PVH 9e jaargang – 2002 nr. 6, p. 134-140

Door Dr. Matthijs de Blois
verbonden aan de Disciplinegroep rechtstheorie van de Faculteit Rechtsgeleerdheid
van de Universiteit Utrecht

INLEIDING

De uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van
29 april 2002 in de zaak van Pretty tegen het verenigd Koninkrijk is
niet alleen interessant voor de positiefrechtelijke vraag naar de betekenis
voor de Nederlandse euthanasiewetgeving, een vraag waarop in het juni-nummer
geschreven is.
De uitspraak is ook van groot belang vanwege de door het Hof gehanteerde
morele beginselen die de interpretatie van de mensenrechten sturen. Daarop
wil ik in deze bijdrage de aandacht vestigen.
Rechtspraak is veel meer dan het mechanisch toepassen van rechtsregels.
Dat is in het algemeen zo. Het komt echter wel heel sterk naar voren
wanneer de interpretatie van mensenrechten, zoals die bijvoorbeeld
geformuleerd zijn in het EuropeesVerdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het geding is. De formulering
van mensenrechten is immers veelal zeer algemeen. De verdragsbepalingen
bestaan uit open termen, zonder dat de tekst zelf veel directe aanknopingspunten
biedt voor de betekenis die daaraan gegeven moet worden. Rechters die
geroepen zijn om de bepalingen van een mensenrechtenverdrag uit te
leggen en toe te passen in een concreet geval hebben daarom ook een belangrijke
mate van vrijheid bij de uitleg daarvan.’Everyone’s right to life shall
be protected by law.’ Zo luidt de aanhef van artikel 2 EVRM. Zowel
het subject van dit recht (everyone), het object (right to life) en
daarmee samenhangende verplichting van de staat (protected by law)
roepen vragen op. Komt het recht op leven toe aan alle mensen van het begin tot het
einde van hun biologische bestaan, of alleen aan geboren mensen, die
bovendien voldoen aan een aantal minimumvereisten ten aanzien van de kwaliteit
van hun leven? Omvat het recht op leven ook het recht om het leven
prijs te geven, of is ook de rechthebbende gehouden zijn eigen leven te respecteren?
Dient de staat zich alleen te onthouden van inbreuken op het leven
van personen, of gaat de verplichting van de staat verder en wordt
ook een actief optreden ter bescherming van het leven gevraagd? Allemaal vragen
die in voorkomende gevallen beantwoord moeten worden door rechters
belast met de uitleg van artikel 2 EVRM. En er zijn nog veel meer vragen
te verzinnen.
Rechters hebben bij de beantwoording daarvan een belangrijke mate van
vrijheid, zoals gezegd. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. In het
algemeen zal een verdrag als het EVRM uitgelegd moeten worden als een
consistent geheel. Dat wil zeggen dat de bepalingen zo moeten worden
uitgelegd dat zij in harmonie zijn met de andere bepalingen in het
verdrag. Verder is het zo dat rechters in het algemeen zich gebonden weten door eerdere
uitspraken die zij gedaan hebben, al komt het voor dat een rechterlijk
college terugkomt op een eerder ingenomen standpunt. Dat geldt ook
voor het Europese Hof voor de rechten van de mens. In casu ging het
om een materie waarover het Hof nog niet eerder een uitspraak had gedaan,
zodat er geen jurisprudentie was die richtinggevend was voor de interpretatie,
al komt er zijdelings wel jurisprudentie op aanliggende terreinen aan
de orde.
In een nationals context achten lagere rechters zich in het algemeen
gebonden aan de interpretaties van rechtsregels die de hoogste nationals
rechter (in Nederland is dat voor veel zaken de Hoge Raad) gegeven heeft,
al is dat formeel niet verplicht (althans in Nederland).
Internationale rechtscolleges opereren veelal in ‘splendid isolation’,
zodat er geen hogere rechter is waaraan zij zich moeten conformeren.
Dat geldt in ieder geval voor het Europese Hof voor de rechten van de
mens.
Tenslotte geldt voor nationals rechters dat zij opereren in de context
van een nationals constitutie, waarbinnen ook
een wetgevende en uitvoerende macht functioneert.Voor nationals rechters
kunnen uitspraken of handelingen van die andere staatsmachten (denk
bijvoorbeeld aan een aanhangig wetsvoorstel) soms als oriëntatiepunt
voor de uitleg fungeren. Internationale rechters moeten vaak zo’n constitutionele
context ontberen, al zijn er soms wel enigszins vergelijkbare structuren aanwezig.
In de zaak van Pretty, bijvoorbeeld, verwees het Hof naar een Aanbeveling
van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa.
Dat alles neemt niet weg dat het Hof beschikte over een aanzienlijke
mate van vrijheid ten aanzien van de uitleg van art. 2 in verband met
de klacht van Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk.

