admin

Ruim 21.000 Nederlanders zijn tegen wetsvoorstel abortuspil bij de huisarts

Gouda 6 september 2018, persbericht VBOK   Op donderdagmorgen 6 september bood de VBOK, namens 21.287 Nederlanders, de Tweede Kamer een petitie aan tegen het initiatiefwetsvoorstel van GroenLinks en PvdA…

Gouda 6 september 2018, persbericht VBOK

 

Op donderdagmorgen 6 september bood de VBOK, namens 21.287 Nederlanders, de Tweede Kamer een petitie aan tegen het initiatiefwetsvoorstel van GroenLinks en PvdA om de abortuspil door de huisarts te laten voorschrijven. Nu kan de abortuspil alleen door abortusartsen worden voorgeschreven. De petitie tegen het wetsvoorstel wordt ook ondersteund door dertien organisaties, zoals Juristenvereniging Provita, Platform Zorg voor Leven, het Prof. Dr. G.A. Lindeboom Instituut, diverse huisartsen en zorgprofessionals.

 

Snelheid gaat ten koste van zorgvuldigheid

GroenLinks en de PvdA beogen met het wetsvoorstel snellere, toegankelijkere zorg te leveren aan vrouwen die voor abortus willen kiezen. Ondersteuners van de petitie ‘De abortuspil NIET bij de huisarts – vrouw en kind verdienen beter’ zijn kritisch op het wetsvoorstel. Vanwege het belang van een zorgvuldige keuze en de psychosociale gevolgen die abortus met zich mee kan brengen, zijn ze tegen een laagdrempelige toegang tot abortus. Arthur Alderliesten, directeur VBOK: “De keuze voor het afbreken of uitdragen van een zwangerschap is voor een vrouw en haar ongeboren kind onherstelbaar. Ook ervaren vrouwen vaak de werking van de abortuspil als heftig. Dit vraagt passende begeleiding bij het keuzeproces en nazorg. En dat kost tijd. Een vrouw heeft dan ook recht op gespecialiseerde begeleiding bij het nemen van haar beslissing en kennis over al haar opties: abortus, het zelf opvoeden van het kind, maar ook adoptie of pleegzorg.”

Beschikbare tijd huisarts

De petitie stelt dat huisartsen momenteel onvoldoende tijd hebben om vrouwen bij een onbedoelde zwangerschap goed te begeleiden. Huisartsen en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) geven namelijk aan dat ze willen naar minder patiënten en meer tijd per patiënt. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat huisartsen, voor vijf op de zes onbedoeld zwangere vrouwen, alleen een doorverwijzing gaf naar de abortuskliniek en geen informatie verschafte over alternatieven voor abortus. Mede gezien de waarschuwingen over tijdsdruk pleiten de ondertekenaars er voor de abortuspil niet via de huisarts te laten verstrekken.

Duidelijk signaal

Alderliesten drukte de Tweede Kamerleden op het hart: “Dit is een duidelijk signaal aan de leden van de Tweede Kamer dat er veel mensen zijn die een onbedoeld zwangere vrouw en het ongeboren leven de ruimte en tijd gunnen voor het maken van een weloverwogen keuze.”

VBOK

De VBOK zet zich al sinds 1971 in om het maatschappelijk draagvlak voor bescherming van het ongeboren menselijk leven te vergroten. De petitie is op initiatief van de VBOK gestart op 6 maart 2018 en sindsdien door 21.287 mensen ondertekend.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Ruim 21.000 Nederlanders zijn tegen wetsvoorstel abortuspil bij de huisarts

Levenseindekliniek past werkwijze aan

Nederlands Dagblad,  5 september 2018 Auteur:  Aaldert van Soest: Redacteur ND binnenland.  Van Soest studeerde geschiedenis en theologie, en  is gespecialiseerd in zorg en medische ethiek.   De Levenseindekliniek is…

Nederlands Dagblad,  5 september 2018

Auteur:  Aaldert van Soest: Redacteur ND binnenland.  Van Soest studeerde geschiedenis en theologie, en  is gespecialiseerd in zorg en medische ethiek.

 

De Levenseindekliniek is op de vingers getikt voor twee gevallen van euthanasie bij psychiatrische patiënten. De kliniek gaat haar werkwijze bij dergelijke zaken daarom aanpassen.

Den Haag

De Regionale Toetsingscommissies ­Euthanasie (RTE’s) publiceerden dinsdag drie nieuwe oordelen in psychiatrische casussen. De commissies willen zo meer duidelijkheid scheppen over de ‘grote behoedzaamheid’ die volgens de richtlijnen is vereist bij euthanasie in de psychiatrie. In twee van de gepubliceerde zaken – beide uitgevoerd door de Levenseindekliniek – had de arts niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.

De eerste casus betrof een vijftiger die leed aan een autistische stoornis en psychotisch was. Alles was hem te veel: van het daglicht bij het ontwaken tot alle verdere handelingen die hij op een dag moest doen. Omdat zijn huisarts niet wilde meewerken aan euthanasie, kwam hij terecht bij een arts van de Levenseindekliniek. Die raadpleegde een onafhankelijke psychiater, maar deze consulent vond niet dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan. Er zou voor de patiënt nog beduidend meer te bereiken zijn als hij hulp zou aanvaarden. De arts van de Leveneindekliniek was het niet eens met die visie en gaf de man toch euthanasie. De toetsingscommissies vinden dat hij daarin te snel was. Hij had op zijn minst nog een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen.

weigering

In de tweede zaak werd euthanasie gegeven aan een man tussen de 70 en 80 jaar oud. Hij leed aan chronische paranoïde schizofrenie. Hoewel hij al lange tijd behandeld was, zag zowel zijn huisarts als een onafhankelijk psychiater nog mogelijkheden voor nieuwe therapieën om zijn lijden te verlichten. De man wilde die niet meer. Volgens de toetsingscommissies legde de arts van de Levenseindekliniek zich te makkelijk neer bij de weigering van de patiënt.

brandbrief

De gepubliceerde oordelen zijn een nieuw hoofdstuk in de discussie over euthanasie bij psychiatrische patiënten. Eind 2017 schreven psychiaters Bram Bakker en Esther van Fenema een brandbrief over het oprekken van de grenzen. ‘Om in aanmerking te komen voor euthanasie, moeten alle behandelstappen zijn doorlopen’, zei Van Fenema destijds in deze krant. ‘Wij komen steeds vaker tot de conclusie dat dit niet is gebeurd bij psychiatrische patiënten die euthanasie krijgen.’ Ook andere prominente psychiaters, zoals de hoogleraren Frank Koerselman en Jim van Os, lieten zich kritisch uit over de veranderende praktijk.

De Levenseindekliniek is overtuigd van het ondraaglijke en uitzichtloze lijden van de twee patiënten, maar erkent dat de procedure zorgvuldiger had gekund. ‘Uit piëteit met de patiënten zijn onze teams soms terughoudend om hen nogmaals aan een onderzoek van een onbekende arts bloot te stellen’, zegt directeur Steven Pleiter. Hij kondigde aanvullende maatregelen aan. Er is voor complexe zaken, zoals euthanasie in de psychiatrie en bij gevorderde dementie, een extra beslismoment ingebouwd. Een team met een psychiater, een ethicus en een jurist gaat kijken naar deze zaken. Pas na een positief oordeel van dit team mag de arts tot euthanasie overgaan.

