PVH 21e jaargang – 2014 nr. 2    p. 003

Door Prof. mr dr M.A.J.M. Buijsen
Hoogleraar Gezondheidsrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam

Inleiding

Hoewel menselijke waardigheid al decennia lang het onbetwiste fundament vormt van de rechten van de mens, is het als beginsel en begrip geruime tijd buiten beeld gebleven bij de Nederlandse beoefenaars van het gezondheidsrecht. Onder deze gezondheidsjuristen heeft het grondslagendebat sinds het ontstaan van het vakgebied vooral in het teken gestaan van het beginsel van persoonlijke autonomie. Of respect voor autonomie nu wel of niet kan gelden als pijler van dit rechtsgebied, is hier niet zo’n relevante vraag maar vast staat dat de term ‘waardigheid’ in de kring van Nederlandse gezondheidsjuristen tegenwoordig aanmerkelijk vaker dan voorheen gebezigd wordt. Dit schijnt niet zozeer het gevolg te zijn van voortschrijdend inzicht bij de academische beoefenaars van het vakgebied, als wel van een beleidsnotitie die een vorige Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Sport, toen nog Jet Bussemaker, enkele jaren geleden alweer heeft doen uitgaan.

In de zogenaamde Beleidsbrief ethiek van 7 september 2007 zette de bewindsvrouw de belangrijkste beleidsvoornemens op het terrein van de medische ethiek uiteen. Kernbegrip van deze notitie vormt de menselijke waardigheid. In het kabinetsbeleid staan de waarden van autonomie, beschermwaardigheid van het leven en goede zorg centraal, maar deze waarden staan niet op zichzelf, aldus de Staatssecretaris, en bij de beantwoording van concrete ethische vraagstukken kunnen mensen verschillen in het gewicht dat ze aan een bepaalde waarde willen toekennen. Er zijn echter normen, zo vervolgt zij, waaraan we in onze rechtsstaat allen gebonden zijn, ongeacht de politieke voorkeur en ongeacht de kleur van een coalitieakkoord. Deze normen, die leidend zullen zijn in het Nederlandse medisch-ethische beleid, zijn de rechten van de mens. Deze normen zijn er ter bescherming van de menselijke waardigheid, en het is ook daarom dat gesproken kan worden van menselijke waardigheid als het fundament van de rechten van de mens.

Het heeft er veel van weg dat door de mensenrechten tot leidraad van het medisch-ethische overheidsbeleid te verklaren, de van oudsher nogal nationaal georiënteerde gemeenschap van Nederlandse gezondheidsjuristen weer bij de internationale les getrokken werd. Als mensenrechten leidend zijn voor het overheidsbeleid ter zake van de medische ethiek, als recht dus richtsnoer is, waarom dan als juristen blijven steggelen over een beginsel (zelfbeschikking, autonomie) dat de verdenking toch vooral een morele waarde te zijn welbeschouwd nooit echt heeft kunnen wegnemen?! De Staatssecretaris deed in haar Beleidsbrief overigens weinig meer dan getuigen van het feit dat er in de laatste jaren internationaal een zeer sterke ontwikkeling is geweest om specifiek mensenrechtelijke normstelling te ontwikkelen op het vlak van de biogeneeskunde.

Meer dan voorheen zijn Nederlandse gezondheidsjuristen dus bereid te aanvaarden dat de rechtsregels op het terrein van de gezondheidszorg, die de betrekkingen tussen gebruikers, aanbieders en financiers van zorg normeren, respect voor de menselijke waardigheid tot uitdrukking (dienen te) brengen. Maar wat zegt een jurist nu eigenlijk wanneer hij aangeeft menselijke waardigheid te beschouwen als kernbegrip van zijn vakgebied? Is dat veel, is dat weinig, of is dat misschien wel helemaal niets? Of zou er waarheid schuilen in de veelgehoorde klacht dat menselijke waardigheid een vaag, verwarrend en welbeschouwd nutteloos begrip is?

Waardigheid in het positieve recht

In tal van internationale documenten wordt naar het begrip van menselijke waardigheid verwezen. Niet alleen in teksten opgesteld onder verantwoordelijkheid van organisaties als de Europese Unie (EU), de Raad van Europa (RvE) en de Verenigde Naties (VN), zoals de hierboven genoemde UNESCO-verklaringen, maar ook in allerlei documenten van niet-gouvernementele organisaties. Zo heeft de World Medical Association (WMA) menselijke waardigheid (‘dignity’, ‘human dignity’) in talloze ethische codes aangewezen als hèt te eerbiedigen goed.