Het is mijn stelling dat voor de invulling van de rechterlijke vrijheid
grote betekenis moet worden gehecht aan de visie die men heeft op de
mensenrechten en met name welke morele beginselen men aanneemt als
de grondslag van deze rechten. Uiteindelijk spelen levensbeschouwelijke en filosofische
vooronderstellingen een bepalende rol bij de keuze van die beginselen.
Bij een Hof als het EVRM, dat bestaat uit ruim veertig rechters met
uiteenlopende maatschappelijke, politieke, religieuze en filosofische
opvattingen is het bijna uitgesloten dat er op dat punt overeenstemming zal bestaan.
Het zal altijd gaan om beginselen die te herleiden zijn tot op zichzelf
onverenigbare wereld- en mensbeschouwingen. Toch is het van belang
om te speuren naar een zekere consensus waar het gaat om de afweging
van die dragende beginselen, gezien het grote belang van de rechtspraak
voor de rechtsorde van al die ruim veertig verdragsstaten. Nu heeft dat
speuren altijd een enigszins speculatief karakter, omdat het Hof zich
in het algemeen verre houdt van theoretische of filosofische bespiegelingen (anders
dan bijvoorbeeld het Amerikaanse Supreme Court of het
Duitse Bundesverfassungsgericht, maar net zo als de Hoge Raad).
In de onderhavige zaak zijn echter wel belangrijke aanknopingspunten
te vinden voor de beantwoording van de vraag welke achterliggende beginselen
in de uitleg van de Conventie door de betreffende kamer van het Hof een
rol hebben gespeeld en ook hoe de afweging tussen die beginselen heeft
plaatsgevonden.

PERSOONLIJKE AUTONOMIE

De legalisering van euthanasie en hulp bij zelfdoding wordt vaak verdedigd
met een verwijzing naar het zelfbeschikkingsrecht of de persoonlijke
autonomie als het dragende beginsel van de mensenrechten. In ons land
is Leenen een markant voorbeeld van deze benadering1,
die oude papieren heeft. In feite gaat het om het Verlichtingsideaal,
de mens als autonoom wezen, die uiteindelijk in vrijheid zichzelf de wet stelt.
De taak van het recht is deze vrijheid te garanderen en te verzekeren dat de vrijheid
van de een met die van de ander kan samengaan. Het recht mag slechts
beperkende maatregelen opleggen indien en voor zover dat ter bescherming
van de vrijheid van anderen noodzakelijk is. In de artikelen 4 en 5
van de Franse Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen
van 1789 is dit beginsel treffend verwoord:
‘4. La liberté consiste à pouvoir
rare tout ce qui nuit pas autrui: ainsi l’excercice des droits naturels
de chaque homme n’a de bornes que celles qui assurent aux autres membres
de la société la jouissance de ces mêmes droits (…).
5. La Loi n’a le droit de défendre que ]es actions nuisible à la société…’
De Britse filosoof John Stuart Mill heeft zeventig jaar later in zijn
beroemde werk On Liberty (1859) hetzelfde beginsel uitgewerkt:
‘That principle is that the sole end for which mankind are warranted,
individually or collectively, in interfering with the liberty of action
of any of their number is self protection. That the only purpose for
which power can be rightly exercised over any member of a civilised
community, against his will, is to prevent harm to others. His own good,
either physical or moral, is not a sufficient warrant (..) Over himself,
over his own body and mind, the individual is sovereign’.2