In de zes jaar dat de Levenseindekliniek bestaat, is ze tien keer door de toetsingscommissies op de vingers getikt omdat een zaak niet aan de zorgvuldigheidseisen voldeed. Volgens een woordvoerder is dat 0,4 procent van het totale aantal euthanasieverzoeken dat de kliniek heeft ingewilligd. <

 

Reacties uitgeschakeld voor Levenseindekliniek past werkwijze aan

Onbeperkt vruchtbaar

Nederlands Dagblad, 13 juni 2018, BOEKBESPREKING, door Arthur Alderliesten Boek “Onbeperkt vruchtbaar”: auteur Larissa Pans. Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam. 240 blz. € 19,99   Het boek Onbeperkt Vruchtbaar gaat…

Nederlands Dagblad, 13 juni 2018, BOEKBESPREKING, door Arthur Alderliesten

Boek “Onbeperkt vruchtbaar”: auteur Larissa Pans. Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam. 240 blz. € 19,99

 

Het boek Onbeperkt Vruchtbaar gaat over de mogelijkheden en de dilemma’s die opgerekte vruchtbaarheid met zich meebrengt en nodigt uit tot gesprek.

Op achtendertigjarige leeftijd vond journalist Larissa Pans zichzelf met een dikke buik al een oude moeder. Tot haar fascinatie zag ze in het ziekenhuis echter nog veel oudere zwangere vrouwen rondlopen. Haar gynaecoloog vertelde over vruchtbaarheidstoerisme. Daarover wilde ze meer weten.

Pans verdiepte zich in het onderwerp en voerde gesprekken met gynaecologen, fertiliteitsartsen, ethici, oude moeders en politici. Het resultaat is een informatief boek van ruim tweehonderd pagina’s. De vruchtbaarheidsindustrie begon met ivf, die deze zomer veertig jaar bestaat. Vrouwen stellen het krijgen van een kind uit, maar dat pakt niet altijd goed uit. De kwaliteit van eicellen neemt af wanneer vrouwen ouder dan dertig zijn. Zwangerschappen op hogere leeftijd hebben meer risico op complicaties, miskramen en vroeggeboortes.

Laat moederschap is een proces. Vrouwen die niet op een natuurlijke manier zwanger kunnen of willen worden, kunnen tot hun vijftigste gebruikmaken van een ivf-behandeling. Als je eicellen tenminste goed genoeg zijn. Zo niet, dan kun je een donor zoeken in je directe omgeving. Lukt dat niet, dan kun je in het buitenland eicellen kopen. Deze laat je vervolgens met het zaad van je partner bevruchten. Heb je geen partner, dan kun je een bevruchte eicel kopen. Een embryo dus. Voor deze handel kun je terecht in Griekenland, Spanje of Oekraïne. Het brengt de schrijver tot de verbijsterende conclusie dat vruchtbaarheidstechnologieën zijn verworden tot commerciële handel.

Stel moederschap als het even kan niet uit, gaf Pans onlangs aan in een interview met BNR Nieuwsradio. Laat moederschap is niet zozeer een feministische verworvenheid, al geeft uitstel wat meer keuzevrijheid. Voor vroeger moederschap is een mentaliteitsverandering, een cultuuromslag nodig, bepleit ze.

Gaandeweg de totstandkoming van het boek kwamen de belangen van het (ongeboren) kind scherper op Pans’ netvlies te staan. De situatie van een kind dat voortkomt uit (anonieme) donatie, is enigszins te vergelijken met adoptie. Kinderen zijn daardoor onzeker over hun afstamming, met alle gevolgen voor hun identiteitsgevoel. Met Onbeperkt vruchtbaar heeft Larissa Pans het maatschappelijk gesprek een noodzakelijk zetje gegeven. Dit gesprek moet verder en roept verdiepingsvragen op. Hoe kunnen de rechten van het (ongeboren) kind worden geborgd? Wat zijn die rechten? Welke moraal ligt er onder die rechten? Hoe verhoudt de beschermwaardigheid van het leven vanaf de conceptie zich tot de morele vragen rond de vruchtbaarheidsindustrie?

Wat in Nederland niet kan en mag, mag en kan in het buitenland wel, waardoor er een bloeiende internationale industrie is ontstaan. Het politieke gesprek kan zich daarom niet beperken tot de Nederlandse wetgeving en zal op Europees niveau moeten worden opgepakt. Een restrictieve werking is dan nauwelijks te verwachten, omdat diverse Europese landen juist ruimere wetgeving kennen. Wat zijn de verwachtingen en mogelijkheden? ■

Reacties uitgeschakeld voor Onbeperkt vruchtbaar

Zelfs een up-to-date wilsverklaring voor euthanasie biedt geen garantie

TROUW, OPINIE, dinsdag 4 september 2018 Auteur: prof. mr. dr. M.A.J.M. (Martin) Buijsen.  Martin Buijsen (1963) is hoogleraar Recht & gezondheidszorg aan de Erasmus School of Law (ESL) en het Instituut Beleid…

TROUW, OPINIE, dinsdag 4 september 2018

Auteur: prof. mr. dr. M.A.J.M. (Martin) Buijsen.  Martin Buijsen (1963) is hoogleraar Recht & gezondheidszorg aan de Erasmus School of Law (ESL) en het Instituut Beleid & Management Gezondheidszorg (iBMG) van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Patiënten die euthanasie willen, hebben de dure morele plicht hun arts daar geregeld over te blijven informeren, schrijft Martin Buijsen, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit. Maar laat niemand die patiënten wijsmaken dat ze daarmee de garantie hebben dat zij krijgen wat zij wensen.

Veel wilsverklaringen voor euthanasie zouden nutteloos zijn. Het merendeel is verouderd. Uit een onderzoek is gebleken dat nog niet de helft van de mensen hun verklaring af en toe opnieuw bespreekt met hun arts, zodat die in het geval van een euthanasieverzoek weet dat de levenseindewensen actueel zijn.

Als een wilsverklaring verouderd is, zal een arts geen euthanasie plegen bij iemand die daar vanwege dementie niet zelf meer om kan vragen. Een arts die afgaat op een wilsverklaring die volgens de regionale toetsingscommissie te oud is ten tijde van de euthanasie, loopt immers tuchtrechtelijke en strafrechtelijke risico’s.

Deze berichtgeving wekt de indruk dat voor het gehonoreerd krijgen van een euthanasiewens in het geval van wilsonbekwaamheid van de patiënt, niet méér nodig is dan een actuele en zo eenduidig mogelijke schriftelijke wilsverklaring, zolang het verzoek maar gericht wordt aan een willige arts, eentje die geen principiële bezwaren heeft tegen euthanasie.

Ongetwijfeld prozaïsch

Niets is minder waar. De redenen om deze wilsverklaringen niet te actualiseren zijn ongetwijfeld prozaïsch. Zo hebben veel mensen een inboedelverzekering waar jarenlang niet naar omgekeken is, met als gevolg dat hun inboedel in de regel onderverzekerd is. Die is immers niet meer zoals die was ten tijde van het afsluiten van de verzekering. Verzekerden zouden er daarom goed aan doen om zo nu en dan na te gaan of het maximaal uit te keren bedrag nog wel overeenkomt met de actuele waarde van de inboedel. Mensen doen dat niet, het komt er gewoon niet van.

