European Centre for Law and Justice
Grégor Puppinck en Constance Avenel
Inleiding door Tista Bobbink
In deze verhandeling staat de vraag centraal of er in Frankrijk een wettelijk recht op sterven kan worden gegarandeerd, door belemmering van hulp bij zelfdoding of euthanasie strafbaar te stellen.
Deze vraag is ook voor onze Nederlandse en Belgische samenleving relevant. Het Europese recht leidt uit het recht op leven in artikel 2 EVRM geen recht op sterven af. Daarmee is het recht op leven een belangrijke bescherming voor ons allen en in het bijzonder de kwetsbaren onder ons: kinderen, gehandicapten en zieken.
De discussie in Frankrijk wordt gevoerd op het scherpst van de snede.
Vorig jaar keurde het Assemblée Nationale, het Franse Parlement, een eerste versie van wetsvoorstel goed, waarbij het recht op sterven zou worden gegarandeerd. Deze tekst werd al op onze website uitvoerig besproken.[1] Daarna werd het wetsvoorstel voor goedkeuring naar de Senaat gestuurd, maar deze wetgevende vergadering had een aantal fundamentele bezwaren[2] en stuurde het ontwerp terug naar de Assemblée Nationale. Op 25 februari 2026 keurde dit parlement, na een tweede lezing, opnieuw het wetsvoorstel goed en verwees het voor een tweede maal naar de Franse Senaat. Wanneer er geen overstemming wordt bereikt tussen de twee wetsorganen, wordt een gemengde paritaire commissie samengeroepen om tot een gemeenschappelijke tekst te komen.
Dr. Grégor Puppinck beschrijft drie grote problemen in verband met deze voorgenomen strafbepaling.
- In de eerste plaats wordt een zeer ruim strafbaar feit ingevoerd op basis van een onduidelijke tekst zodat individuen en organisaties worden geconfronteerd met grote rechtsonzekerheid.
- Ten tweede is deze strafbepaling overbodig en zelfs in strijd met andere strafrechtelijke bepalingen zoals het aanzetten tot zelfmoord en het misbruik van de zwakheid van individuele personen.
- Tot slot is de tekst een flagrante inbreuk op maar liefst zes door de nationale en internationale rechtsorde gewaarborgde rechten en vrijheden:
- het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven,
- de vrijheid van meningsuiting,
- de vrijheid van vestiging, in het bijzonder van confessionele instellingen,
- de gewetensvrijheid van apothekers,
- de vrijheid van godsdienst van aalmoezeniers en geestelijken,
- en de onschendbaarheid van de woning.
Met deze opsomming en de uitwerking daarvan draagt dr. Puppinck belangrijke argumenten aan voor een discussie die ook in andere landen gevoerd zal worden. We kennen nu al de grote druk op artsen en huisartsen om mee te werken aan euthanasie. Tot op heden is de gewetensvrijheid van artsen gewaarborgd. Euthanasie is immers geen geneeskundige handeling die tot het domein van artsen behoort.
Wij bevelen het artikel van harte bij u aan.
[1] Patrick Garré, “Hulp bij zelfdoding in Frankrijk: binnenkort mogelijk?”, 21 september 2025, website JPV: https://provita.nl/publicaties/hulp-bij-zelfdoding-in-frankrijk-binnenkort-mogelijk/
[2] Patrick Garré, “Euthanasie in Frankrijk: eerste overwinning in de Senaat”, 13 maart 2026, Grégor Puppinck, website JPV: https://provita.nl/publicaties2/euthanasie-in-frankrijk-eerste-overwinning-in-de-senaat/
De strafbaarheid van belemmeren van hulp bij sterven: een onsamenhangende en vrijheidsbeperkende maatregel in Frankrijk
Het wetsvoorstel inzake hulp bij sterven is op 25 februari 2026 in tweede lezing aangenomen door het Franse parlement, de Assemblée nationale. Een van de meest omstreden bepalingen gaat over de invoering van een „delict van belemmering van hulp bij zelfdoding en euthanasie” (artikel 17). Dit strafbare feit werd in mei 2024 door een amendement van afgevaardigden van de politieke partij La France Insoumise (LFI-NFP) ingevoerd in het eerdere wetsontwerp betreffende de begeleiding van zieken en het levenseinde. Geen enkel ander land dat euthanasie of hulp bij zelfdoding kent, voorziet in zijn wetgeving in een dergelijke strafrechtelijke maatregel. De Franse tekst is op dit gebied de strengste ter wereld.
Drie grote problemen bij deze wetsbepaling
Deze bepaling werpt een reeks grote problemen op, die in drie delen kunnen worden onderverdeeld.
Het eerste deel betreft de intentie van de wetgever om een uiterst ruim strafbaar feit in te voeren, gekoppeld aan een repressief apparaat dat gerechtelijke intimidatie in de hand werkt. Dit resulteert in een verwarrende tekst, waardoor de toepassing ervan onzeker wordt.
Het tweede deel belicht de juridische inconsistenties van het belemmeringsdelict. Dit strafbare feit is namelijk overbodig en in strijd met bestaande strafrechtelijke bepalingen zoals het aanzetten tot zelfmoord en het misbruiken van de zwakheid (van personen). Het is bovendien in tegenspraak met de strafrechtelijke verplichting om hulp te bieden aan personen die in ernstig en onmiddellijk gevaar verkeren, evenals de plicht van medische beroepsbeoefenaren om hulp te verlenen.
Het derde deel bespreekt de inbreuken die dit misdrijf maakt op zes gewaarborgde rechten en vrijheden, namelijk het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vestiging, in het bijzonder van confessionele instellingen, de gewetensvrijheid van apothekers, de vrijheid van godsdienst van aalmoezeniers en geestelijken, en de onschendbaarheid van de woning.