Dit zogenaamde harm principle is de kern van de liberale
benadering van de mensenrechten. Het beoogt de grens aan te geven van
de overheidsbemoeienis met de uitoefening van de menselijke vrijheid en is daarmee
de maatstaf voor de aanvaardbaarheid van beperkingen op vrijheidsrechten. Ook in
recente beschouwingen neemt deze benadering een prominente plaats in.
De hedendaagse Argentijnse filosoof Nino bespreekt het autonomiebeginsel
als het eerste van een reeks liberale principes die de mensenrechten
funderen: ‘..it establishes the value of the free individual adoption
of ideals of human excellence and of plans of life based on them. Hence
it prescribes that the state (as well as private individuals) may not interfere with
the choice and realization of those ideals and plans, limiting itself
to the design of institutions which facilitate the individual prosecution
of them so as to avoid mutual interference.’3
De mens is vrij te doen en te laten wat hij zelf wil, tenzij anderen schade
ondervinden.
In deze liberale benadering bestaat er groot bezwaar tegen paternalistische
wetgeving. Dat is wetgeving die tot doel heeft mensen tegen zichzelf
te beschermen, op basis van een belang of recht dat ook door de wil
van degene die daardoor beschermd wordt niet opzij gezet kan worden.

Bij die vrijheid behoort dan ook de de beschikking over zijn eigen leven.Wie
welbewust besluit zijn of haar leven te beëindigen, brengt, zo
is de redenering anderen geen schade toe. Wetgeving die dat wil verhinderen
kan alleen maar gezien worden als wetgeving die de mens tegen zichzelf
wil beschermen. De autonome,’verlichte’ mens heeft daar echter geen
behoefte aan. Hii of zij kan zelf zijn of haar boontjes doppen.
In deze lijn ligt de interpretatie van artikel 2 EVRM, die namens mevrouw
Pretty naar voren was gebracht zowel voor de nationals Britse rechters
als voor het EVRM. Het recht op leven uit art. 2 EVRM wordt dan
gezien als een bepaling die individuen beschermt tegen inbreuken op
hun recht op leven door derden.Tegelijkertijd zou deze bepaling garanderen dat
individuen zelf mogen bepalen of zij al dan niet doorgaan met leven.
Deze bepaling garandeert de zelfbeschikking van individuen met betrekking
tot zaken van leven en dood. Het leven is in deze visie een optie, waar
we wel of geen gebruik van willen maken. Benadrukt werd in dit verband
dat niet het leven als zodanig, maar het recht op leven wordt beschermd
door art. 2. Het recht om te sterven staat niet tegenover het recht
op leven, maar vloeit eruit voort. Deze benadering wordt door het Hof
uitdrukkelijk van de hand gewezen:
‘Article 2 cannot, without a distortion of language, be interpreted
as conferring the diametrically opposite right, namely the right to
die; nor can it create a right to self-determination in the sense ofconferring
on an individual the entitlement to choose death rather than life.4
Dat wil niet zeggen dat de notie van de persoonlijke autonomie door het
Hof als zodanig van de hand gewezen wordt. Integendeel. In verband
met de uitleg van artikel 8 (recht op privacy) in deze zaak overweegt
het Hof: ‘Though no previous case has established as such any right
to self-determination as being contained in Article 8 of the Convention,
the Court considers that the notion ofpersonal autonomy is an important
principle underlying the interpretation of its guarantees.5 Het
is overigens opvallend dat het Hof niet het zelfbeschikkingsrecht, maar
de notie van de persoonlijke autonomie als een voor de uitleg van de
Conventie belangrijk beginsel noemt. Dit is wellicht zo omdat in het
spraakgebruik het recht op euthanasie en hulp bij zeldoding veel meer
met het zelfbeschikkingsrecht dan met notie van persoonlijke autonomie
geassociëerd wordt.