Het begrip wordt genoemd in de preambules van vrijwel elk mensenrechtenverdrag dat sinds de Tweede Wereldoorlog in VN-verband tot stand is gekomen. Om op deze plaats de belangrijkste maar te noemen: de Universele verklaring van de rechten van de mens (UVRM, 1948), het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR, 1966) en het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR, 1966). En al in 1945 werd in het Handvest van de VN een verwijzing naar menselijke waardigheid opgenomen.

Met de mensenrechtenverdragen van de Raad van Europa ligt het wat anders. In het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM, 1950) zelf wordt menselijke waardigheid niet genoemd. In feite zijn verwijzingen naar waardigheid tot eind jaren negentig van de vorige eeuw een zeldzaamheid in verdragsteksten van de Raad. Daarna lijkt er iets van een kentering te zijn opgetreden, en wordt het wat vaker genoemd, onder meer in het VRMB en de bijbehorende Additionele protocollen. En hoewel respect voor de menselijke waardigheid dus niet genoemd wordt in het EVRM, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) sedert de eeuwwisseling meermaals van dit respect gesproken als ‘the very essence of the Convention’. In een recente uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) wordt van menselijke waardigheid gesproken als ‘a recognised fundamental value at the core of positive human rights law’.

Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is het EU-Grondrechtenhandvest bindend geworden. ‘De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd’, aldus het allereerste artikel van dit Handvest. Het belang van de menselijke waardigheid kwam reeds eerder tot uitdrukking in jurisprudentie van het Hof van Justitie. In 2004 stelde deze rechter dat ‘de communautaire rechtsorde onbetwistbaar de eerbied voor de menselijke waardigheid als algemeen rechtsbeginsel [beoogt] te verzekeren’.

Ook een aantal nationale constituties bevat verwijzingen naar menselijke waardigheid. Het meest bekend zijn ongetwijfeld de grondwetten van Duitsland en Zuid-Afrika. De Nederlandse Grondwet kent zo’n verwijzing momenteel niet. Weliswaar heeft zij een (bescheiden) grondrechtencatalogus, maar daarin wordt van menselijke waardigheid geen gewag gemaakt. Hierin komt misschien verandering nu de Staatscommissie Grondwet in het kader van de herziening van de Grondwet tot de opneming van een algemene bepaling heeft geadviseerd, luidende dat ‘Nederland een democratische rechtsstaat is, dat de overheid de menselijke waardigheid, de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen eerbiedigt en waarborgt, en dat openbaar gezag alleen wordt uitgeoefend krachtens de Grondwet of de wet’. Het voorstel voor deze bepaling, die de normatieve kracht van de Grondwet naar het oordeel van de Commissie ten goede zou komen, is ongetwijfeld mede ingegeven door het feit dat in het laatste decennium respect voor menselijke waardigheid als fundamentele norm elders binnen onze rechtsorde veel aan terrein gewonnen heeft, en dus min of meer onontkoombaar is geworden. Uiteindelijk ook voor Nederlandse gezondheidsjuristen.

Uit de verdragsteksten, de jurisprudentie en de literatuur komt naar voren dat in het begrip van menselijke waardigheid een sterk normatieve claim besloten ligt. Dat ‘menselijke waardigheid’ ‘respect verdient’, is een tautologie. Dat het begrip ‘menselijke waardigheid’, dat naar een eigenschap lijkt te verwijzen, inhoudelijk een aanspraak op eerbiediging (of erkenning, bescherming, waarborging, et cetera) herbergt, maakt het begrip echter niet problematisch.

Van ‘menselijke waardigheid’ of ‘respect voor menselijke waardigheid’ wordt zeer verschillend gesproken. Zo noemt men het ‘the very essence of the Convention’, spreekt men ook wel van ‘a recognised fundamental value at the core of positive human rights law’, en wordt het meermaals aangeduid als het fundament of de grondslag van de mensenrechten. Enerzijds heeft menselijke waardigheid kennelijk alles met mensenrechten van doen, anderzijds is waardigheid iets dat er kennelijk los van kan worden gedacht, zozeer zelfs dat de Staatscommissie Grondwet vol kan houden dat de Nederlandse overheid zowel de menselijke waardigheid als de grondrechten als de fundamentele rechtsbeginselen heeft te eerbiedigen en waarborgen. Daarbij zij aangetekend dat het niet ongebruikelijk is om in het beginsel van eerbiediging van de menselijke waardigheid tevens een (algemeen) rechtsbeginsel te zien, zoals overigens ook diezelfde Staatscommissie doet.