Uit deze analyse blijkt dat het belemmeringsdelict bij hulp bij levensbeëindiging een vorm van uitzonderingsstrafrecht is, bedoeld om de samenleving te dwingen de praktijk van euthanasie en hulp bij zelfdoding te accepteren. Dit strafbare feit sluit een procedure van hulp bij zelfdoding en euthanasie uit, waarbij anderen worden verhinderd om het uitvoeringsplan tot levensbeëindiging te beïnvloeden. Het vormt een aanvulling op de keuze om naasten het recht te ontnemen om op de hoogte te worden gesteld van het verzoek om hulp bij sterven van hun familielid en het recht op administratief beroep tegen de beslissing van de arts.
A. EEN VERWARRENDE, RUIM GEFORMULEERDE TEKST DIE JURIDISCHE INTIMIDATIE IN DE HAND WERKT
- De onbegrijpelijke formulering van het belemmeringsdelict
De formulering van dit strafbare feit, dat is geïnspireerd door het strafbare feit van belemmering van vrijwillige zwangerschapsafbreking, is erg verwarrend. Dat maakt de toepassing ervan onzeker, en is in strijd met het grondwettelijke doel van de wet, dat vereist dat het strafrecht duidelijk, nauwkeurig en voorspelbaar is, zodat iedereen van tevoren weet wat de reikwijdte is van de strafrechtelijke verboden.
Deze tekst is het resultaat van wetgevend knutselwerk en een omzetting van de strafrechtelijke bepalingen van het strafbare feit van belemmering van abortus (art. L2223 van de Code de la santé publique) naar deze van hulp bij zelfdoding en euthanasie. De opgelegde straf is identiek als bij belemmering van abortus en de constitutieve elementen zijn in soortgelijke bewoordingen geformuleerd.
De definitie van het belemmeringsdelict is onduidelijk. De tekst definieert het belemmeringsdelict namelijk zeer ruim, als een feit dat kan worden gepleegd “op welke wijze dan ook”, en preciseert vervolgens dat het kan worden gepleegd “met inbegrip van elektronische middelen”. Vervolgens wordt nog verder verduidelijkt dat dit misdrijf kan worden gepleegd door belemmeringen van hetzij fysieke hetzij psychologische aard. De alternatieve formulering ”hetzij… hetzij…” sluit uit dat het misdrijf op enige andere wijze kan worden gepleegd; dit zou ook moeten uitsluiten dat het langs elektronische weg kan worden gepleegd, tenzij de digitale belemmering wordt gekoppeld aan morele of psychologische belemmering.
- Een breed toepassingsgebied
Dit misdrijf kan op elke manier, op elke plaats en op elk moment worden gepleegd, ook ten aanzien van de naasten. Ook de poging wordt bestraft.
Het misdrijf van belemmering van “hulp bij sterven” kan worden gepleegd “op elke plaats waar deze [hulp bij sterven] regelmatig kan worden verleend “, aldus het wetsvoorstel. Dit betekent dat iemand kan worden vervolgd voor een belemmeringsdelict dat ”thuis” tegen een naaste is gepleegd, bijvoorbeeld tijdens een gesprek of door iemand die euthanasie op een naaste wil uitvoeren de toegang tot de woning te ontzeggen.
Het belemmeringsdelict kan ook op elk moment worden gepleegd, aangezien het wetsvoorstel niet specificeert wanneer het kan worden gepleegd.
Het belemmeringsdelict kan ook worden gepleegd “op welke wijze dan ook”, waardoor het toepassingsgebied van deze bepaling nog wordt verruimd. We hebben gezien dat de reikwijdte van dit begrip onzeker is. Het begrip “morele en psychologische druk” die het delict vormen, is in het recht niet nauwkeurig en op zichzelf staand gedefinieerd. Het kan dus worden gebruikt om elke vorm van communicatie of boodschap te vervolgen die kan worden geïnterpreteerd als bedoeld om een persoon ervan te weerhouden te sterven[1].
Het belemmeringsdelict kan ook worden gepleegd tegen “de omgeving” van personen die willen sterven en de betrokken zorgverleners. Het gaat erom de omgeving van de persoon die wil sterven te vrijwaren van elke boodschap die de uiteindelijke beslissing zou kunnen beïnvloeden. Merk op dat ook het begrip ‘omgeving’ ruim is en in het strafrecht niet is gedefinieerd.
De wettekst voorziet er ook in de poging tot belemmering strafbaar te stellen. Poging wordt systematisch bestraft in het strafrecht, maar niet in het onrechtmatige daadkracht. Het is dus een keuze van de wetgever om het toepassingsgebied van deze strafbaarstelling zo veel mogelijk uit te breiden.
Maar wat is bijvoorbeeld een poging tot morele belemmering? En wat als deze poging haar doel bereikt, namelijk de persoon ervan te weerhouden om te sterven? Moet dan worden nagegaan of dit resultaat is bereikt door middel van druk of bedreigingen? Elke keer dat iemand afziet van zijn oorspronkelijke doodsverlangen, zal als verdacht worden beschouwd ingeval die persoon een verzoek om te mogen sterven heeft ingediend, vooral als de annulering ervan plaatsvindt na een gesprek met een derde. Het risico op vervolging zal nog groter zijn tijdens de bedenktijd van minimaal 48 uur. Wie durft er met deze persoon te praten om hem of haar te proberen tegen te houden?
De slechte formulering en de uitgebreide reikwijdte van het belemmeringsdelict zijn in strijd met de beginselen van begrijpelijkheid van de wet en de wettigheid van straffen, die vereisen dat de wetgever de reikwijdte van strafbare feiten voldoende duidelijk en nauwkeurig definieert. Het uitgebreide karakter van dit belemmeringsdelict brengt het dichter bij een meningsdelict. Het impliceert het idee dat verzet tegen euthanasie en hulp bij zelfdoding op zich in strijd is met het individuele recht op hulp bij het sterven. Vanaf dat moment zal deze mening worden gezien als een inbreuk op de vrijheid en zal ze maatschappelijk verwerpelijk worden, net als het verzet tegen abortus.