Het Hof gaat in verband met de persoonlijke autonomie in op de reikwijdte
en betekenis van het harm principle, zonder het met zoveel woorden
te noemen. Het overweegt ‘The extent to which a State can use compulsory
powers or the criminal law to protect people from the consequences of
their chosen lifestyle has long been a topic of moral andjurisprudential
discussion, the fact that the interference is often viewed as trespassing
on the private and personal sphere adding to the vigour of the debate.
However even where the conduct poses a danger to health, or arguably,
where it is of a life-threatening nature, the case-law of the Convention
institutions has regarded the State’s imposition of compulsory or criminal
measures as impinging on the private life of the applicant within the
scope of Article 8 § 1 and requiring justilication in terms of
the second paragraph.’6 Dit is een interessante passage. Enerzijds onderstreept
het Hof dat overheidsoptreden tot bescherming van de mens tegen de consequenties
van zijn eigen levensstijl – een typisch voorbeeld van paternalistisch
optreden – een inbreuk kan zijn op art. 8 (het recht op privacy). Anderzijds
laat het Hof uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat die inbreuk gerechtvaardigd
kan worden op grond van het tweede lid van art. 8, dat onder bepaalde
voorwaarden een beperking van het recht op privacy toelaat, onder andere
ter bescherming van rechten en vrijheden van anderen. Het Hof aanvaardt
het harm principle dus niet als het ultieme beginsel van de rechtsstaat,
hoezeer het ook de autonomie van de menselijke persoon ernstig neemt.
Het vervolg van de overwegingen over art. 8 maakt dit duidelijk. Het
stelt dat art. 8 het recht beschermt om niet onderworpen te worden aan
medische behandelingen die het leven kunnen rekken, als de betrokkene
aftakeling vreest. Ook wat de situatie in casu betreft sluit het Hof
niet uit dat het feit dat de klaagster verhinderd werd ‘to avoid
what she considers will be an undignified and distressing end to her
life’ een inbreuk betekent op art. 8 lid 1. De omzichtigheid van
de formulering valt op. In ieder geval zag het Hof aanleiding om te
onderzoeken of deze (mogelijke) inbreuk gerechtvaardigd kan worden op grond van de
in art.8 lid 2 voorziene beperkingsgronden. In het kader van deze beperkingsclausulering,
die beperkingen van het recht op privacy toelaat, moet getoetst worden
of deze gebaseerd zijn op de wet en nodig in een democratische samenleving
met het oog op een aantal limitatief opgesomde doeleinden, waaronder
de bescherming van de gezondheid en de openbare veiligheid en van de
rechten en vrijheden van anderen. Het Hof beschouwt de Engelse wetgeving,
als gericht op een legitlem doel, te weten de bescherming van het leven
en daarmee ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Het onderzoek naar de noodzaak van de wetgeving in een democratische
samenleving noopt tot een afweging tussen enerzijds het belang van overwegingen
van gezondheid en veiligheid van anderen en anderzijds het beginsel
van de persoonlijke autonomie. Het is interessant om te zien dat het
Hof daarbij niet alleen let op het effect van de wetgeving in het concrete
voorliggende geval, maar ook de implicaties die een doorbreking van
het algemene verbod van hulp bij zelfdoding zou hebben ten aanzien van
kwetsbare personen in het algemeen:

‘The law in issue in this case ( .. ) was designed to safeguard life
by protecting the weak and vulnerable and especially those who are not
in a condition to take informed decisions against acts intended to end life or to assist
in ending life. Doubtless the condition of terminally ill individuals
will vary. But many will be vulnerable and it is the vulnerability of
the class which provides the rationale for the law in question. It is
primarily for States to assess the risk and the likely incidence of
abuse if the general prohibition on assisted suicides were relaxed or
if exceptions were to be created. ( .. ) The Court does not consider
( .. ) that the blanket nature of the ban on assisted suicide is disproportionate.’ (par.
74 en 76). Onder erkenning van het beginsel van de persoonlijke autonomie
als een van de in de afweging te betrekken factoren, blijkt
het Hof een belangrijk gewicht toe te kennen aan de bescherming van
het leven als algemeen principe, dat door de nationale wetgever van
overwegende betekenis mag worden geacht. Het is overigens opvallend
dat het Hof vermijdt expliciet te stellen dat het recht op leven van
de betrokkene zelf een beperking van het beginsel van de persoonlijke
autonomie rechtvaardigt. Dit heeft misschien te maken met het feit dat
de tekst van artikel 8 niet voorziet in een afweging van de conflicterende
rechten van de betrokkene zelf. In ieder geval heeft het Hof blijkens
zijn uitspraak aanvaard dat de bescherming van het leven als algemeen
principe in de weg kan staan aan een onbeperkte uitoefening van de persoonlijke
autonomie.

DE HEILIGHEID VAN HET LEVEN

Daarmee zijn we toegekomen aan een tweede beginsel dat in deze uitspraak een
belangrijke rol speelt: de heiligheid van het leven. Het werd reeds
genoemd in de uitspraak van het House of Lords in deze zaak. Lord Bingham
of Cornhill stelde naar aanleiding van artikel 2 EVRM ‘The thrust
of this is to reflect the sanctity, which, particularly in western eyes,
attaches to life.’7 Het werd ook naar voren gebracht door de Britse regering tijdens de procedure
voor het Hof: ‘The Government submitted that the prohibition on assisted suicide
struck a fair balance between the rights of the individual and the interests
of the community, in particular as it properly respected the sanctity
of life and pursued a legitimate objective, namely protecting the vulnerable.’8

Het Europese Hof voor de rechten van de mens verwijst merkwaardigerwijs
niet naar dit beginsel bij de uitlegging van arikel 2 EVRM, maar pas
later in verband met artikel 8. Het stelt daar ‘The very essence
of the onvention is respect for human dignity and human freedom. Without
in any way negating the principle of sanctity life protected under
the Convention, the Court considers that it is under Article 8 that
notions of the quality of life takes on significance’. (mijn onderstreping,
MdB) (par. 65). We kunnen hier uit afleiden dat het Hof het beginsel
als een dragend beginsel ziet, beschermd door de Conventie als zodanig
en natuurlijk in het bijzonder door artikel 2.