Waardigheid en mensenrechten

Hoe verhoudt menselijke waardigheid zich tot de mensenrechten? In de preambules van het IVBPR en het IVESCR wordt eenvoudig gesteld dat de door die verdragen beschermde rechten ‘voortvloeien uit de inherente waardigheid van de menselijke persoon’. Als de relatie tussen beide ideeën zo beschreven wordt, kan vrij gemakkelijk iets over de inhoud van het begrip van waardigheid gezegd worden. Immers, het in acht nemen van iemands grondrechten komt dan neer op het eerbiedigen van diens waardigheid. En het schenden van iemands grondrechten zal dan een aantasting betekenen van diens waardigheid. In beginsel dan toch. Een privacyschending is een waardigheidsaantasting. Iemand discrimineren evenzeer. Maar een verdragspartij die nalaat werk te maken van sociale zekerheid, respecteert de waardigheid van haar economisch zwakkere burgers evenmin. De staat die partij is bij het IVESCR en niet voorziet in voor allen verplicht en kosteloos primair onderwijs, schendt de waardigheid van generaties. En de overheid die geen toegang tot noodzakelijke gezondheidszorg organiseert, neemt een loopje met de waardigheid van zorgbehoevenden.

Zo bezien kan van het begrip van menselijke waardigheid alleen maar gezegd worden dat het een ongemeen rijke inhoud heeft. Het geven van een definitie van ‘menselijke waardigheid’ is dan ook onmogelijk. Filosofen mogen het proberen, juristen kunnen het niet, althans niet zonder de betekenis geweld aan te doen. Immers, de gepositiveerde mensenrechten zèlf zijn de betekenis van menselijke waardigheid, in al hun uitwerkingen. En niet alleen de klassieke vrijheidsrechten, maar alle grondrechten, met inbegrip van de economische, de sociale en de culturele. Alle grondrechten zijn concretiseringen van (respect voor) menselijke waardigheid.

Een niet te definiëren begrip

Dit alles suggereert dat ‘menselijke waardigheid’ dan misschien wel niet te definiëren is, maar dat het weergeven van de betekenis, en het vastleggen ervan, niet onmogelijk is. Toch is dat niet echt zo. Alle tot grondrechten gepositiveerde mensenrechten zijn de betekenis van ‘menselijke waardigheid’, maar ook weer niet. Het weergeven en vastleggen van de betekenis van ‘menselijke waardigheid’ zou niet alleen een buitengewoon bewerkelijke onderneming zijn, men zou ook altijd achter de feiten aanlopen. De bron droogt immers niet op. Menselijke waardigheid is niet alleen gepositiveerd en geconcretiseerd, maar blijft ook altijd te positiveren en te concretiseren. Het begrip is zowel bepaald als onbepaald, en niet stabiel maar ‘in flux’.

De al genoemde Staatscommissie Grondwet wijst op de onbestemde kern van het begrip wanneer zij spreekt van de verschillende functies van het beginsel van eerbiediging van de menselijke waardigheid. Enerzijds bij de interpretatie en toepassing van grondrechten, als toetssteen dus, anderzijds als leidraad, dat wil zeggen: bij het maken van keuzes en de afweging van belangen in het geval grondrechten met elkaar botsen. Interessant is nu dat de Commissie daarbij opmerkt dat ‘gezichtspunt daarbij kan zijn dat hoe nauwer het verband is tussen (de aantasting van) een grondrecht en de menselijke waardigheid, des te meer gewicht toekomt aan dat grondrecht’. Welke grondrechten nu precies een nauwer verband met het beginsel hebben, laat de Commissie in het midden, maar meer dan waarschijnlijk ontleent ze het denkbeeld van een hiërarchie van grondrechten aan jurisprudentie van het EHRM, die in enkele uitspraken inderdaad van een rangorde lijkt uit te gaan.