Maar waar bij het geheel verloren gaan van een onderverzekerde inboedel verzekerden nog kunnen rekenen op een uitkering tot een bepaald bedrag, hebben patiënten die een schriftelijke wilsverklaring voor euthanasie hebben opgesteld een dergelijke zekerheid niet.

De euthanasiewet verlangt dat de arts de overtuiging moet hebben gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt. Mocht hier naar het oordeel van de bevoegde regionale toetsingscommissie geen sprake van zijn geweest, dan heeft de arts die euthanasie gepleegd heeft een probleem.

Zeer problematisch zinnetje

Maar deze eis is maar een van de wettelijke zorgvuldigheidseisen die een arts in acht te nemen heeft. De arts die euthanasie gepleegd heeft en daarbij meende zich louter en alleen te kunnen baseren op de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt heeft in beginsel een veel groter probleem, hoe actueel en eenduidig die verklaring ook is. Behalve dat sprake is van een weloverwogen en vrijwillig verzoek, eist de wet ook dat de arts de overtuiging gekregen heeft dat de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk leed, dat hij de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten, en dat hij met de patiënt tot de overtuiging gekomen is dat er geen redelijke andere oplossing was.

Nu zegt de euthanasiewet inderdaad dat de arts gevolg kan geven aan een wilsverklaring inhoudende een euthanasieverzoek, indien deze is opgesteld toen de patiënt nog wilsbekwaam was. Maar in een zeer problematisch zinnetje laat de wet daarop volgen dat de eerder in die wet opgesomde zorgvuldigheidseisen ‘van overeenkomstige toepassing’ zijn.

Hoe kunnen deze eisen van toepassing zijn op een patiënt die zwaar dement is? Lijdt zo iemand ondraaglijk? En hoe kan hij met zo’n patiënt tot een overtuiging komen? Moeilijke vragen, maar toch vragen waaraan een arts niet voorbij mag gaan.

Patiënten die euthanasie willen, hebben de dure morele plicht hun arts zo goed als maar kan te blijven informeren. Maar laat niemand die patiënten wijsmaken dat daarmee gegarandeerd is dat zij zullen krijgen wat zij wensen.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Zelfs een up-to-date wilsverklaring voor euthanasie biedt geen garantie

Het taboe op abortus heeft twee kanten

Friesch Dagblad, 02 juli 2018, pagina 10. Auteur: Arthur Alderliesten is directeur van de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind   Feminisme lijkt wat terug van weggeweest. Dat betekent ook vernieuwde aandacht voor…

Friesch Dagblad, 02 juli 2018, pagina 10.

Auteur: Arthur Alderliesten is directeur van de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind

 

Feminisme lijkt wat terug van weggeweest. Dat betekent ook vernieuwde aandacht voor abortus. De VBOK plaatst een aantal kanttekeningen.

Het essay van Jennie Barbier in de Volkskrant van 15 juni legt ook de koppeling tussen feminisme en abortus. Abortus is verworden tot icoon van vrouwenrechten en daarom is Barbier bang. Bang dat het recht op abortus wordt afgepakt, waarvoor juist hard is gevochten door vroegere generaties feministen. Met bijna jaloerse blikken richting Ierland en Argentinië waar nu ‘overwinningen’
worden behaald in het legaliseren van abortus, ziet ze in Nederland het taboe op abortus alleen maar toenemen. Een paar kanttekeningen bij haar analyse. Eenzijdigheid Het siert Jennie Barbier dat ze openlijk spreekt over haar persoonlijke ervaring met abortus. Dat het ingrijpend is blijkt ook uit haar verhaal. Maar Barbier benadert het vraagstuk van eenzijdig: die van de vrouw en haar recht. Laten we het ook eens hebben over de ander die in het geding is: het ongeboren kind. Heel veel mensen vinden het menselijk leven vanaf het prilste begin beschermwaardig. Hoe je het wendt of keert: abortus provocatus beëindigt ongeboren menselijk leven, geeft het kind niet de kans geboren te worden.

Kritiek is nog geen taboe

Voor Barbier is elke reden voor een abortus legitiem. De Nederlandse wet echter ademt een andere geest. Die zegt dat iedere afbreking van zwangerschap met zorgvuldigheid moet worden genomen en alleen wanneer de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt (Wet afbreking zwangerschap, artikel 5). Deze zorgvuldigheid is ingebouwd omdat abortus een ingrijpende beslissing is. Dat het geen gewone medische ingreep is, blijkt er wel uit dat de wetgeving onderdeel is van het strafrecht. Het is daarom niet vreemd dat de Barbier constateert dat financiële of
andere praktische overwegingen om tot abortus over te gaan maatschappelijk niet op volledige steun kunnen rekenen. De wetgeving en het moreel besef in de samenleving liggen blijkbaar in elkaars verlengde. Barbier constateert dat er een banale, alledaagse werkelijkheid schuilt achter de ongeveer dertigduizend abortussen die jaarlijks in Nederland worden uitgevoerd. Een aspect van die banale werkelijkheid is dat in bijna de helft van het aantal abortussen financiën een rol speelt (overigens vrijwel altijd in combinatie met andere factoren). Redenen waaraan iets te doen is.
Redenen die een abortus volgens de constructie van de wet geen legitimatie vormen, wanneer deze overkomelijk zijn. En in de praktijk van de hulpverlening blijken dergelijke noodsituaties dikwijls oplosbaar te zijn. Dat komt het ongeboren kind ten goede, maar is ook blijk van goede zorg voor vrouwen.

Psychologische gevolgen

‘De vrouwen die ik sprak over abortus gingen niet van schuld of spijt’, schrijft Barbier. Logisch, ze zit in haar eigen progressieve bubbel, zo schrijft ze zelf al.

Maatschappelijk werkers die dagelijks te maken hebben met abortusproblematiek kennen ook de andere kant. Dagelijks spreken zij vrouwen die zoeken naar verwerking van gevoelens van schuld, spijt en schaamte. Uit het Rutgersonderzoek Seksuele gezondheid in Nederland 2009 bleek dat vier van de tien ondervraagde vrouwen geen negatieve gevolgen van een abortus ondervinden. Daarnaast staan echter zes van tien vrouwen die die wél ervaren. Zij kampen met psychosociale klachten als depressie, boosheid, spijt of schaamte. Hoe helpen we deze vrouwen verder? Door de gevoelens te erkennen of ontkennen? Iedere vrouw ervaart een abortus anders. Zeg haar niet hoe ze dat moet doen. Zo doorbreken we het taboe.

Hoe doorbreken we het taboe?