- Een repressief instrument dat gerechtelijke intimidatie in de hand werkt
Om het belemmeringsdelict zo effectief mogelijk te maken, verleent het wetsvoorstel aan actieve euthanasieverenigingen de rechten die aan de burgerlijke partij worden toegekend om strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen elke persoon of instelling die zij schuldig achten aan belemmering van hulp bij de stervenswens. Onder het mom van het verdedigen van de vrije toegang tot hulp bij sterven, geeft deze bepaling deze verenigingen een echt juridisch wapen in handen door hen in staat te stellen personen aan te klagen en te vervolgen die zich verzetten tegen de dood van een patiënt, een naaste of een bewoner.
De belangrijkste actieve vereniging in Frankrijk die van dit recht profiteert, is de Association pour le Droit de Mourir dans la Dignité (ADMD, de Vereniging voor het Recht op Sterven in Waardigheid) [2]. Deze vereniging beschikt sinds 11 augustus 2006 over de erkenning van het Franse Ministerie van Volksgezondheid om de gebruikers in alle ziekenhuizen te vertegenwoordigen, waardoor zij haar ideeën daar kan uitdragen[3] en kan “toezien op de naleving en bevordering van de rechten van de gebruikers “. De ADMD verklaart ”te beschikken over meer dan 200 mandaten voor de vertegenwoordiging van gebruikers (een aantal dat voortdurend toeneemt)” en bevestigt klaar te staan om de wet te handhaven, samen met haar actieve artsen en advocaten[4]. Activisten van de ADMD verklaren dan ook dat ze “artsen en instellingen die weigeren de wet toe te passen, voor de rechter willen dagen” (ADMD-krant nr. 152, juni 2021). Nadat het wetsvoorstel op hulp bij sterven wordt goedgekeurd (waarvoor de ADMD heeft geijverd), zou zij deelnemen aan de uitvoering ervan, zowel door artsen en verpleegkundigen te “leveren” als door tegenstanders aan te klagen.
Deze angst voor gerechtelijke vervolging zal leiden tot een “klimaat van censuur en onderdrukking dat in strijd is met de fundamentele beginselen van democratie en vrijheid van meningsuiting”[5]
B. DE INCONSISTENTIES VAN HET BELEMMERINGSDELICT
4. Nutteloze en overbodige bepalingen
Het bestaande strafrecht bestraft reeds strafbaar gedrag met betrekking tot belemmering, zonder dat het nodig is een nieuw, specialer, strenger, ruimer en minder nauwkeurig delict in het leven te roepen.
Het „gewone” strafrecht bevat reeds een strafbepaling dat misbruik van zwakheid, pesterijen, bedreigingen, fysiek of psychologisch geweld bestraft. Evenzo bestraft artikel 431-1 van het Wetboek van Strafrecht, de fysieke belemmering van het uitvoeren van hulp bij zelfdoding, reeds „het feit om, op een gecoördineerde wijze en met behulp van bedreigingen, de uitoefening van de vrijheid (…) van arbeid te belemmeren”, en voorziet in een straf van een jaar gevangenisstraf en een boete van 15.000 euro. Wat betreft het aanzetten tot zelfmoord, wordt dit al bestraft door artikel 223-13 van het Wetboek van Strafrecht, dat het aanzetten tot zelfmoord verbiedt. Het naast elkaar bestaan van het speciale delict van belemmering van hulp bij sterven en het gewone strafrecht leidt tot juridische inconsistenties.
- De inconsistentie van de straf voor het delict van aanzetten tot hulp bij sterven
Het Franse parlement heeft een strafbaar feit van aanzetting tot hulp bij stervenswens gecreëerd, als tegenhanger van het belemmeringsdelict. Maar dit is in drie opzichten inconsistent.
Belemmering van de hulp bij zelfdoding is twee keer zo ernstig als het aanzetten tot hulp bij zelfdoding
Het strafbare feit van aanzetting tot hulp bij zelfdoding wordt bestraft met een jaar gevangenisstraf en een boete van 15.000 euro voor “het uitoefenen van druk op een persoon om gebruik te maken van hulp bij stervenswens”. Deze straf is twee keer zo laag als die welke wordt opgelegd voor het belemmeringsdelict. In het strafrecht weerspiegelt de zwaarte van een straf de waarde die ermee wordt beschermd. Het verschil in straf tussen het belemmeringsdelict en het delict van aanzetting geeft aan dat de bescherming van het menselijk leven voor de wetgever twee keer minder waarde heeft dan de wil om te sterven. Dit is in strijd met het door de Franse Constitutionele Raad gewaarborgde beginsel van evenredigheid van straffen.
Het aanzetten tot hulp bij sterven is niet in overeenstemming met het delict van uitlokking tot zelfmoord
Aanzetting of uitlokking tot zelfmoord is in het Franse recht al strafbaar (artikel 223-13 van het Wetboek van Strafrecht). Het wordt bestraft met drie jaar gevangenisstraf en een boete van 45.000 euro. De straf voor het aanzetten tot hulp bij zelfdoding is dus drie keer lager. Maar wat is het verschil tussen deze twee misdrijven? In beide gevallen zijn de intentie van de persoon die aanzet tot de dood en de methode die daartoe wordt gebruikt identiek. Alleen de wijze van overlijden verschilt zeer licht; maar deze wijze is niet van belang voor het plegen van het misdrijf. Aanzetten tot zelfmoord als misdrijf blijft bestaan, ongeacht de wijze waarop de zelfmoord wordt gepleegd. Parlementsleden hebben voorgesteld de straf voor het misdrijf van belemmering van hulp bij zelfdoding gelijk te trekken met die voor aanzetting tot zelfmoord, maar dit amendement is verworpen [6]. Ook dit verschil in straffen is in strijd met het grondwettelijke beginsel van evenredigheid van straffen.