De rechter in Straatsburg kan die hiërarchie uiteraard alleen maar aannemen voor de grondrechten waarvan de schendingen aan hem voorgelegd kunnen worden. Hoe nauw het verband is tussen economische, sociale en culturele rechten en menselijke waardigheid als beginsel, weten we niet daar de beoordeling van schendingen van deze rechten volgens het Europees mensenrechtenrecht immers niet tot de bevoegdheid van het EHRM behoort. Maar dat deze grondrechten niet of in mindere mate in rechte afdwingbaar plegen te zijn, impliceert nog niet dat hun schending in beginsel geen inbreuk op de menselijke waardigheid oplevert. En het komt mij bovendien voor dat ook voor ESC-rechten geldt dat zij – als alle grondrechten – beperkt kunnen worden, maar nimmer in de kern mogen worden aangetast. Dat rechters zich in veel rechtsculturen niet over die vraag mogen buigen, wil nog niet zeggen dat aantasting van de wezenlijke kern van economische, sociale en culturele rechten aanvaardbaar is. De Staatscommissie zelf bepleit de opneming in de Grondwet van een beperkingsclausule die een verbod inhoudt op aantasting van de kern van alle grondrechten.

Het heeft er dus alle schijn van dat het onbepaalde deel van het begrip van menselijke waardigheid veel minder richtinggevend is dan de Staatscommissie aanneemt. Dit lijkt het beginsel inderdaad ongeschikt te maken als rechtsbeginsel, hoe rijk aan inhoud het begrip verder ook is. Dat hoeft overigens geen belemmering te zijn voor de ontwikkeling van een goede rechtstheorie op het gebied van het gezondheidsrecht. Met het bepaalde deel van het begrip moeten gezondheidsjuristen uit de voeten kunnen. Aan de keuzes die door wetgevers en rechters gemaakt zijn met betrekking tot de concretiseringen van het beginsel die voor de gezondheidszorg relevant zijn, te weten de grondrechten van toegang tot noodzakelijke voorzieningen van gezondheidszorg, van gelijke behandeling, van de eerbiediging van de lichamelijke en geestelijke integriteit en van de persoonlijke levenssfeer, en aan de belangenafweging die daaraan ten grondslag ligt, kan een gezondheidsjurist meer dan voldoende houvast ontlenen. Op basis van deze normen is zeer wel een theorie te construeren die doet wat van een wetenschappelijke theorie mag worden verlangd – verklaren waarom de voor de gezondheidszorg toepasselijke rechtsregels en -regeltjes zijn zoals ze zijn, de rechtsontwikkeling op dat terrein enigszins voorzien – en daarenboven ook nog eens een meer dan adequaat interpretatief kader biedt voor de praktiserende gezondheidsjurist.

Het begrip van menselijke waardigheid is weliswaar (zeer) rijk aan inhoud, maar blijft een door min of meer gestolde betekenis omsloten onbestemde kern houden, een zwart gat als het ware, met dan dit verschil dat er niets in verdwijnt, maar alles er juist uit lijkt voort te komen. Wanneer van waardigheid als beginsel gesproken wordt, lijkt men naar dat deel van de begripsinhoud te verwijzen. Ten onrechte stelt de Staatscommissie Grondwet dit gat minder zwart voor; van teveel grondrechten – in het bijzonder de sociale, culturele en economische – is onbekend hoe nauw hun verband met het beginsel precies is. Dat er een verband is, moge duidelijk zijn: van alle grondrechten kan immers worden volgehouden dat hun schending een inbreuk op de waardigheid oplevert. Althans, in beginsel.

Voor de beoefenaars van een vakgebied waarin toch onmiskenbaar de verwerkelijking van een sociaal grondrecht centraal staat, te weten de toegang van een ieder tot voorzieningen van noodzakelijke gezondheidszorg, betekent dit dat menselijke waardigheid als rechtsbeginsel inderdaad weinig bruikbaar is.