Barbier kreeg het gevoel dat het gepaster was om over haar abortus te zwijgen: ‘fluistercultuur werkt taboe in de hand’. Ik stem in met haar gedachte dat het helpt om het taboe op het spreken over abortus te doorbreken. Daarom twee vragen om het gesprek verder te brengen:
1. Kan het zo zijn dat juist het continue gehamer op abortus als recht van de vrouw mede het taboe in stand houdt? Want hoe moeilijk is het voor vrouwen om te zeggen dat ze spijt hebben van een abortus, omdat juist dát het icoon is geworden van het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw?
2. Wat is goede (postabortus) begeleiding? Waarmee wordt een vrouw werkelijk geholpen en hoe helpt het doorbreken van het taboe

Reacties uitgeschakeld voor Het taboe op abortus heeft twee kanten

Als er een optie voor euthanasie bijkomt, vergroot dat niet de keuzevrijheid, meent Jan Vorstenbosch. Dan wordt dóórleven niet meer de regel, maar een keus waar je je voor moet verantwoorden

TROUW, LETTER & GEEST, 16 Juni 2018, ESSAY Auteur: Jan Vorstenbosch (1952) is universitair docent Toegepaste Ethiek aan het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht.   Pia Dijkstra’s wetsvoorstel ‘Waardig Levenseinde’…

TROUW, LETTER & GEEST, 16 Juni 2018, ESSAY

Auteur: Jan Vorstenbosch (1952) is universitair docent Toegepaste Ethiek aan het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht.

 

Pia Dijkstra’s wetsvoorstel ‘Waardig Levenseinde’ lijkt na de verhitte discussies tijdens de coalitievorming in de zomer van 2017 met het aantreden van het Kabinet in de koelkast gelegd. Van verder onderzoek of een uitgebreid publiek debat, zoals voorzien in het Kabinetsakkoord van 2017, is nog weinig te merken. Toch zal Dijkstra’s voorstel, eenmaal aangenomen, grote gevolgen hebben, vooral voor ouderen van boven de 75 die een verzoek kunnen doen voor hulp bij zelfdoding.

De Memorie van Toelichting op het Wetsvoorstel noemt deze mogelijkheid een wenselijke aanvulling op het reeds bestaande ‘pakket’ aan stervensvormen: euthanasie, palliatieve sedatie en versterving. Ouderen die ‘lijden aan het leven’ krijgen als ‘extra optie’ een legale route om met professionele hulp hun leven te beëindigen. De hoop is dat deze optie ook wordt geaccepteerd door burgers die er geen gebruik van zullen maken. Maar is de voorgestelde Wet inderdaad niet meer dan een ‘optie’ voor degenen die er gebruik van willen maken? Is het accepteren ervan alleen maar een kwestie van solidariteit tussen (oudere) burgers? Laat het de positie en vrijheid van burgers om met hun levensavond om te gaan onaangetast?

Laat ik vooropstellen dat ik hulp bij zelfdoding in bepaalde situaties moreel begrijpelijk, invoelbaar en gerechtvaardigd vind.

Het bekendste voorbeeld is Moek (99). Haar schoonzoon Albert Heringa hielp haar sterven, een actie die nog steeds onder de rechter is. Al blijft het de vraag of Moek niet zozeer dood wilde omdat haar leven ‘voltooid’ was (dat stadium was waarschijnlijk al gepasseerd), maar omdat zij leed aan een complex van factoren, dat volgens kenners ook ‘zwaar’ genoeg was om hulp binnen de huidige Euthanasiewet te rechtvaardigen.

Waar het mij om gaat is of het ‘een goed idee’ is om hulp bij zelfdoding bij niet-medisch gemotiveerde doodswensen via een wet te legaliseren. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, wordt in ieder geval de vraag reëel voor veel ouderen of ze er gebruik van zullen maken en zo ja, wanneer. Het wordt daarmee een publieke kwestie. Wat is daar tegen? Iedereen krijgt toch een vrije keus, er komt alleen maar een optie bij voor mensen met een doodswens?

Maar ligt het wel zo eenvoudig? Voor het antwoord daarop zijn de argumenten interessant die de Amerikaanse filosoof J. David Velleman heeft aangevoerd tegen institutionele regelingen rond euthanasie en hulp bij zelfdoding. Hij bestrijdt het idee dat meer keuze voor alle individuen altijd meer vrijheid schept. Dat is vaak niet het geval.

Bij onderhandelingen tussen vakbond en werkgevers bijvoorbeeld is het vaak gemakkelijker onderhandelen als je als vakbond maar één strategische optie hebt. Door een optie toe te voegen, bijvoorbeeld omdat je leden dat willen, kunnen de werkgevers druk uitoefenen om voor dié optie te kiezen, en daardoor wordt de positie van de onderhandelaars zwakker.

Een voorbeeld uit de huiselijke sfeer: door ongezonde spullen zoals pinda’s en zoetigheid in huis te halen, krijg je allemaal een extra optie die je niet per se hoeft te gebruiken. Maar de beschikbaarheid maakt het wel gemakkelijker om druk uit te oefenen op huisgenoten die de verleiding moeilijk kunnen weerstaan. Door samen die optie te blokkeren en die spullen niet in te slaan, kunnen individuen zich vrijer voelen. Ze zijn dat ook omdat ze er zelf eerder voor hebben gekozen om de keuze te vermijden.

Deze maatschappelijke en huiselijke voorbeelden tonen de beperktheid van louter neo-liberaal economisch denken over vrijheid in termen van individuele opties, wensen en beschikbaarheid van keuzes voor individuen.

Ze raken volgens mij ook het veel zwaardere politieke en ethische debat over ‘levensbeëindiging op verzoek’. Juist vanwege de morele ernst en het onherroepelijke karakter van de keuzes waar het om gaat, moeten we als samenleving voorzichtig zijn met dit vocabulaire. Zo kan een optie om te worden geholpen zoals het Wetsvoorstel die aanbiedt, ertoe leiden dat de eerdere situatie waarin ‘verder leven’ de norm was en hulp bij zelfdoding verboden, verandert. Zo maar verder leven kan dan het karakter krijgen van een relatief willekeurige wens, waarvoor je je als oudere evenzeer moet rechtvaardigen als een ander voor een doodswens. Onder bepaalde omstandigheden zal doorgaan met leven, afhankelijk van de keuzes die anderen maken, niet langer als vanzelfsprekend worden beschouwd. Dan wordt het kiezen zélf een belasting, juist omdat er een ‘optie’ is, een netjes geregelde praktijk, waardoor de manier waarop andere ouderen met het levenseinde omgaan een publiek gegeven is, en er binnen die context nieuwe normen kunnen ontstaan.

Erkenning

Het gevoel dat het normaal is om te (willen) blijven leven zit diep in het zelfbegrip van de moderne, westerse mens. De huidige burgers van Nederland leven in de meest welvarende samenleving uit de geschiedenis. We kunnen ons nog niet goed voorstellen onder welke voorwaarden het verder leven van ouderen ter discussie zal worden gesteld. Dat gebeurt zeker als er druk op de keuzes van ouderen komt te staan, door bijvoorbeeld klimaatverandering of het schaarser worden van publieke middelen voor de zorg. Dan is doorleven geen vanzelfsprekende keuze meer. Als andere burgers sterke rechtvaardigingen geven om uit het leven te stappen, en jij kunt dat niet omdat je minder goed in staat bent om je redenen geloofwaardig naar voren te brengen, of omdat je aantoonbaar in een situatie bent waar die ‘goede’ argumenten ook op jou van toepassing zijn, dan is dat bedreigend voor je status en je erkenning als persoon. Die erkenning is juist belangrijk als je ziek of zwak en dus afhankelijk bent.

Als je je keuze niet kunt rechtvaardigen kan het lijken alsof je onredelijk bent. Door toenemende rechtvaardigingsdruk kunnen mensen zichzelf overbodig, of hun bestaan als zinloos gaan voelen.