Aanzetten tot hulp bij zelfdoding is niet in overeenstemming met het delict van misbruik van zwakheid
Het aanzetten tot hulp bij zelfdoding zou ook kunnen neerkomen op misbruik van de zwakheid van de persoon, wat bestaat uit het frauduleus misbruiken van de zwakke positie van een persoon die bijzonder kwetsbaar is, met name vanwege zijn leeftijd of gezondheidstoestand, om hem of haar te brengen tot “een handeling of een nalatigheid die hem of haar ernstig schaadt”. Dit misdrijf wordt bestraft met drie jaar gevangenisstraf en een boete van 375.000 euro (art. 223-15-2 van het Wetboek van Strafrecht), tegenover één jaar en een boete van 15.000 euro voor het aanzetten tot hulp bij sterven. Ook hier is de inconsistentie duidelijk.
Bovendien moet worden opgemerkt dat de formulering van het delict van aanzetting tot hulp bij zelfdoding summier is in vergelijking met het belemmeringsdelict. Er is met name geen sprake van een delict van aanzetten langs digitale weg.
- Een tegenstrijdigheid met de verplichting om hulp te verlenen aan personen die in ernstig en onmiddellijk gevaar verkeren
Artikel 223-6 van het Wetboek van Strafrecht bestraft met 5 jaar gevangenisstraf en een boete van 75.000 euro eenieder die zich vrijwillig heeft onthouden van het verlenen van hulp aan een persoon die in ernstig en onmiddellijk gevaar verkeert, terwijl hij dit zonder risico had kunnen doen. Deze hulpverplichting geldt met name voor situaties van zelfmoordpogingen. Hoe kunnen dan twee tegenstrijdige verplichtingen naast elkaar bestaan, die zowel het verlenen van hulp als het nalaten daarvan opleggen ten aanzien van dezelfde persoon die wil sterven? Het volstaat dus dat een persoon aangeeft van plan te zijn hem of haar leven te beëindigen door middel van hulp bij zelfdoding of euthanasie om derden te ontslaan van de plicht hem hulp te verlenen. Het bestaan van de strafrechtelijke hulpverplichting hangt dus af van de wijze van zelfdoding, die niet noodzakelijkerwijs bekend is bij derden. Sterker nog, als de persoon wil sterven door hulp bij zelfdoding, dan is hulp verboden, terwijl als hij wil sterven door zelfdoding zonder hulp, hulp verplicht is. De plicht of het verbod om hulp te verlenen hangt dus af van de intentie van de suïcidale persoon met betrekking tot de wijze van zijn of haar overlijden.
- Een tegenstrijdigheid met de deontologische plicht van de medische beroepen
Een arts heeft de plicht om hulp te verlenen aan elke “zieke of gewonde in gevaar” en ervoor te zorgen dat deze de nodige zorg ontvangt (art. R.4127-9 van de Code de la santé publique). Bijgevolg heeft elke arts die op de hoogte is van een ernstig en onmiddellijk zelfmoordrisico de deontologische plicht om in te grijpen, en begaat hij een tuchtrechtelijke fout door dit niet te doen. Het zou echter volstaan dat een patiënt verklaart zijn recht op hulp bij zelfdoding te willen uitoefenen om de arts te verhinderen hem hulp te bieden, zelfs wanneer de doodswens een symptoom van de ziekte is. Hetzelfde probleem doet zich met name voor bij psychiaters en psychologen die vaak mensen behandelen met een doodswens, en wiens taak er juist in bestaat hen daarvan te genezen[7].
Deze situatie plaatst zorgverleners bovendien in een situatie van rechtsonzekerheid, omdat hen gemakkelijk kan worden verweten dat zij door hun zorg en woorden proberen de patiënt ervan te weerhouden om te sterven. Dit bracht parlementslid Charles Sitzenstuhl (EPR) ertoe te zeggen dat het belemmeringsdelict “een loodzware last op de schouders van zorgverleners zal leggen”. Een amendement om zorgverleners uit te sluiten van het toepassingsgebied van het belemmeringsdelict werd verworpen[8], evenals de amendementen die specifiek gericht waren op professionals in de geestelijke gezondheidszorg[9].
C. DIT BELEMMERINGSDELICT SCHENDT DE GRONDWETTELIJKE VRIJHEDEN
Naast de strafrechtelijke verplichting om hulp te bieden aan personen die in ernstig en onmiddellijk gevaar verkeren, bestaat er een morele plicht voor naasten, en een deontologische plicht voor medische beroepen, om hulp te bieden aan een lijdende persoon die overweegt om de dood te vragen. Het bieden van dergelijke hulp aan een naaste of een patiënt, om hem of haar ervan te weerhouden de dood te vragen, kan echter vallen onder het belemmeringsdelict. Dit risico wordt vergroot door de ruime reikwijdte van het strafbare feit en door het recht dat de wet aan actieve verenigingen toekent om gerechtelijke vervolging in te stellen.