Waarover toch wel wat valt te zeggen…

Dit alles neemt niet weg dat er over de juridische notie van menselijke waardigheid meer te zeggen valt, en misschien wel meer dan men pleegt aan te nemen. Het gesignaleerde verband tussen mensenrechtenschendingen en waardigheidsinbreuken doet vermoeden dat waardigheid een attribuut is van de individuele mens. Dit is in feite zozeer een cliché, dat men er nogal eens aan voorbijgaat. Dat vooral Nederlandse gezondheidsjuristen persoonlijke autonomie een verheven plaats hebben toegewezen, wil niet zeggen dat buiten het vakgebied autonomie als rechtsbeginsel volkomen onbekend is. De al genoemde Staatscommissie Grondwet bijvoorbeeld omschrijft het ‘beginsel van zelfbeschikking en autonomie’ als het ‘beginsel [dat] impliceert dat iedere persoon binnen grenzen gerechtigd is om te handelen op basis van zijn eigen idee van inrichting van zijn eigen leven, in plaats van op basis van ideeën die de overheid heeft’. Zij aanvaardt dit beginsel bovendien als rechtsbeginsel door het te beschouwen als een aspect van menselijke waardigheid. En dat is niet zonder reden. In recente jurisprudentie van het EHRM wordt zelfs onomwonden gesproken van een recht op persoonlijke autonomie. De Commissie voegt hier evenwel aan toe dat zich botsingen kunnen voordoen binnen het concept van menselijke waardigheid. ‘Zo kan het beginsel van persoonlijke autonomie conflicteren met andere aspecten van menselijke waardigheid.’ In zijn algemeenheid valt geen voorrang voor een van de aspecten aan te geven, zo besluit zij, en zal een afweging van belangen steeds in het concrete geval moeten plaatsvinden.

Met andere woorden, als persoonlijke autonomie inderdaad juridische betekenis heeft, dan is menselijke waardigheid toch het omvattende of onderliggende begrip. En dat lijkt mij als gezondheidsjurist alvast geen onjuiste voorstelling van de verhouding tussen beide begrippen. Zo zal de arts die de wens van een wilsbekwame patiënt om van verdere ingrepen verschoond te blijven negeert, ook als het een levensverlengende of zelfs levensreddende therapie betreft, niet alleen de autonomie van zijn patiënt schenden, maar ook diens waardigheid. En de arts die gehoor geeft aan zo’n wens, respecteert niet alleen de autonomie van zijn patiënt maar eerbiedigt ook diens waardigheid. Echter, de hulpverlener die in een noodsituatie nalaat om van zijn patiënt ‘informed consent’ te verkrijgen alvorens over te gaan tot levensreddend handelen, zal niet per definitie ook een inbreuk plegen op de waardigheid van die patiënt. Door op deze wijze diens autonomie te veronachtzamen, is het meer dan waarschijnlijk dat hij de waardigheid van zijn patiënt juist eerbiedigt.

‘Waardigheid’ en ‘autonomie’ zijn overduidelijk niet synoniem. Toch wordt wel beweerd dat ‘waardigheid’ geen betekenis heeft welke die van ‘autonomie’ overstijgt. Het is wellicht tegen de achtergrond van deze opvatting dat de Staatscommissie het nodig heeft geacht de verhouding tussen beide begrippen enigszins te verhelderen. Diegenen die waardigheid met autonomie vereenzelvigen, of autonomie onomwonden aanwijzen als hèt rechtsbeginsel, zoals veel beoefenaars van het Nederlandse gezondheidsrecht doen, staan bloot aan twee verwijten. Het eerste is terecht, het tweede heel wat minder.

Waardigheid komt de individuele mens toe

Allereerst kan deze denkers worden aangewreven dat zij meer gewicht toekennen aan één categorie van grondrechten, namelijk de vrijheidsrechten. Daar is onvoldoende reden toe, en zeker op het terrein van het gezondheidsrecht leidt dat tot interpretaties met twijfelachtige, en soms zelfs gevaarlijke uitkomsten. In het verlengde daarvan ligt het veelgehoorde verwijt er een (te) individualistische kijk op grondrechten op na te houden; een opvatting die vaak met het Westen wordt geassocieerd. Dit verwijt is niet terecht voor zover daarmee de suggestie wordt gewekt dat degenen die onwillig zijn waardigheid tot autonomie te reduceren, een minder individualistische conceptie van waardigheid koesteren. Dat waardigheid niet met autonomie kan worden vereenzelvigd, neemt niet weg dat slechts de individuele mens te beschouwen is als subject van waardigheid. Waardigheid is een attribuut van het menselijke individu, niet van de groep.