Het is zover ik kan nagaan de eerste keer dat het Hof dit beginsel noemt
in zijn jurisprudentie. Het gaat ook om een bijzonder beginsel, waarvan
het opmerkelijk is dat het in een voor een rechtsorde die in het algemeen
als geseculariseerd wordt beschouwd, door een rechterlijk college wordt
gehanteerd (in de Engelse jurisprudentie zijn overigens meer voorbeelden).
De uitdrukking sanctity of life, heiligheid van het leven, heeft
onmiskenbaar een religieuze connotatie. Sanctity is afgeleid
van het latijnse woord sanctus, heilig. Het verwijst naar hetgeen apart gezet is, naar
wat zonder meer respect, eerbied, ontzag verdient. Het heilige verwijst
naar een domein ‘dat buiten onze beschikkingsmacht ligt en behoort te
blijven.’9
Zoals Van der Meer kortweg zegt ‘Het leven is heilig, want het is iets
van God.’10 Het beginsel werd door de zojuist hiervoor geciteerde Engelse Law Lord niet
zonder reden verbonden met western eyes.
De westerse beschaving is nu eenmaal sterk gestempeld door de joods-christelijke
moraal. Het is bij uitstek in het kader daarvan dat het beginsel van de heiligheid
van het leven zich heeft kunnen ontwikkelen. Een centrale notie is het
Bijbelse gegeven dat de mens geschapen is en wel geschapen naar het beeld
en de gelijkenis van God.11 Dat hiermee de heiligheid van het leven verbonden is blijkt uit
Genesis 9:6: ‘Wie des mensen bloed vergiet, diens
bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft
Hij de mens gemaakt.12
De mens is geschapen en heeft een unieke plaats in de schepping verkregen.
Daarom is zijn leven een gegeven, niet een verworven status. Dat maakt
het leven als zodanig beschermwaardig. Rabbi J. David Bleich schrijft ‘Human
life is a good not to be preserved as a condition of other values but
as an absolute basic and precious good in its own stead. The
obligation to preserve life is commensurately allencompassing.’13 In
de joodse moraal wordt sterk benadrukt dat het beginsel van de heiligheid
van het leven elke kwantificering van de levensverwachting als irrelevant voor
de beschermwaardigheid van de hand wijst. Ook al heeft de betrokkene
naar menselijke berekening nog maar enkele ogenblikken te leven, dan
nog moet alles gedaan worden om dat leven te beschermen.” De heiligheid
van het leven houdt in dat het leven van ieder mens ongeacht leeftijd
of conditie respect verdient, ook wanneer de betrokkene daarvan afstand
wil doen. Het leven staat ook aan het subject niet ter beschikking: hij
of zij heeft het ontvangen.
Dit is ook een van argumenten die Thomas van Aquino (I 225-1274) aanvoert
tegen zelfmoord. Aangezien het leven door God aan de mens geschonken
is en aan Zijn macht onderworpen is, is het nemen van het eigen leven
een zonde tegen Hem. Alleen God heeft het recht om over het leven te
beschikken.”

We vinden deze benadering verder bij Hugo de Groot (1583-1645). In zijn
hoofdwerk De lure Belli ac Pacis (Het recht van oorlog en vrede)
(1625), schrijft hij dat aanvankelijk (buiten de invloedssfeer van het
joods-christelijke denken, zo begrijp ik hem) aan eenieder hetzelfde recht op zijn eigen
leven toekwam als op zaken van andere aard, die hij in eigendom had.
‘Maar nu het begrip van de hogere waarheid ons heeft geleerd dat wij
het beheer van ons leven van God ontvangen hebben, volgt daaruit dat
niemand op eigen goeddunken een ander het recht kan geven op ofwel zijn
eigen leven of dat van een medeburger.’

John Locke (1632-1704) kiest eenzelfde benadering in zijn Two Treatises
of Government (1690): ‘For men being all the workmanship of one
omnipotent and inhnitely wise maker;
all the servants of one sovereign Master, sent into the world by His
order and about His business; they are His property, whose workmanship
they are made to last during His, not one another @ pleasure. ( .. )
Every one as he is bound to preserve himself, and not to quit his station
wilfully, so by the like reason, when his own preservation comes not
in competition, ought he as much as he can to preserve the rest of mankind(
.. )’ In de beroemde Amerikaanse Declaration of Independence van
1776 wordt hetzelfde beginsel verwoord:
‘We hold these Truths to be self-evident, that all men are created
equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable
Rights, among these are Life, Liberty, and the pursuit of Happiness….’ Het
recht op leven is een gegeven recht en het is onvervreemdbaar.