- Schending van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven
Het belemmeringsdelict houdt dus een strafrechtelijk risico in voor iedereen die hulp wil bieden aan een naaste die overweegt om de dood te vragen. Verschillende parlementsleden hebben dit risico aan de orde gesteld en gewezen op de behoefte van de zieke persoon, die op de drempel van de dood staat, zich gerustgesteld en geliefd te voelen. Het zou vreselijk zijn om niet tegen een lijdende persoon te kunnen zeggen dat men zijn of haar dood niet wenst. Dit zeggen zou kunnen worden gekwalificeerd als “morele of psychologische druk”, aangezien deze druk niet strikt en autonoom in de wet is gedefinieerd en kan bestaan uit elke boodschap die kan worden geïnterpreteerd als bedoeld om een persoon ervan te weerhouden te sterven[10]. Zo werd bijvoorbeeld, in verband met het belemmeren van abortus, een persoon veroordeeld omdat hij babyslofjes had aangeboden aan een vrouw die informatie kwam inwinnen over abortus[11]. Zoals senator en rapporteur Agnès Canayer op 6 januari 2026 voor de wetgevingscommissie benadrukte: de „ juridische kwalificatie van een dergelijk materieel element lijkt moeilijk, aangezien het onderscheid tussen het verzoek, het smeken, de emotionele chantage en de morele en psychologische druk onzeker is “. Bij een dergelijk gevoelig onderwerp gaat elke discussie met iemand die overweegt om de dood te vragen noodzakelijkerwijs gepaard met een grote emotionele lading en een morele dimensie. Hoe kan men een dergelijke discussie voeren zonder het risico te lopen vervolgd te worden?
De mogelijkheid voor naasten om deze morele plicht te vervullen valt onder het domein van het privé- en gezinsleven, en is als zodanig gewaarborgd. De toepassing van het belemmeringsdelict op de relaties tussen naasten vormt een onrechtmatige en buitensporige inmenging in het privé- en gezinsleven.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft het legitieme belang van naasten om beslissingen over het levenseinde aan te vechten, reeds erkend in het licht van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven in zijn arrest Koch tegen Duitsland van 19 juli 2012 [12]. Het erkent dus dat naasten een legitieme plaats hebben in het proces rond het levenseinde van de betrokken persoon. Het is echter juist deze legitieme en noodzakelijke plaats die het belemmeringsdelict criminaliseert.
Het verbod voor naasten om te proberen iemand ervan te weerhouden voor de dood te kiezen, wordt versterkt door het verbod om de beslissing van de arts om de dood van hun naaste toe te staan, voor de rechter aan te vechten.
- De schending van de vrijheid van meningsuiting
Het belemmeringsdelict schendt ook de vrijheid van meningsuiting door de dreiging van gerechtelijke vervolging op te leggen voor elke handeling of elk gesprek dat erop gericht is iemand ervan te weerhouden om voor de dood te kiezen. Het belemmeringsdelict richt zich niet alleen op fysieke belemmeringen van de uitoefening van hulp bij zelfdoding, maar ook op informatiebelemmeringen, met inbegrip van elektronische, die bestaan uit het “doorgeven van beweringen of aanwijzingen “ of het uitoefenen van ”morele of psychologische druk”. Al deze begrippen ontberen een precieze definitie, wat leidt tot rechtsonzekerheid over wat er gezegd mag worden, wanneer, waar, tegen wie, door wie, enz.
Het is moeilijk voor te stellen hoe het louter raadplegen van informatie op een website iemand zou beletten om hulp bij zelfdoding uit te oefenen of zich te informeren. Dit vage strafbare feit leent zich voor de meest ruime interpretaties, in strijd met het grondwettelijke beginsel van de strikte uitleg van het strafrecht, op grond waarvan de wetgever strafbare feiten in voldoende duidelijke en precieze bewoordingen moet omschrijven om willekeur uit te sluiten.
Deze rechtsonzekerheid treft niet alleen personen die rechtstreeks in contact kunnen komen met iemand die levensbeëindiging overweegt, maar ook iedereen die zich “online” uitspreekt, op grond van het delict van digitale belemmering. De invoering van dit strafbare feit was oorspronkelijk bedoeld om websites te vervolgen die telefonische of digitale contacten leggen met zwangere vrouwen in nood, met als doel hen hulp te bieden om abortus te voorkomen. Deze actie is echter vergelijkbaar met die van diverse verenigingen voor zelfmoordpreventie, die juist tot doel hebben mensen ervan te weerhouden zelfmoord te plegen. Dit nieuwe strafbare feit zal deze verenigingen dus met grote rechtsonzekerheid opzadelen: de rechtmatigheid van hun zelfmoordpreventie zal afhangen van de wijze waarop de zelfmoord plaatsvindt. Als iemand in de verleiding komt tot hulp bij zelfdoding of euthanasie, zou het strafrechtelijk riskant worden om hem of haar daarvan te weerhouden. Een amendement dat erop gericht was deze verenigingen uit te sluiten van het toepassingsgebied van het belemmeringsdelict, werd eveneens verworpen[13].
De Constitutionele Raad heeft in zijn uitspraak van 16 maart 2017 [14] met betrekking tot abortus, en heeft twee interpretatieve voorbehouden geformuleerd om het toepassingsgebied ervan te beperken. De wetgever heeft deze voorbehouden echter genegeerd in de tekst met betrekking tot hulp bij zelfdoding.
De vrijheid van meningsuiting wordt ook gewaarborgd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ook met betrekking tot ethische onderwerpen. Het feit dat het onderwerp gevoelig ligt, is dus geen legitieme reden om de vrijheid van meningsuiting te beperken. Integendeel, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is ervan overtuigd dat „de vrijheid van meningsuiting geldt niet alleen voor ‚informatie‘ of ‚ideeën‘ die gunstig worden onthaald of als onschadelijk of onbelangrijk worden beschouwd, maar ook voor die welke aanstoot geven, schokken of verontrusten: zoals vereist door pluralisme, tolerantie en openheid, zonder welke er geen ‟democratische samenleving’ bestaat”[15]. Sterker nog, volgens het EHRM houdt de vrijheid van meningsuiting in dat „er een zekere mate van overdrijving, of zelfs provocatie, mogelijk is”[16]. Dit geldt ook voor controversiële morele kwesties[17] . Het EHRM oordeelde dan ook dat een radicale campagne tegen abortus „bijdraagt aan een zeer controversieel debat van algemeen belang” en benadrukte dat „er geen twijfel kan bestaan over de grote gevoeligheid van de morele en ethische kwesties die door de abortuskwestie aan de orde worden gesteld, noch over het belang van het algemeen belang dat hiermee gemoeid is”[18]. Als onderwerp van algemeen belang geniet het verzet tegen abortus een zeer grote bescherming[19], gelijkwaardig aan die welke wordt toegekend aan de politieke meningsuiting[20]. Dit geldt bij analogie voor de meningsuiting met betrekking tot hulp bij zelfdoding.
