PVH 9e jaargang – 2002 nr. 4/5, p. 104-107

Door Mr.dr.drs. M.A.J.M. Buijsen
universitair docent gezondheidsrecht Erasmus Universiteit Rotterdam en redacteur van PVH

INLEIDING

In 1991 schreef Huib Drion, oud-hoogleraar burgerlijk recht aan de
Rijksuniversiteit Leiden en tot 1984 vice-president van de Hoge Raad,
een artikel op de opiniepagina van NRC Handelsblad met als titel Het
zelfgewilde einde van oude mensen. Hierin pleitte hij voor de vrije
verstrekking van zelfdodingsmiddelen aan ouderen. ‘Mijn ideaal’,
schreef hij, ‘is dat oude mensen die op zichzelf zijn aangewezen,
naar een arts kunnen lopen – hetzij hun huisarts, hetzij een daartoe
aangewezen arts – om de middelen te verkrijgen waarmee zij op
het moment dat hun dat zelf aangewezen voorkomt, een eind aan hun leven
kunnen maken op een manier die voor henzelf en voor hun omgeving aanvaardbaar
is.’
Destijds kreeg Drion talloze reacties op zijn bijdrage. Voor- en tegenstanders
vulden de opiniepagina’s met hun standpunten. De pil is er evenwel
nooit gekomen. Nu, meer dan tien jaar later, staat Drions ideaal opnieuw
ter discussie. Op zaterdag 16 maart j.l. besloot het congres van de
Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE) een plan de
campagne te gaan maken voor het verstrekken van zelfdodingsmiddelen.
De vereniging wil een proef starten, waarbij niet-medici helpen bij
zelfdoding. Zij gaat met farmacologen op zoek naar een pil van Drion,
die niet-medici kunnen toedienen. Vrijwilligers spelen volgens de vereniging
namelijk een centrale rol bij de beoordeling van de vraag naar zelfdoding
en daarom zouden zij de pil van Drion moeten toedienen. Dit najaar zal
de NVVE een aanvraag voor een experiment indienen bij het ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Dat de NVVE op dit moment de Pil van Drion-discussie opnieuw heeft aangezwengeld,
is niet zo vreemd. Immers, op 1 april j.l., toen de nieuwe Euthanasiewet
van kracht werd, realiseerde de vereniging een van haar hoofddoelstellingen.
In Trouw (van 18 maar 2002) liet NVVE-directeur Jonquière dan
ook weten dat ‘nu euthanasie wettelijk is geregeld, het een logische
stap [is] verder te gaan met hulp bij zelfdoding’.

HET (GROND)RECHT OP ZELFDODING

De Pil van Drion-discussie verschilt van de euthanasiediscussie in
die zin dat aan de vraag om hulp bij zelfdoding niet per definitie lijden
ten grondslag ligt dat zijn oorzaak (in overwegende mate) vindt in een
somatische en/of psychische aandoening. Hulp bij zelfdoding in de zin
van de Euthanasiewet kan onder omstandigheden juridisch gerechtvaardigd
zijn. In de situaties waarop de Pil van Drion-discussie betrekking heeft,
kan evenwel ook ander lijden dan ‘medisch’ lijden aan ten
grondslag liggen, zoals het geval was in de roemruchte zaak Brongersma.
Wat de discussies wel gemeen hebben is het juridische: het gaat om hulp
bij zelfdoding in de zin van artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht
(Sr). Zelfdoding als zodanig is niet in dit wetboek opgenomen, maar
dat zelfdoding door de wetgever voor onwenselijk wordt gehouden, mag
worden afgeleid uit het feit dat hulp bij zelfdoding wel strafbaar is
gesteld. Spreken van een recht op zelfdoding is dan ook onzin voor zover
daarmee gedoeld wordt op een in een wetboek neergelegd recht.
Uiteraard spreekt men niet op deze wijze van het recht op zelfdoding.
Men pleegt te spreken van iets dat veel fundamenteler is, een recht
dat veel zwaarder weegt dan het positieve recht. Nadat het Europese
hof voor de rechten van de mens op 29 april uitspraak had gedaan in
haar zaak, liet Dianne Pretty weten van mening te zijn dat ‘the
law has taken away all my rights’. Pretty had de beslissing van
het Britse openbaar ministerie om niet op voorhand toe te zeggen haar
man niet te vervolgen indien deze haar bij haar zelfdoding behulpzaam
zou zijn, vergeefs aangevochten tot in hoogste instantie.
Het positieve recht zou Dianne Pretty al haar rechten hebben ontnomen.
Op welke rechten zou zij hebben gedoeld? Op het recht op zelfdoding?
Op het recht op hulp bij zelfdoding? Het recht op een waardige dood
misschien of het recht om verschoond te blijven van een kommervolle
dood? Het recht om te sterven op een zelfgekozen wijze op een zelfgekozen
tijdstip? In ieder geval heeft het er veel van weg dat van rechten als
deze gesproken wordt als waren het grondrechten of mensenrechten. Bestaat
er nu zoiets als een grondrecht of mensenrecht op (hulp bij) zelfdoding?
Met Dianne Pretty menen velen van wel.