Waardigheid is wezenlijk

Van waardigheid kan met zekerheid nog een en ander worden gezegd. Allereerst dat zij wezenlijk is. Waardigheid is inherent (‘inherent’) aan de menselijke persoon, waarmee lijkt samen te hangen dat zij tevens onschendbaar (‘inviolable’) en onvervreemdbaar (‘inalienable’) is. Het algemene principe dat menselijke waardigheid respect verdient, lijkt daarmee te impliceren dat de schending en de vervreemding van de waardigheid van een persoon niets minder betekent dan de miskenning van dat individu als mens. Waardigheid is dus wezenlijk met mens-zijn verbonden. Wat is dan mens-zijn?

Destijds vonden de opstellers van de Universele verklaring van de rechten van de mens het aanvankelijk een goed idee om filosofen en theologen van over heel de wereld te betrekken bij hun poging de basisconcepten te verhelderen. Dit leidde evenwel tot niets dan gekibbel. Een anekdote wil dat Eleanor Roosevelt twee prominente leden van dat gezelschap – Charles Malik, een Libanese thomist en Peng-Chun Chang, een Chinese confucianist – op de thee vroeg om van gedachten te wisselen over de grondslagen van de mensenrechten. Na het debat tussen beide filosofen aanvankelijk gefascineerd te hebben aangehoord, trok de voorzitster van de werkgroep vrij snel de conclusie dat dergelijke filosofische controverses een enorme politieke sta-in-de-weg voor de Verklaring zouden kunnen opleveren. Het strategische besluit om iedere vorm van metafysica verre van de voorbereidende besprekingen te houden, was daarna eveneens snel genomen.

Metafysische bescheidenheid is kenmerkend gebleven voor het mensenrechtendiscours. Speculaties over de menselijke natuur blijven achterwege, en veel meer dan stellingen als ‘Dignity is a consequence of being human’ zal men niet aantreffen. En ook over het inherent-zijn van waardigheid is men doorgaans kort. ‘An individual’s dignity can be respected or violated, yet it can neither be granted nor lost.’ Of: ‘The equality and universality of human dignity and human rights do not originate from a convention.’ Of: ‘One possesses dignity and its subsequent rights not due to the recognition of other human beings, but due to one’s descent from them.’

Filosofen en theologen kunnen het speculeren niet laten. Onder hen bevinden zich tal van denkers die waardigheid met aspecten van de menselijke natuur verknopen. Immanuel Kant, die waardigheid grondvestte op autonomie en rede, is uiteraard zeer bekend. De hedendaagse filosoof Alan Gewirth definieert menselijke waardigheid als ‘a kind of intrinsic worth (…) constituted by certain intrinsically valuable aspects of being human’. En ongetwijfeld zullen ook vandaag de dag nog veel christelijke theologen waardigheid niet los willen zien van de mens als schepsel Gods.

Tegenover deze ‘substantivisten’ staan denkers, juristen ook, die meer aansluitend op het mensenrechtendiscours menselijke waardigheid slechts zien als ‘foundational, declaratory, and undefined’, ‘a sort of axiom in the system’, ‘a bedrock concept that resists definition in terms of something else’, of ‘a formal background value’. Anders dan de ‘substantivisten’ begrijpen aanhangers van deze ‘formalistische’ benadering van menselijke waardigheid haar als funderend principe, dat zich onttrekt aan verdere analyse.

Beide ‘scholen’ hebben een punt, en beide hebben ongelijk. Is men er eenmaal van doordrongen dat het begrip van menselijke waardigheid inhoud gegeven is en wordt door de positivering van en concretisering door mensenrechten, dat haar inhoud daarmee steeds zowel bepaald als onbepaald is, dan is daarmee geïmpliceerd dat analyse steeds deels mogelijk is, en deels ook niet. Voor zover menselijke waardigheid met en door grondrechten betekenis gegeven is, valt zij te kennen en verder begrippelijk te ontsluiten, en voor zover dat niet is gebeurd, is dat onmogelijk. Menselijke waardigheid is inhoudelijk niet onveranderlijk, zoals de eerste benaderingswijze lijkt te veronderstellen, maar evenmin leeg, zoals de tweede aanvoert. De betekenis van ‘menselijke waardigheid’ ontvouwt zich gaandeweg, maar nooit volledig. De ‘valuable aspects of being human’ openbaren zich in de tijd. Zo is met de erkenning van het grondrecht op noodzakelijke gezondheidszorg de waarde van gezondheid als aspect van menselijke waardigheid gebleken. Maar de gehele betekenis van menselijke waardigheid zal niemand (kunnen) vatten. Inhoudelijk is en blijft de kern van het begrip onbestemd.