- De schending van de vrijheid van instellingen, in het bijzonder voor confessionele instellingen
Artikel 14 van het wetsvoorstel verplicht directeuren van gezondheids- en medisch-sociale instellingen om de praktijk van hulp bij zelfdoding binnen hun instellingen toe te laten. Dit geldt voor alle openbare en particuliere instellingen, ongeacht of ze al dan niet met overheidsmiddelen worden gefinancierd, met inbegrip van confessionele instellingen.
Indien een dergelijke directeur de instelling de toegang weigert aan een extern team dat daar hulp bij zelfdoding wil toepassen op een van zijn bewoners of patiënten, zou hij zich schuldig maken aan fysieke belemmering. Vanaf dat moment zou elke instelling die uit principe tegen euthanasie en hulp bij zelfdoding is, en dus gebaseerd is op een ethiek van respect voor het leven, in een illegale situatie terechtkomen. Deze instellingen zouden bovendien in conflict kunnen komen met de regionale gezondheidsautoriteiten (ARS).
De ethische vrijheid van instellingen is echter een onderdeel van de vrijheid van geweten en godsdienst. De vrijheid van vereniging en godsdienst garanderen immers elke op een ethiek gebaseerde organisatie, en a fortiori een religieuze instelling, de vrijheid om te functioneren met inachtneming van de religieuze regels en haar overtuigingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft deze institutionele vrijheid omschreven aan de hand van het concept van het “autonomieprincipe”, dat herhaaldelijk is bevestigd[21]. De voormalige Europese Commissie voor de Rechten van de Mens heeft bijvoorbeeld erkend dat een katholiek ziekenhuis[22] een instelling is die deze institutionele vrijheid geniet, gewaarborgd door het “autonomieprincipe”. Evenzo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie ook aan een katholiek ziekenhuis[23] de hoedanigheid van „onderneming met een bepaalde oriëntatie“ toegekend, waardoor het in die hoedanigheid een speciale status geniet die met name tot uiting komt in artikel 4 van Richtlijn 2000/78/EG[24]. In Frankrijk heeft het Hof van Cassatie in zijn arrest in plenaire zitting van 4 april 2025 “het beginsel van autonomie van religieuze gemeenschappen, voortvloeiend uit artikel 9 van het Verdrag” erkend.
- De schending van de gewetensvrijheid van apothekers
Volgens artikel 8 van het wetsvoorstel zal elke apotheker verplicht zijn het gif te bereiden en af te geven, in strijd met het beginsel dat “de apotheker zijn taak uitoefent met respect voor het leven en de menselijke persoon” Art. R42-35-2 van de Code de la santé publique). Frankrijk zou het enige land zijn dat de gewetensvrijheid van apothekers niet respecteert, van de landen die euthanasie of hulp bij zelfdoding hebben gelegaliseerd.
De weigering om het gif af te geven stelt de apotheker bloot aan professionele en disciplinaire vervolging, maar hij kan ook strafrechtelijke vervolging wegens belemmering van de rechtsgang, indien deze weigering wordt opgevat als het uitoefenen van morele of psychologische druk op het personeel dat betrokken is bij de uitvoering van de hulp bij zelfdoding en dat hem om de afgifte van het gif heeft verzocht.
- De schending van de taak van aalmoezeniers en geestelijken
Artikel R1112-46 van de Code de la santé publique bepaalt dat „ziekhuispatiënten in staat moeten worden gesteld om hun geloof te belijden. Zij ontvangen, op hun verzoek gericht aan de directie van de instelling, bezoek van de geestelijke van hun keuze.” Het komt vaak voor dat mensen, wanneer de dood nadert, vragen om een geestelijke te spreken. Aangezien zelfmoord en euthanasie echter verboden zijn door de joodse, christelijke en islamitische religies, kan een geestelijke alleen maar proberen zijn gelovige ervan te weerhouden hiertoe over te gaan. Hem kan worden verweten dat hij dreigementen uitspreekt met betrekking tot het heil van de gelovige en religieuze, en dus morele, druk op de persoon uitoefent. De amendementen die erop gericht waren geestelijken uit te sluiten van het toepassingsgebied van het delict van belemmering zijn allemaal verworpen[25]. De voormalige minister van Volksgezondheid, Catherine Vautrin, die het wetsvoorstel oorspronkelijk indiende, probeerde te sussen door te verzekeren dat “het persoonlijke gesprek met een vertegenwoordiger van de geloofsgemeenschap geen strafbaar feit van belemmering vormt, omdat het om ‘persoonlijke gesprekken’[26] zou gaan”, maar deze uitspraken zijn uitsluitend haar eigen mening.
- De schending van de onschendbaarheid van de woning
Het delict van de fysieke belemmering bestraft eenieder die een arts of verpleegkundige de toegang tot zijn woning zou ontzeggen wanneer deze zich daar meldt om hulp bij zelfdoding uit te voeren bij een persoon die in diezelfde woning verblijft, bijvoorbeeld een echtgenoot of een ouder. Hetzelfde geldt voor een instellingsverantwoordelijke die deze personen de toegang zou weigeren om te voorkomen dat er in zijn gebouwen hulp bij zelfdoding wordt uitgevoerd.
