbeginsel, in: G.J. Scholten, D.E Scheltens en H.J. van
Eikema Hommes, Rechtsbeginselen, Zwolle 1980, pp. 15-31.
9. Zie bijvoorbeeld Johannes Messner, Die Idee der Menschenwürde
im Rechtssaat der pluralistische Gesellschaft, in: Gerhard
Leibholz (Hrsg.), Menschenwürde und freiheitliche Rechtsordnung,
Festschrift für Willy Geiger zum 65. Geburtstag, Tübingen
1974, pp. 221-241.
10. Zie bijvoorbeeld Jacques Maritain, Les Droits de l’Homme
et la Loi Naturelle, New York 1942, m.n. pp. 16-17.
11. Helga Kuhse en Peter Singer, Individuals, humans and persons: The
issue of moral status, in: Embryo experimentation (Ed. Peter
Singer e.a.), Cambridge etc., 1990, pp. 65-75.
12. Zie veel uitgebreider Matthijs de Blois, Self—Determination
or Human Dignity; The Core Principle of Human Rights, in:
Mielle Bulterman, Aart Hendriks en Jacqueline Smith (eds),
To Baehr in Our Minds. Essays on Human Rights from the Heart
of the Netherlands, SIM Special No. 21, Utrecht, 1998, p.
523-539.
13. H.J.J. Leenen, Handboek gezondheidsrecht, Deel 1, Rechten van mensen
in de gezondheidszorg, Alphen aan den Rijn 1994, p. 59.
14. Uitspraak van 25 februari 1975, opgenomen in: Rolf Lamprecht en Robert
Malanowski, Richter machen Politik, Frankfurt am Main 1979,
pp. 186-238, op p. 197.
15. Zie Bundesverwaltungsgericht 15 december 1981, Neue Juristische
Wochenschrift 1982, p. 664-665, op p. 665.
16. Verwaltungsgericht Karlsruhe 11 december 1987, Neue Juristische Wochenschrift,
p. 1536-1539, op p. 1537. Daarnaast kan ook nog de uitspraak
van het Verwaltungsgericht Neustadt genoemd worden, dat met
een verwijzing naar art 1 Grundgesetz het zogenaamde dwergwerpen,
waarbij een lilliputter zich vrijwillig laat wegwerpen, in
strijd met de menselijke waardigheid werd geoordeeld. De beslissing
van 21 mei 1992 is opgenomen in het Neue Zeitschrift für
Verwaltungsrecht, No. 1, 1993, pp. 98-100.
17. Heiner Wilms enYork Jäger, Menschenwürde und Tötung
auf Verlangen, Zeitschrift für Rechtspolitik, 1988, pp. 41-46, op p. 44.
18. Zie voor een de volledige tekst: http://stars.coe.fr/ta/ta99/EREC1418.htm.
Deze link blijkt niet te werken. Zie echter
ook http://staging.njb.nl/NJB/mem/archief/art70130.html,
alsmede de opinie van ‘Mr.dr.drs M.A.J.M. Buijsen’
daarover, zijdelings met deze problematiek verwant.
19. Zie bijvoorbeeld art 2 Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) en art 6 Internationaal Verdrag
inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).
20. Zie bijvoorbeeld Pieter Willem Smits, The Rights of the Unborn
Child in international documents, decisions and opinions,
Diss, Leiden, 1992.
21. Zie hierover mijn bijdrage in het Mededelingenblad van de Juristenvereniging
Pro Vita van november 1989, pp. 7-10.
22. Zie hierover o.a. Matthijs de Blois, Het recht op de persoonlijke
integriteit in het internationale recht, Diss. Leiden 1989,
Haarlem 1989.
23. Zie H. Jochemsen (red.),Toetsen en begrenzen. Een ethische en
politieke beoordeling van de moderne biotechnologie, Amsterdam 2000, p. 192.