Waardigheid is tijdelijk

Menselijke waardigheid is voorts tijdelijk. Aan het mens-zijn kleven aspecten waar men zelfs in het abstracte mensenrechtenrecht niet omheen kan. Mensen zijn tijdelijke wezens: zij komen en gaan, worden geboren en zullen sterven. Hebben ongeboren en gestorven mensen ook waardigheid die respect verdient?

Volgens artikel 1 UVRM worden alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Daarmee lijkt ongeboren menselijk leven van de werking van de UVRM-rechten uitgesloten. Op Europees niveau is de status van ongeboren menselijk leven onduidelijk. In haar in 2009 verschenen proefschrift signaleert Van Beers dat er slechts duidelijkheid is met betrekking tot het in artikel 2 EVRM neergelegde recht op leven van het embryo in vitro. Extracorporele embryo’s zijn van de bescherming van dat recht uitgesloten. Voor het overige ongeboren leven weigert het EHRM consequent zich uit te spreken over het al dan niet bezitten van persoonlijkheid.

Eenzelfde onduidelijkheid is er eigenlijk ook ten aanzien van gestorvenen. In een recente uitspraak heeft het EHRM gesteld dat met de dood de ‘human quality’ teloorgaat. Of het Hof daarmee bedoeld heeft te zeggen dat na de dood de menselijkheid verdwijnt, blijft in het midden. Maar vast staat dat na de dood niet alle EVRM-grondrechten nog bescherming bieden. Volgens het Hof kan lijkschennis in ieder geval niet worden beschouwd als een onmenselijke of vernederende behandeling van de gestorvene als bedoeld in artikel 3 EVRM.

Kortom, postmortaal bieden niet alle grondrechten nog bescherming, en prenataal bieden niet alle grondrechten al bescherming, ofschoon vooral dit laatste sterk afhankelijk is van nationale wetgeving. Bij ongeborenen en gestorvenen kan niet worden volgehouden dat iedere grondrechtenschending in beginsel ook een inbreuk op de waardigheid oplevert. Hun waardigheid verdient zogezegd minder respect. Zo niet tussen geboorte en dood. Tussen deze momenten is er met zekerheid volkomen waardigheid, en wel voor een ieder. En daarmee zijn we aanbeland bij het laatste predicaat. Menselijke waardigheid is niet alleen wezenlijk en tijdelijk, zij is ook gelijk. ‘One’s human dignity, if it is a mark of anything, is a mark of one’s equality on some fundamental level with other human beings.’

Waardigheid hebben we allemaal, in gelijke mate

Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren, aldus – nogmaals – artikel 1 UVRM. ‘Waardigheid’, dat verwijst naar een waarde die respect verlangt, is oorspronkelijk helemaal geen term die betrekking heeft op een toestand van gelijkheid. ‘Dignitas’, ‘dignity’ of ‘dignité’ kwam van oudsher de patriciër toe, de geestelijke en de edelman, vooral in hun publieke optreden. Historisch gezien is ‘waardigheid’ met status, rang en maatschappelijke positie verbonden en brengt het dus hiërarchische verhoudingen tot uitdrukking. Dat waardigheid begrepen wordt als attribuut van alle mensen is van relatief recente datum. De claim dat het loutere mens-zijn een individu reeds met gelijke waardigheid doet bekleden is welbeschouwd ongehoord revolutionair, gezien de lange traditie waarin waardigheid uitsluitend in fundamenteel hiërarchische termen begrepen werd.

De metafysica van het mensenrechtendiscours is bescheiden in die zin dat over het eigene van mens-zijn in algemene zin weinig of niets gezegd wordt. Dit is niet alleen historisch verklaarbaar vanuit politiek-strategische prudentie, het is ook vooral ingegeven door het egalitaire karakter van waardigheid. Omwille van de gelijkheid kan van het mens-zijn evenwel niet genoeg worden geabstraheerd. Niet alleen is er waardigheid ongeacht leeftijd, ras, geslacht et cetera, maar ook ongeacht individuele eigenschappen, talenten en mogelijkheden. Immers, zouden mensen hieraan hun waardigheid ontlenen, dan zou waardigheid niet iedereen in gelijke mate toekomen noch zou iedereen gedurende zijn leven aanspraak maken op dezelfde mate van respect. Pijn, lijden, zwakte en het onvermogen zich te uiten tasten de waardigheid van individuele mensen geenszins aan. Ware dat wel zo, dan zouden zieken, comateuzen, stervenden en de allerzwaksten minder respect verdienen. Zo bezien is zelfs de opmerking dat mensen met verstand begiftigd zijn (artikel 1 UVRM) een allesbehalve onschuldige gemeenplaats.