Het beginsel van de onschendbaarheid van de woning is grondwettelijk verankerd en beschermt iedereen tegen ongeoorloofde inbreuken op zijn woning. Het garandeert dus iedereen het recht om derden, met name een arts of verpleegkundige, de toegang tot zijn woning of instelling te weigeren. De wetgever heeft duidelijk geen rekening gehouden met dit scenario.
Conclusie: het belemmeringdelict is een vrijheidsbeperkende en contraproductieve vorm van strafbaarstelling
Het wetsontwerp inzake het delict van belemmering, dat specifiek betrekking heeft op hulp bij zelfdoding, is slecht geschreven, heeft een zeer breed toepassingsgebied, blijkt juridisch niet in overeenstemming te zijn met het bestaande strafrecht en vormt een ernstige inbreuk op fundamentele rechten en vrijheden van grondwettelijke waarde.
Als het wordt aangenomen, zal het belangrijkste effect ervan niet zijn dat de suïcidale persoon tegen druk van buitenaf wordt ‘beschermd’, maar dat zijn of haar isolement toeneemt. Mensen die lijden hebben echter van nature al de neiging zich te isoleren en zich in zichzelf terug te trekken. De beste manier om hen te helpen is juist om dit isolement te doorbreken en hen uit hun wanhoop te halen. Maar een dergelijke aanpak kan worden gezien als druk en een poging tot belemmering.
Bovendien neigt dit strafbare feit ertoe de culturele acceptatie van euthanasie en hulp bij zelfdoding binnen de samenleving op te leggen, met name binnen alle instellingen waar dit kan worden toegepast. Wat betreft confessionele instellingen dwingt dit strafbaar stellen hen om hun morele principes te verloochenen of te verdwijnen, wat op hetzelfde neerkomt.
Dit strafbaar stellen van belemmering van hulp bij zelfdoding is dus een vrijheid berovende en contraproductieve maatregel.
[1] Tijdens de debatten in de Nationale Assemblee (het Franse parlement) uitte parlementslid Pierre Meurin zijn bezorgdheid hierover: “Welke betekenis krijgt de uitdrukking ‘morele druk’ in de tekst? Zou iemand die ruzie heeft met een familielid hem, voordat de verjaringstermijn verstrijkt, kunnen beschuldigen van het misdrijf van belemmering van zijn euthanasie? De vaagheid van het begrip ‘morele druk’ zou de weg kunnen vrijmaken voor dit soort geschillen”. Debatten in de Nationale Assemblee, eerste zitting van 24 februari 2026.
[2] ECLJ, “Euthanasie : l’ADMD démasquée ”, 27 januari 2026.
[3] Zie: https://www.admd.org/agir/sinvestir/devenir-representant-des-usagers.html In 2011 was de ADMD aanwezig in 135 instellingen.
[4] Tijdens de 42e Algemene Vergadering van de ADMD hebben de voorzitter van de vereniging, Jonathan Denis, en zijn voorganger, Jean-Luc Romero-Michel, uitgelegd dat ze van plan zijn “verder te gaan” na de goedkeuring van een wet die “hulp bij sterven” legaliseert.
[5] Amendement nr. AS21, ingediend op 1e april 2025.
[6] Amendement nr. AS736, ingediend op vrijdag 4 april 2025.
[7] Eurojournalist, « Causeries psy : l’aide à mourir pour motif psychiatrique, une totale perte de repères », 27 april 2025. Op 19 mei 2025 publiceerde een collectief van meer dan 600 psychologen, psychiaters en psychoanalytici een manifest waarin zij hun grote bezorgdheid uitten over het wetsvoorstel om euthanasie en hulp bij zelfdoding in Frankrijk te legaliseren. Zij herinneren eraan dat het hun taak is om mensen te helpen weer zin in het leven te vinden en periodes van wanhoop te doorstaan. Vaak is de doodswens een symptoom en een roep om hulp waarop moet kunnen worden gereageerd. Hélène Verdoux, hoogleraar psychiatrie aan de universiteit van Bordeaux, stelt dat “in de psychiatrie nooit alles is geprobeerd”.
[8] Amendement nr. 2361 verworpen door de Nationale Assemblee tijdens de openbare zitting op 24 mei 2025.
[9] Amendement nr. 2575 verworpen in de Nationale Assemblee tijdens de openbare zitting van 24 mei 2025; Amendement nr. 43 verworpen in de Nationale Assemblee tijdens de openbare zitting van 24 februari 2026.
[10] Tijdens de debatten in de Nationale Assemblee uitte parlementslid Pierre Meurin zijn bezorgdheid hierover: “Welke betekenis krijgt de uitdrukking ‘morele druk’ in de tekst? Zou iemand die ruzie heeft met een familielid hem, voordat de verjaringstermijn verstrijkt, kunnen beschuldigen van het belemmeren van zijn euthanasie? De vaagheid van het begrip ‘morele druk’ zou de weg kunnen vrijmaken voor dit soort geschillen.” Debatten in de Nationale Assemblee, eerste zitting van 24 februari 2026.
[11] Hof van Cassatie, Strafkamer, nr. 14-87.441, 1 september 2015, niet gepubliceerd.
[12] EHRM, Koch tegen Duitsland, verzoek nr. 497/09, arrest van 19 juli 2012.
[13] Amendement nr. 2576 verworpen door de Nationale Assemblee tijdens de openbare zitting van 24 mei 2025.
[14] De Constitutionele Raad heeft in deze uitspraak twee belangrijke interpretaties op het vlak van terughoudendheid geformuleerd om de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting en communicatie te waarborgen. Het eerste voorbehoud voorkomt dat de verspreiding van informatie aan een onbepaald publiek, met name online, als een belemmering wordt beschouwd. Het tweede voorbehoud verduidelijkt de betekenis die moet worden gehecht aan de woorden “die zich willen informeren”. Het strafbare feit moet betrekking hebben op informatie, en niet op een mening; en deze informatie moet betrekking hebben op de omstandigheden waarin een abortus wordt uitgevoerd of op de gevolgen ervan, en moet worden verstrekt door een persoon die over deskundigheid op dit gebied beschikt of beweert daarover te beschikken.