De culturele nadruk op actief zijn, op rationeel zijn, op autonomie en op nuttigheid en productiviteit, kan in dat zelfbegrip ook een rol gaan spelen. Een passief en afhankelijk bestaan is dan iets negatief, de bewijslast komt sluipenderwijs te liggen bij wie afhankelijk, belastend en duur zijn.

Zulke sociale, economische en culturele factoren gaan de komende decennia een grotere rol spelen. Wat betekent een wet op de levensbeëindiging dan voor de zorg voor ouderen en hun positie? Die positie kan veranderen door toenemende druk op de economie, door de snel veranderende technologische omgeving, of door het grotere beroep op een relatief kleine volgende generatie. De combinatie van die veranderingen met een ‘hulp bij doodswensen’-wet kan het huidige zelfbegrip en de zelfinterpretatie van ouderen, als individuen die ‘als vanzelfsprekend’ bij de samenleving behoren en verzekerd kunnen zijn van vaak kostbare zorg op hun oude dag, sterk beïnvloeden.

Velleman vergelijkt dit maatschappelijk effect met de discussie over het verbieden van het duel in de 19de eeuw. Ook daarin ging het om een keuze op leven en dood, en ook daarin speelde het begrip ‘waardigheid’ een belangrijke rol. Het ging om de vrijheid van de adellijke klasse om zonder tussenkomst van de overheid te duelleren in situaties waarin eer en waardigheid werden uitgedaagd. De sociale kosten om te weigeren te duelleren waren voor de adel in zo’n cultuur hoog. Weigeren leidde tot een reputatie van schande en oneer, als je je liet beledigen zonder genoegdoening te vragen. Een wet tegen duelleren was de enige maatregel die deze sociale kosten bij de individuen wegnam. Zij konden zich dan beroepen op de hogere macht van de wet. Pas daardoor kon de cultuur onder adel en militairen veranderen.

Het ging toen om mensen die zich op grond van hun vrijheid en waardigheid verzetten tegen de invoering van een wettelijk verbod om hun eigen leven op het spel te zetten. In het geval van een Wetsvoorstel hulp bij zelfdoding gaat het juist om het opheffen van een verbod. Het betekent dat de optie om geholpen te worden bij zelfdoding (oudere) mensen nieuwe redenen kan geven om hun leven te beoordelen en in bepaalde gevallen, te willen beëindigen. Het gebruikmaken van hulp bij zelfdoding is dan niet slechts een private zaak tussen een hulpverlener en iemand met een weloverwogen wens om te sterven. Het heeft ook gevolgen voor het soort samenleving en cultuur waarin we leven en de manier waarop ouderen zich verhouden tot hun bestaan.

Bij het duelverbod streed een elite voor een eigen morele code voor eer en waardigheid. Ook in onze samenleving zijn er andere, maar eveneens grote verschillen tussen individuen – economisch, sociaal, qua opleiding, en psychologisch. In de ethische discussie over het Wetsvoorstel worden het eigen levensverhaal en de eigen regie vaak als aanknopingspunt voor de interpretatie van vrijheid en autonomie genomen, maar voor veel mensen wordt het script en scenario van hun leven, inclusief het vermogen om dat onder woorden te brengen, flink bepaald door de maatschappelijke context en door sociale normen en verwachtingen. Met een wetsvoorstel zal een publieke ruimte worden geopend waarin een vergelijking van dergelijke ‘levenseindeverhalen’ van 75-plussers mogelijk wordt. Het aanbieden van stervenshulp kan het normaal maken dat je je leven beëindigt, als je bijvoorbeeld tot last bent voor je omgeving of voor de samenleving.

Waardigheid

Misschien levert je dat dan zelfs wel een nieuw soort waardigheid op, of respect voor je opofferingsgezindheid. Dat voorzag de Engelse filosoof David Hume al in de achttiende eeuw in zijn vaak geciteerde essay ‘Over zelfmoord’: “Stel dat ik niet meer in staat ben het algemene belang te dienen; stel dat ik er een last voor ben; stel dat mijn leven een hinderpaal is voor een ander om dat belang veel beter te dienen. In die gevallen moet mijn terugtrekking uit het leven niet alleen beschouwd worden als zonder schuld, maar zelfs prijzenswaardig. En de meeste mensen die overwegen het leven de rug toe te keren, verkeren in een dergelijke situatie.”

Hume’s redenering kan voor bepaalde individuen een redelijke en alleszins te billijken rechtvaardiging zijn om uit het leven te stappen. Het punt is dat er een groot verschil is tussen personen, die elk voor zich in de beslotenheid van hun eigen leven deze keuze maken zonder dat die publiek wordt, en een institutionele regeling waarin deze redenen inzet worden van de vraag of de overheid hulp bij zelfdoding accepteert en faciliteert.

Ik vraag me daarom af of het wel wenselijk is om in alle openheid, zichtbaar en toetsbaar de overwegingen, normen en redenen van mensen met een doodswens te bespreken. Juist bij beslissingen rond het levenseinde die inderdaad – zoals in de Memorie van Toelichting wordt toegegeven – uiterst persoonlijk, uniek, kwetsbaar, complex en situatiegebonden zijn. Juist daarom is het misschien beter weg te blijven van een proces waarin de beslissing over het levenseinde over het afzonderlijke geval wordt heengetild naar een maatschappelijke discussie over gedeelde en misschien ongewild dwingende normen, naar een toetsing waar niemand echt gelukkig mee is.

Mijn bedenkingen vegen niet de respectabele verlangens en belangen aan de kant van oudere mensen met grote mentale en existentiële problemen. Maar de politieke vraag is of er voor hen geen redelijke alternatieven bestaan.

Volgens veel kenners onderschatten veel mensen de mogelijkheden die de bestaande Wet Toetsing Levensbeëindiging en Hulp bij Zelfdoding hun biedt. Bovendien zijn er al stervensvormen waarbij individuen kunnen afwegen en beslissen in de beslotenheid van hun eigen persoonlijke omgeving, met familie en medische en sociale hulpverleners.

Neem het vaak ten onrechte als gruwelijk afgeschilderde ‘versterven’. Wilsbekwame individuen zijn sowieso vrij om te beslissen zich niet te laten behandelen, en voor uitsluitend palliatieve begeleiding te kiezen. Of de door filosoof Ton Vink bepleite praktijk van zelf-euthanasie, waarbij een consulent betrokken is, die niet instrueert maar informeert, adviseert en steunt.

Aan al deze alternatieven kleven óók praktische, morele en juridische problemen, maar ik verkies ze boven het ontwikkelen van een nieuwe professionele praktijk van levenseindebegeleiding.

 

Dit essay is een bewerking van ‘De Discussie over een Voltooid Leven-wet. Een ethische beschouwing over maatschappelijke voorwaarden en effecten’, te lezen op www.uu.nl/onderzoek/ethiek-instituut/onderzoek/reeks-ethische-annotaties

Reacties uitgeschakeld voor Als er een optie voor euthanasie bijkomt, vergroot dat niet de keuzevrijheid, meent Jan Vorstenbosch. Dan wordt dóórleven niet meer de regel, maar een keus waar je je voor moet verantwoorden

Angst voor vervolging na euthanasie is onzin

TROUW, 15 JUNI 2018, Column Auteur: Bert Keizer is filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen. Vorige week spraken artsen…

TROUW, 15 JUNI 2018, Column

Auteur: Bert Keizer is filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Vorige week spraken artsen in Trouw over hun zorgen rond euthanasie. De vraag was nu eens niet wie ervoor in aanmerking komt, maar: wat kan je als arts overkomen als je een ziek mens euthanasie verleent?