Veel recenter zien wij bij een volstrekt liberale auteur als Ronald Dworkin
in zijn boek Life’s Dominion een uitwerking van ‘the idea of
the sacred’, als een verwijzing naar iets dat intrinsiek waardevol is, wat hem betreft
ook het menselijk leven, al komt hij uiteindelijk tot andere conclusies
dan de hiervoor aangehaalde joodse en christelijke
auteurs.” Ippel wijst ook op auteurs die besef hebben van de dimensie van het
heilige die verbonden is met het (menselijk) leven, ook zonder dat er een direct
verband gelegd wordt met de joods-christelijke traditie. ” Ippel
verbindt de notie van het heilige vooral met het kloneren van mensen.
Het lijkt mij dat we op alle terreinen waar sprake is van het ingrijpen
in het menselijk leven, dus ook in geval van euthanasie en hulp bij zelfdoding die dimensie
van het heilige een rol zal moeten spelen.
Terwijl het beginsel van de heiligheid van het leven betrekkelijk zelden expliciet
in een juridische tekst verwoord wordt, is het in de rechtsorde,
en niet alleen in die van ‘westerse’ staten, in zekere zin voorondersteld, al is de realisering
daarvan in het geschreven en gepraktiseerde recht vaak gebrekkig. Er is geen rechtsorde die
niet op een of andere wijze het menselijk leven als een bijzonder hoog te
waarderen rechtsgoed beschermt. Daarbij ligt de nadruk op menselijk leven. Het aantasten
van het leven van een mens is in het algemeen een ernstig delict,
terwijl het doden van een dier in veel gevallen een normale legale handeling is
(denk aan de consumptie van vlees van dieren), als voldaan is aan bepaalde kwaliteitseisen, die
zowel het dierenwelzijn als de volksgezondheid op het oog hebben. Alleen wreedheid tegen dieren
wordt veelal door het recht verboden. Dat onderscheid tussen mens en dier in de
rechtsorde kan alleen maar verklaard worden vanuit een impliciete
aanvaarding van de mens als uniek en van bijzondere waarde. Dat wordt tot uitdrukking
gebracht in de notie van de persoonlijkheid van de mens. In de woorden
van Maritain: ‘La valeur de la personnel sa liberté, ses droits,
relèvent de l ‘ordre des choses naturellement, sacrées (mijn onderstreping), qui portent
l ’empreinte du Père des êtres et qui ont en lui le terme de leur mouvement.’

Juist dat in de rechtsorde als bijna vanzelfsprekend gehanteerde onderscheid tussen de
waardering van het leven van mensen en dat van dieren reflecteert
de notie van de heiligheid van het menselijk leven. Alleen aan de mens komt in de schepping
de bijzondere status toe, die het respect voor zijn persoon absoluut maakt. Het is in dit verband
van belang op te merken dat waar het onderscheid tussen mens en dier wordt gerelativeerd, ook
de heiligheid van het menselijk leven op de tocht komt te staan. We behoeven
in dit verband alleen maar te denken aan het werk van de invloedrijke Australische
filosoof Peter Singer. Hij wijst het principiële onderscheid tussen mens en dier van de hand
en kan dan ook niet meer spreken over de heiligheid van het menselijk leven, zoals blijkt uit het
volgende citaat: ‘We can no longer base ethics on the idea that human beings are a special form of creation,
made in the image of God, singled out from all other animals, and alone possessing an immortal soul…
Once the religious mumbo-jumbo surrounding the term “human ” has
been stripped away, we may continue to see normal members of our species as possessing
greater capacities of rationality, self-consciousness, communication …. than other members of any
species; but we will not regard as sacrosanct the life of each and every member of our species, (mijn
onderstreping, MdB) no matter how limited its capacity for intelligent or even conscious
life may be. If we compare a severely defective human infant with a … dog or pig… we will often
find the nonhuman to have superior capacities… Species membership alone … is not relevant
… humans who bestow superior value on the life of all human
beings, solely because they are members of our own species, are … similar to … white
racists.’21 Het is niet moeilijk om vanuit dit uitgangspunt lijnen te trekken naar de legalisering
van levensbedreigende handelingen, zoals abortus provocatus, euthanasie, hulp bij zelfdoding,
moord op gehandicapte baby’s enzovoorts. In Singers geschriften vinden wij de ethische rechtvaardiging
van dergelijke handelingen terug. Het lijkt erop dat de ideeën van Singer reeds in meerdere of mindere
mate verwezenlijkt worden in verschillende, met name westerse staten, die daarmee hun unieke
erfgoed verloochenen.
Het is daarom zo belangrijk dat het Hof voor de rechten van de mens blijkens de onderhavige uitspraak
daarin niet meegaat. Het heeft het beginsel van de heiligheid van het leven genoemd en toegepast en in
casu laten prevaleren boven het in dit geval concurrerende beginsel van de persoonlijke autonomie.