Waardigheid in het abortusdebat

Een jurist die aangeeft menselijke waardigheid te beschouwen als kernbegrip, zegt daarmee zowel veel als weinig. Hoewel ‘menselijke waardigheid’ uiteraard ook buiten het recht betekenis heeft en zich daar niet laat reduceren tot grondrechten, is dat anders in het recht. Daar vormen gepositiveerde mensenrechten de (veranderlijke) inhoud van het begrip. Zo bezien is menselijke waardigheid een begrip met een buitengewoon rijke inhoud. Maar het begrip blijft altijd ten dele onbepaald. Als algemeen rechtsbeginsel is menselijke waardigheid dan ook weinig richtinggevend. Minder nietszeggend wordt het beginsel naarmate het gepositiveerd is. Vakjuristen zoals gezondheidsjuristen doen er daarom verstandig zich te oriënteren op de grondrechten die relevant zijn voor hun rechtsgebied.

Waardigheid is een attribuut van de individuele mens. Grondrechten kunnen aldus nooit te individualistisch worden begrepen. Van waardigheid als attribuut van de menselijke persoon kan verder gezegd worden dat zij gekenmerkt wordt door wezenlijkheid, tijdelijkheid en gelijkheid. Dit zijn zogezegd de transcendentalia van de menselijke waardigheid. Haar inhoud openbaart zich evenwel in de tijd. De waardevol geachte aspecten van het mens-zijn tonen zich met en in de positivering van mensenrechten.

Naar huidig recht komt de vrouw waardigheid toe, de ongeboren vrucht niet. Daarmee is niet gezegd dat de ongeboren vrucht geen mensenrechtenbescherming geniet. In tegendeel, maar anders dan de vrouw geniet de vrucht niet de volledige mensenrechtenbescherming. Die bescherming genieten mensen – alle mensen – slechts na hun geboorte en tot hun dood. Beneden de 24 wekengrens weegt het belang van de vrouw zwaarder dan dat van de vrucht. Na die grens is het belang van de vrucht zwaarwegender. Of, in termen van beginselen, beneden de abortusgrens prevaleert de autonomie van de vrouw, na het passeren van die grens, het recht op leven van de vrucht. Voor de grens is het onthouden van hulp bij zwangerschapsafbreking een schending van de autonomie van de vrouw, en daarmee van haar waardigheid. Haar die hulp onthouden, is een waardigheidsschending. Na het passeren van die grens is een dergelijke onthouding niet langer een waardigheidsschending.

Het levensvatbaarheidscriterium vertroebelt het zicht op het werkelijke debat. Het pleidooi voor verlaging van de abortusgrens ontleent zijn kracht aan het volgende argument , onder meer verwoord door Hans van Goudoever: “Want wanneer je kinderen van 23 weken het leven wilt gaan redden omdat je denkt dat ze dan nog kans op overleven hebben, kun je abortus bij 24 weken niet langer toestaan.” Ook de wetgever argumenteerde destijds zo door de abortusgrens te laten samenvallen met levensvatbaarheid. De argumentatie lijkt consequent. Maar is het welbeschouwd helemaal niet. Bij het proberen te redden van het leven van een vroeggeborene hoeft de afweging met de belangen van de vrouw namelijk helemaal niet gemaakt te worden. Een vroeggeborene geniet immers volledige mensenrechtenbescherming. De geboorte heeft immers al plaatsgevonden. Dat overgegaan wordt tot behandelen is vanuit het mensenrecht gedacht dan ook min of meer vanzelfsprekend. Een ongeborene ontbeert echter die waardigheid. Ongeborenen zijn beschermwaardig vanaf het moment dat de belangen van de vrouw niet langer geacht worden zwaarder te wegen. Iedereen die een lans breekt voor verlaging van de abortusgrens, pleit voor inperking van de autonomie van de vrouw. Iedereen die verlaging van de abortusgrens voorstaat, zal zich moeten afvragen hoeveel inperking de waardigheid van de vrouw verdraagt!