Een collega maakt het wel heel bont door bemoeienis vanuit de rechtspraak als een mogelijke definitieve ondergang te schetsen: ‘Bovendien is helemaal niet zeker wat eventuele vervolging inhoudt. De zorginspectie komt er dan waarschijnlijk ook bij, en via het tuchtcollege kun je zomaar je baan verliezen.’

Dit is echt onzin. Er is in de afgelopen veertig jaar niet één arts in hechtenis genomen na een gemelde euthanasie. Ik heb zelf nooit enige angst gekend voor justitie rond euthanasie, ook niet in de jaren waarin het niet mocht. Plato stelde dat je om moedig te zijn, kennis moet hebben van het gevaar. Dat wil zeggen dat de man die nietsvermoedend het leeuwenverblijf in Artis binnenloopt niets gemeen heeft met de waaghals die leeuwen temt.

Ik was, en ben, wel bang rond de geplande dood. Maar niet voor justitie. Waar ik angstig van word is de vraag of de persoon in kwestie het wel echt wil. Die vraag kun je niet beantwoorden door hem na afloop te stellen. Ik vrees dat mijn angstloosheid ten aanzien van justitie verklaard moet worden door onwetendheid over wat het voor mij zou betekenen om voor de rechter te staan.

Drie jaar buikpijn

Dat ik hier te makkelijk over denk, bleek toen ik op de radio eens stelde dat artsen niet moeten zeuren over juristerij rond euthanasie. Toen ik de studio uitliep kreeg ik een smsje van Flip Sutorius die rond de dood van Brongersma aan een gerechtelijke procedure werd onderworpen. Zijn boodschap was: ‘Je wordt bedankt. Ik heb drie jaar buikpijn gehad’. En dat terwijl hij heus wel wist dat hij niet zou worden opgesloten.

Voor meerdere artsen geldt op dit ogenblik dat zij mogelijk zullen worden vervolgd. Deze week stond een van hen voor het tuchtcollege in Den Haag. Ik ben ervan overtuigd dat geen van deze collega’s een vernietigend vonnis te wachten staat. Maar die mededeling zal hen niet ontlasten.

Dat het OM gevreesd wordt is om twee redenen onterecht. Ten eerste: het zal echt niet proberen om een arts na een gemelde euthanasie kapot te maken. En ten tweede: ergens onder alle praatprogramma’s, ethische commissies en benarde sterfbedden bevindt zich de rotsige bodem van de wet. Levensbeëindiging door een arts is een wetsovertreding die onder bepaalde voorwaarden is toegestaan.

De regionale toetsingscommissies voorkomen dat justitie elke melding moet nalopen. Maar als zij twijfelen aan de zorgvuldigheid dan lichten ze het OM in en dan is het vreemd als artsen dat een nare gang van zaken vinden, want zo is het in 2002 afgesproken.

Daar staat tegenover dat het OM zich erg merkwaardig heeft gedragen door gedurende vele jaren alles wat de toetsingscommissies aanmerkten als ‘onzorgvuldig’ zwijgend naast zich neer te leggen. Totdat ergens in het najaar van 2017 een boze fee daar de boel heeft wakker gekust zodat nu plotseling meerdere artsen mogelijk worden vervolgd.

Niet in takenpakket

Justitie jaagt artsen de ene kant op. Maatschappelijke druk geeft weer andere ellende. Het verzoek om euthanasie wordt nogal eens gedaan met enige nadruk. Nadruk? Soms wordt een arts zelfs bedreigd als ze niet met de overdosis over de brug komt, en gauw een beetje. Mensen vergeten dat elke dokter zonder enige uitleg euthanasie mag weigeren. Het zit zeer uitdrukkelijk niet in ons takenpakket. Als je het wel doet, moet je veel uitleggen. Maar weigeren leg je uit door te zeggen: ik doe het niet. Punt.

Hoewel ik een positief gestemd lid van de NVVE ben, heeft deze vereniging veel ellende aangericht door het opblazen van de status van de wilsverklaring. Als ik het even kort en akelig mag opsommen: als je het kunt zeggen, heb je geen wilsverklaring nodig om euthanasie te krijgen. En als je het niet kunt zeggen dan krijg je geen euthanasie. Zo zit het ongeveer. Met de kanttekening dat de artsen die mogelijk worden vervolgd, handelden volgens de wilsverklaring bij patiënten die het niet meer konden zeggen. We moeten afwachten wat daar uitkomt.

Reacties uitgeschakeld voor Angst voor vervolging na euthanasie is onzin

Verbijsterend! ‘Euthanasie is een medische behandeling, de arts is daarvoor zelf verantwoordelijk’, zei Jacob Kohnstamm van de toetsingscommissies voor euthanasie in Trouw. ‘Bij elke blindedarmontsteking of amputatie gaat hij toch ook geen toestemming vragen aan een filosoof?’

TROUW, 15 JUNI 2018-06-30/ OPINIE Auteur: Martin Buijsen, Hoogleraar Gezondheidsrecht Ersamus Universiteit Rotterdam   De huisarts verkeert in een benarde positie, stond vorige week in Trouw. Nu het Openbaar Ministerie een aantal…

TROUW, 15 JUNI 2018-06-30/ OPINIE

Auteur: Martin Buijsen, Hoogleraar Gezondheidsrecht Ersamus Universiteit Rotterdam

 

De huisarts verkeert in een benarde positie, stond vorige week in Trouw. Nu het Openbaar Ministerie een aantal euthanasiezaken onderzoekt terwijl steeds meer patiënten denken recht op euthanasie te hebben, lijkt de huisarts bekneld te raken tussen twee partijen.

Het OM, dat sinds de inwerkingtreding van de Euthanasiewet in 2002 nooit actie heeft ondernomen naar aanleiding van meldingen die door de Regionale toetsingscommissies euthanasie als onzorgvuldig zijn afgedaan, is er onlangs toe overgegaan maar liefst vijf van zulke gevallen te onderzoeken. Dreigende strafrechtelijke vervolging enerzijds, en anderzijds patiënten die meer en meer menen een wettelijk recht te hebben op levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, ook wanneer niet duidelijk is of wel aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan. Vooral verzoeken van patiënten die kampen met dementie of onder een stapeling van ouderdomsklachten gebukt gaan, stellen de huisarts voor problemen.

Jacob Kohnstamm

Bij wijze van oplossing stelde een van de geïnterviewde huisartsen voor om de toetsingscommissies vooraf te laten kijken naar discutabele euthanasieverzoeken, zodat de artsen weten waar zij aan toe zijn. Jacob Kohnstamm, de coördinerend voorzitter van de toetsingscommissies, deed daarop de volgende duit in het zakje: “De wetgever heeft dat in 2002 overwogen en naar mijn mening volledig terecht afgelegd. Euthanasie is een medische handeling, de arts is daarvoor zelf verantwoordelijk. Ga maar na: bij elke blindedarmontsteking of amputatie gaat hij toch ook geen toestemming vragen aan een filosoof? De arts beslist.”