AFSLUITING

De uitspraak van het Hof in Pretty biedt interessante perspectieven
op de in kwesties als euthanasie en hulp bij zelfdoding relevante rechtsbeginselen.
We hebben gezien dat, zoals zo vaak in de sfeer van de mensenrechten,
de toepassing van die beginselen en de daaruit voortvloeiende rechtsregels
in een concreet geval botst. Dat is welhaast niet anders denkbaar in
pluralistische samenlevingen, waar het recht de verschillende in die
samenlevingen in beginsel incompatibele waarden- en normenstelsels reflecteert.
De prioriteit die het Hof geeft aan het beginsel van de heiligheid van het leven boven
dat van de persoonlijke autonomie is een steun in de rug van allen die
de bescherming van het menselijk leven in alle fasen van zijn ontwikkeling
voorstaan tegenover levensbedreigende tendencies.

NOTEN

1. H.J.J. Leenen, Handboek gezondheidsrecht, Deel 1, Rechten van
mensen in de gezondheidszorg, Alphen aan den Rijn, 1994, p. 59 .
2. On Liberty, Penguin Classics, Penguin Books, London, 1985, pp. 68-69 .
3. C.S. Nino, The Ethics of Human Rights, Clarendon Press, Oxford, 1991, p. 132 .
4. EVRM 29 april 2002, par. 39.
5. Idem, par. 6 1.
6. Idem, par. 62.
7. Idem, par. 5.
8. Idem, par. 48.
9. Pieter Ippel, Modern recht en het goede leven, Den Haag 2002,p.117.J. Otten.
10. ‘Dr. H. van der Meer S.J., Moraaltheologische opmerkingen
met betrekking tot het beweerde’zelfbeschikkingsrecht’ en de
hulp bij zelfdoding, in: D.F Scheltens e.a.,
De dood, uitkomst voor het leven?, Amsterdam 1987, pp. 71-88, op p. 87.
11. Genesis 1:26-27. Zie voor een uitwerking Gary B. Ferngren,
The Imago Dei and the Sanctity of Life: the Origins
of an Idea, in: Richard C. McMillan, H. Tristram Engelhardt,
Jr and Stuart Picker (eds.), Euthanasia and the
Newborn. Conflicts Regarding Saving Lives, Dordrecht etc. 1987, pp. 23-45.
12. In deze zin: Herbert Chanan Brichto,The Hebrew Bible
on Human Rights, in: David Sidorsky (ed.), Essays on Human Rights.
Contemporary Issues and Jewish perspectives,
Philadelphia 5737 – 1979, pp. 215-233, op p. 218.
13. Geciteerd door Amos Shapira, The Human Right to Die Israeli
and Jewish Legal Perspectives, in: IsraelYearbook on Human
Rights,Vol. 7 (1977), pp. 127-138, op p. 134.
14. Idem passim.
15. Thomas van Aquino, Summa Theologica, 11-11, Q. 64.5.
16. II.Xl.par.XVIII. 1, geciteerd vanuit Hugo de Groot, Denken over
oorlog en vrede, uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien
door A.C. Eyffinger en B.PVermeulen, Baarn 1991,p.148.
17. John Locke, Two Treatises of Government, II.11.6,
Everyman’s Library, London etc. 1978, pp. 119-120 .
18. Ronald Dworkin, Life ‘s Dominion. An Argument about Abortion and
Euthanasia, London 1993, m.n. pp. 68-101 .
19. Pieter Ippel, Modern recht en het goede leven, Den Haag 2002,pp.116-119.
20. Jacques Maritain, Les Droits de I’Homme et la Loi Naturelle, NewYork 1942, p. 16 .
21. Pediatrics, vol. 72, No. 1, July 1983, p. 129.