[15] Handyside tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 5493/72, arrest van 7 december 1976, § 49.
[16] EHRM, Steel en Morris, § 90.
[17] Zie onder meer Hertel tegen Zwitserland, 25 augustus 1998, § 46, Recueil 1998-VI, Steel en Morris tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 68416/01, § 87, Mouvement raëlien suisse tegen Zwitserland, II, [GC], nr. 16354/06, § 48, en Animal Defenders International tegen het Verenigd Koninkrijk [GC], nr. 48876/08, § 100.
[18] Annen tegen Duitsland, nr. 3690/10, 26 november 2015, § 62: “Het Hof wijst er ook op dat de campagne van verzoeker heeft bijgedragen aan een zeer controversieel debat van algemeen belang. Er bestaat geen twijfel over de grote gevoeligheid van de morele en ethische kwesties die door de abortuskwestie aan de orde worden gesteld, noch over het belang van het algemeen belang dat op het spel staat (zie A, B en C tegen Ierland [GC], nr. 25579/05, § 233).”
[19] Hoffer en Annen tegen Duitsland, nrs. 397/07 en 2322/07, 13 januari 2011, § 44.
[20] Axel Springer AG tegen Duitsland (nr. 2), nr. 48311/10, 10 juli 2014, § 54.
[21] Fernandez Martinez t. Spanje, nr. 56030/07, van 12 juni 2014.
[22] Rommelfanger tegen Duitsland, nr. 12242/86, beslissing van de Commissie van 6 september 1989.
[23] HvJ-EU, I. R. van 11.09.2018, C-68/17. Zie Alicja Slowik, „Discrimination religieuse dans l’emploi : à la recherche des points communs entre Strasbourg et Luxembourg”, Cahiers de Droit Européen, Bruylant, 2021, pp. 441 – 484, „De zaak IR betrof het ontslag van een afdelingshoofd in een katholiek ziekenhuis na zijn hertrouwen na een echtscheiding. De arts was katholiek en zijn eerste huwelijk was niet religieus ontbonden. IR — een privaatrechtelijke onderneming met een confessionele aard — voerde aan dat het hertrouwen in strijd was met het canoniek recht en dat de arts zijn loyaliteitsplicht jegens zijn werkgever had geschonden.”
[24] Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.
[25] Amendement AS367 verworpen in de Nationale Assemblee in commissie op 2 mei 2025; amendementen nr. 2574 en nr. 1703 verworpen in de Nationale Assemblee in openbare zitting op 24 mei 2025; amendementen nr. 182 en 43 verworpen in de Nationale Assemblee tijdens de openbare zitting op 24 februari 2026.
[26] Catherine Vautrin, minister, Nationale Assemblee, 24 mei 2025.
Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 17
Hoofdstuk V van titel I van boek I van het eerste deel van het Wetboek van Volksgezondheid wordt aangevuld met de artikelen L. 1115-4 en L. 1115-5, die als volgt luiden:
„Art. L. 1115-4. – I. – Het is strafbaar met twee jaar gevangenisstraf en een boete van 30.000 euro om het verlenen van of het inwinnen van informatie over hulp bij sterven te verhinderen of te trachten te verhinderen, op welke wijze dan ook, met inbegrip van elektronische of online middelen, met name door het verspreiden of doorgeven van beweringen of aanwijzingen die bedoeld zijn om opzettelijk te misleiden, met het oogmerk om af te schrikken, over de kenmerken of de medische gevolgen van hulp bij sterven:
« 1° Hetzij door de toegang te verstoren tot instellingen waar hulp bij sterven wordt verleend of tot elke plaats waar deze regelmatig kan worden verleend, door het vrije verkeer van personen binnen deze plaatsen of de arbeidsomstandigheden van het medisch en niet-medisch personeel te belemmeren, of door de door een persoon gekozen plaats voor de toediening van de dodelijke stof te verstoren;
« 2° Ofwel door morele of psychologische druk uit te oefenen, door dreigementen te uiten of door zich schuldig te maken aan intimidatie jegens personen die informatie zoeken over hulp bij het sterven, jegens personeel dat betrokken is bij de uitvoering van hulp bij het sterven, patiënten die een beroep willen doen op hulp bij het sterven of hun naasten, of de vrijwillige gezondheidswerkers bedoeld in III van artikel L. 1111-12-12 en ingeschreven in het register van de commissie bedoeld in 3° van I van artikel L. 1111-12-13.
« II. – Elke vereniging die op de datum van de feiten ten minste vijf jaar geregistreerd is en waarvan het statutaire doel de verdediging van de rechten van personen op toegang tot hulp bij sterven omvat, kan de rechten uitoefenen die aan de burgerlijke partij worden toegekend met betrekking tot de in I van dit artikel bedoelde strafbare feiten, wanneer de feiten zijn gepleegd met het oog op het verhinderen of trachten te verhinderen van hulp bij sterven of de voorbereidende handelingen bedoeld in afdeling 2 bis van hoofdstuk I van deze titel te verhinderen.
„Art. L. 1115-5 (nieuw). – Het uitoefenen van druk op een persoon om gebruik te maken van hulp bij sterven wordt bestraft met een jaar gevangenisstraf en een boete van 15.000 euro.
“Het ter beschikking stellen of verstrekken van informatie over de wijze waarop het recht op hulp bij zelfdoding kan worden uitgeoefend, vormt geen strafbaar feit.”
De oorspronkelijke tekst in het Frans vindt u op de volgende link: https://eclj.org/euthanasia/french-institutions/le-delit-dentrave-a-laide-a-mourir-une-mesure-incoherente-et-liberticide