Een verbijsterende reactie! Dat de wetgever met de Euthanasiewet voor artsen een bijzondere strafuitsluitingsgrond heeft gecreëerd, en uitsluitend voor artsen, wil nog niet zeggen dat euthanasie begaan door een arts een normale medische handeling is. Ware dat wel het geval, dan zou uiteraard ook de gedachte aan beoordeling achteraf door een toetsingscommissie potsierlijk zijn. Maar euthanasie is geen normale medische handeling. Iedere arts zal dat beamen, en niet alleen omdat hulp bij zelfdoding en levensbeëindiging op verzoek volgens het Wetboek van Strafrecht misdrijven zijn. Zo ook de huisartsen die in het artikel aan het woord komen. Wel geven zij te kennen grote druk te ervaren wanneer patiënten of hun naasten een beroep menen te kunnen doen op een recht op euthanasie. Zo’n recht is er nu eenmaal niet. Voor een arts die de moeilijke taak heeft zijn patiënt bij te staan op zijn of haar weg naar het levenseinde, komt het nooit gelegen om uit te moeten leggen dat er geen recht op euthanasie bestaat. Zoiets doet een arts-patiëntrelatie geen goed.

Een wettelijk recht?

Het punt is evenwel dat een arts dat niet zou hoeven doen. Als de leden van de Tweede Kamer zich in de komende maanden buigen over het vraagstuk, doen zij er goed aan na te gaan hoe het toch komt dat zovelen in dit land rondlopen met het idee dat euthanasie een wettelijk recht is. Enig zelfonderzoek is dan ook op zijn plaats. Het zijn toch echt niet allereerst de artsen die de Nederlandse burgers hierover goed te informeren hebben.

De politiek zal in de komende tijd duidelijk moeten maken hoe men verder wil met de Euthanasiewet. De rol van de toetsingscommissies zal daarbij bezien moeten worden. En wellicht ook die van hun voorzitter. Wat nu te denken van een voorzitter die euthanasie met de behandeling van een blindedarmontsteking vergelijkt? Patiënten die daaraan lijden, hebben inderdaad een wettelijk recht op behandeling.

 

Reacties uitgeschakeld voor Verbijsterend! ‘Euthanasie is een medische behandeling, de arts is daarvoor zelf verantwoordelijk’, zei Jacob Kohnstamm van de toetsingscommissies voor euthanasie in Trouw. ‘Bij elke blindedarmontsteking of amputatie gaat hij toch ook geen toestemming vragen aan een filosoof?’

De intenties van embryokweek zijn lovenswaardig, de consequenties niet

Auteurs: Theo Boer en Arthur Alderliesten;  TROUW, 25 juni 2018, opinie / rubriek ethiek. Het verbod op het kweken van embryo’s is er niet voor niets, betogen Theo Boer, hoogleraar Ethiek van…

Auteurs: Theo Boer en Arthur Alderliesten;  TROUW, 25 juni 2018, opinie / rubriek ethiek.

Het verbod op het kweken van embryo’s is er niet voor niets, betogen Theo Boer, hoogleraar Ethiek van de zorg aan de Theologische Universiteit Kampen, en Arthur Alderliesten, directeur van de VBOK, de organisatie die zich inzet voor de bescherming van het ongeboren kind.

Wetenschappers pleiten hartstochtelijk voor het toestaan van embryokweek. Tijdens een zitting in de Tweede Kamer stelden zij dat deze stap nodig is om ‘kinderziekten’ bij ivf weg te kunnen nemen. Door onderzoek met embryo’s hoopt men de kweekvloeistoffen die bij ivf nodig zijn, te vervolmaken. Een te laag geboortegewicht bij ivf-baby’s zou dan tot het verleden behoren. Ook hoopt men op termijn het aantal geslaagde ivf-behandelingen te kunnen verhogen, wat zou leiden tot minder verspilling van embryo’s.

Genetische aandoeningen

Maar deze beperkte toepassingen lijken nog maar het begin. Coen Brummer verdedigde op de website van Trouw eerder het gebruik van kweekembryo’s ten behoeve van genetische modificatie bij embryo’s. Daardoor zouden we genetische aandoeningen kunnen genezen.

Hoewel we de intenties lovenswaardig vinden, hebben wij moeite met de middelen en de consequenties.

Een embryo is menselijk leven. Wanneer we niet ingrijpen door abortus of het niet gebruiken als onderzoeksmateriaal, en de natuur het niet afstoot, dan groeit er uit dat klompje cellen een mens. Een uniek menselijk organisme met de codes voor geslacht, haarkleur, uiterlijk en karakter. Dat is niet bedoeld om te eindigen als onderzoeksmateriaal, maar om zich te ontwikkelen en geboren te worden.

Het lijkt ons bovendien onwaarschijnlijk dat de kweek van embryo’s beperkt zal blijven tot genoemde toepassing van ivf-verbetering. Alom pleiten wetenschappers voor het toestaan van experimenten met het genetisch bewerken van een embryo d.m.v. de CRISPR-CAS9-methode. Hiermee wordt het mogelijk om een stukje ‘ziek’ DNA uit een cel te knippen en te vervangen door niet-aangedaan DNA. Idealiter kunnen hiermee erfelijke aandoeningen worden voorkomen, maar het is onduidelijk of het ooit veilig zal zijn om veranderingen aan te brengen in het erfelijk materiaal in de kiembaan. Deze veranderingen zijn bovendien permanent en worden, met bijwerkingen, doorgegeven aan volgende generaties.

Doel heiligt niet alle middelen

Ons laatste bezwaar betreft de gevolgen van deze technologieën voor de samenleving. Als menselijk leven zozeer geïnstrumentaliseerd wordt, wat zegt dat over ons respect voor ‘leven aan de rand’ – beginnend, eindigend, gekwetst, wilsonbekwaam? Leed voorkomen is een kenmerk van een cultuur bij uitstek, maar een beschaving kenmerkt zich ook door de kunst om je ambities ‘bij te schaven’. Het doel heiligt niet alle middelen. Technologische aspiraties kunnen ons afleiden van de kunst om met het bestaan in al zijn grilligheid om te gaan. Bovendien dragen deze ontwikkelingen verder bij aan de visie dat kinderen een ‘project’ worden.

Om deze redenen bepleiten wij een instandhouding van het verbod op het kweken van embryo’s. Voorstanders van embryokweek betogen dat we door het gebruik van embryo’s die bij ivf overblijven toch al menselijk leven instrumenteel gebruiken. Dat klopt. We bepleiten daarom dat er bij ivf niet meer embryo’s worden gecreëerd dan er kans hebben om in de baarmoeder geplaatst te worden. Maar ook restembryo’s zijn toch in principe gecreëerd vanuit de oprechte intentie dat zij kans maken geboren te worden. Bij gekweekte embryo’s is die mogelijkheid op voorhand bewust afgesloten. Dat betekent een nog verder gaande instrumentalisering van menselijk leven. Die kant moeten niet op willen.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor De intenties van embryokweek zijn lovenswaardig, de consequenties niet

Te veel complicaties bij de behandelingsovereenkomst

Auteur: Prof. mr. J.C.J. Dute Jos Dute is hoogleraar gezondheidsrecht, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit Nijmegen, en lid van de redactie van TvGR. Bron: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, afl. 3, 2018…

Auteur: Prof. mr. J.C.J. Dute
Jos Dute is hoogleraar gezondheidsrecht, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit Nijmegen, en lid van de redactie van TvGR.

Bron: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, afl. 3, 2018

 

De juridische verhouding tussen de hulpverlener en de patiënt heeft doorgaans de vorm van een overeenkomst. Daarvoor kent Boek 7 BW een aparte afdeling, waarin deze contractuele rechtsverhouding is neergelegd als een bijzondere overeenkomst van opdracht: de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling. In de literatuur wordt deze overeenkomst overigens steevast de ‘geneeskundige behandelingsovereenkomst’ genoemd, terwijl de wet zelf (art. 7:446 lid 1 BW) de overeenkomst nadrukkelijk aanduidt als ‘behandelingsovereenkomst’.

De behandelingsovereenkomst vervult in de verhouding tussen de hulpverlener en de patiënt een cruciale rol, omdat zij drager is van en invulling geeft aan de patiëntenrechten. Helaas bestaat in de praktijk over de behandelingsovereenkomst nog veel onduidelijkheid.
Zo is vaak niet helder wanneer de behandelingsovereenkomst precies aanvangt: reeds bij het maken van de afspraak met de hulpverlener, bij het eerste echte contact met de hulpverlener of pas nadat de hulpverlener de patiënt daadwerkelijk als zodanig heeft geaccepteerd? En wanneer kan precies worden gesproken van een behandelingsovereenkomst bij hulpverlening in een acute situatie? Of bij een internetconsult? Jurisprudentie ontbreekt, in richtlijnen van de KNMG worden wel enkele handreikingen ter zake gedaan.
Vragen over de behandelingsovereenkomst zijn er ook in de relatie tussen de huisarts en de patiënt. Is daar sprake van twee behandelingsovereenkomsten, een doorlopende overeenkomst en een bijzondere die met de arts wordt gesloten bij elk consult? Of is sprake een ‘slapende’ overeenkomst die herleeft, telkens wanneer de patiënt zich tot de huisarts wendt?
Soms is niet duidelijk of überhaupt een behandelingsovereenkomst tot stand komt. Het gaat dan in het bijzonder om de vraag of (nog) sprake is van handelingen op het gebied van de geneeskunst. Daarover bestaat overigens wel enige jurisprudentie. Met name lagere rechters zijn naar mijn indruk betrekkelijk snel geneigd om het bestaan van een behandelingsovereenkomst aan te nemen, als sprake is van een zorgvoorziening of -ondersteuning (ADL-assistentie) waarvan (eenvoudige) medische handelingen deel uitmaken.

Bij een overeenkomst is het van essentieel belang om te weten wie daarbij partij zijn

Bij een overeenkomst is het verder van essentieel belang om te weten wie precies partij daarbij zijn. Bij de behandelingsovereenkomst wordt de ene partij door de wet aangeduid als de ‘opdrachtgever’. Dit kan zijn de patiënt zelf dan wel een derde, waarbij degene op wie de handelingen betrekking hebben de patiënt wordt genoemd. Opdrachtgever is in de context van de gezondheidszorg niet zo’n aansprekende term. Weinig patiënten zullen zich de opdrachtgever van de arts voelen. Afgezien hiervan, het is logisch dat de patiënt de ene partij bij de behandelingsovereenkomst is, dus waarom dan ook niet die term (in plaats van opdrachtgever) gehanteerd in art. 7:446 lid 1 BW? Nagenoeg alle verplichtingen van de hulpverlener dienen ook te worden nagekomen jegens de patiënt, niet jegens de opdrachtgever. Alleen bij de loonverschuldigdheid noemt de wet de opdrachtgever (art. 7:461 BW). Aan de opdrachtrelatie als zodanig wordt met het gebruik van de term patiënt niets afgedaan.
Bij de opdrachtgever, niet zijnde de patiënt zelf, is men geneigd te denken aan de situatie van – al dan niet wettelijke – vertegenwoordiging. Daarvoor is deze constructie echter niet nodig, en ook niet bruikbaar, omdat bij vertegenwoordiging niet de vertegenwoordiger, maar de vertegenwoordigde de contractspartij wordt. Hoe nodig en wenselijk is het dat een ander dan de patiënt contractspartij is bij de behandelingsovereenkomst?

Met de invoering van de integrale bekostiging in ziekenhuizen is boven de vraag wie als wederpartij van de patiënt heeft te gelden, zware mist komen te hangen. Voorheen, toen de vrijgevestigde medisch specialist nog op basis van een toelatingsovereenkomst met het ziekenhuis werkte, werd aangenomen dat er twee behandelingsovereenkomsten tot stand kwamen: één met de specialist voor de geneeskundige behandeling en één met het ziekenhuis voor de verpleging en verzorging. Sinds het vervallen van het zelfstandige declaratierecht hebben de medisch specialisten zich in veel gevallen verenigd in een medisch-specialistisch bedrijf (MSB), dat een samenwerkingsovereenkomst met het ziekenhuis sluit. Sluit de patiënt nu nog steeds een zelfstandige behandelingsovereenkomst met de medisch specialist? Of wordt die overeenkomst met het MSB gesloten? Of komt er nog maar één behandelingsovereenkomst tot stand, namelijk alleen met het ziekenhuis, voor het geheel van de behandeling, de verpleging en de verzorging? En hoe ligt de situatie als de specialist via een specialistenmaatschap of -coöperatie medeaandeelhouder van het ziekenhuis is? De opvattingen hierover lopen uiteen.

Voor de patiënt is het ziekenhuis als enige contractpartij wel zo duidelijk. Dat is ook de schijn die jegens hem wordt gewekt. Van een MSB zal de patiënt doorgaans geen weet hebben. En of een specialist in loondienst van het ziekenhuis is dan wel op andere basis daar werkzaam is, zal hij doorgaans evenmin weten. Om nog maar niet te spreken van de gevallen waarin de specialist in loondienst van het MSB is. Of dat sprake is van medeaandeelhouderschap. De gedachte van een integrale zorgaanbieder ligt ook ten grondslag aan de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

Fiscale overwegingen behoren niet bepalend te zijn voor de vraag met wie een behandelingsovereenkomst tot stand komt.

Meer duidelijkheid is gewenst

Meer duidelijkheid over de vraag wie precies partij zijn bij de behandelingsovereenkomst is zeker gewenst. Van de rechter zal die duidelijkheid niet snel komen. Met de regeling van de centrale aansprakelijkheid van het ziekenhuis kan de rechter de vraag naar de precieze rechtsverhoudingen binnen de instelling immers veelal laten rusten, en dat doet hij dan ook. De voorgenomen wettelijke herziening van de regeling van de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling zou een goede gelegenheid zijn om meer klaarheid te brengen in de vraag wie partij zijn bij de behandelingsovereenkomst. Wat mij betreft zijn dit aan de ene kant de patiënt en aan de andere kant, in de ziekenhuissituatie, het ziekenhuis.

Over de behandelingsovereenkomst bestaan veel vragen – naar mijn oordeel te veel vragen, voor wat de ruggengraat van de hulpverlener-patiëntrelatie en de in die verhouding geldende patiëntenrechten vormt. Die rechtsverhouding kan en moet eenvoudiger te regelen zijn.

Reacties uitgeschakeld voor Te veel complicaties bij de behandelingsovereenkomst

Type uw zoekwoord in onderstaand veld. Druk hierna op enter/return om te zoeken