HET RECHT OP LEVEN

Op 29 april j.l. oordeelde het Europese hof in de zaak Pretty v.
Verenigd Koninkrijk dat het Britse verbod op ‘assisted suicide’ niet
in strijd is met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De weigering van het
Britse openbaar ministerie om toe te zeggen dat de echtgenoot van Dianne
Pretty (verlamd, ongeneeslijk ziek, maar volledig wilsbekwaam) niet
zou worden vervolgd indien deze haar bij de beëindiging van haar
leven behulpzaam zou zijn. Het belang van deze uitspraak is gelegen
in de uitleg die het hof geeft aan artikel 2 EVRM.
In het eerste lid van artikel 2 EVRM is bepaald dat het recht van eenieder
door de wet beschermd wordt. Niemand mag opzettelijk van het leven worden
beroofd, behoudens door de tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis
wegens een misdrijf waarvoor de wet in de doodstraf voorziet. In het
tweede lid is een limitatieve opsomming te vinden van de omstandigheden
waarin de beroving van het leven niet geacht wordt in strijd met artikel
2 te zijn geschied ingeval zij het gevolg is van het gebruik van geweld
dat absoluut noodzakelijk is.
Over dit recht op leven zegt het hof twee belangrijke dingen. Toen ten
tijde van het wetgevingsproces gevraagd werd naar de verhouding van
de Euthanasiewet met het in artikel 2 EVRM gewaarborgde recht op leven,
werd in navolging van de gezondheidsjurist Leenen van regeringszijde
betoogd dat een individueel vrijheidsrecht (als het recht op leven)
nimmer kan werken tegen de vrijheid van het betrokken individu. Er is
een recht op individuele zelfbeschikking, aldus Leenen, dat inhoudt
dat men ook voor niet leven moet kunnen kiezen. Met andere woorden,
het leven komt het individu toe, dus moet dit individu zijn recht op
leven kunnen vervreemden. Zoals er geen inbreuk op het recht van eigendom
plaatsvindt indien dit geschiedt met instemming van de eigenaar, zo
wordt ook het recht op leven niet geschonden indien het betrokken individu
daar toestemming voor gegeven heeft. In de zaak Pretty stelt
het hof evenwel vast dat het recht op leven van artikel 2 EVRM zo fundamenteel
is dat het geen ‘negatief aspect’ kent. Naar zijn oordeel
kan de bepaling van artikel 2 lid 1 EVRM niet zo worden geïnterpreteerd
(althans niet zonder de taal geweld aan te doen) dat men er ‘het
diametraal tegengestelde recht om te sterven’ aan kan ontlenen.
Eerder, in zijn uitspraak in de zaak Streletz, Kessler en Krenz v.
Duitsland (gedaan op 22 maart j.l.) sprak het hof overigens al van
datzelfde recht op leven als ‘een onvervreemdbaar attribuut van het menselijke
wezen’.
Niet alleen is het recht op leven onvervreemdbaar. Naar het oordeel
van het hof is het ook het meest fundamentele recht. Het is het recht
dat het genot van alle andere mensenrechten mogelijk maakt. Reeds in
de zojuist genoemde zaak Streletz vatte het hof het recht op
leven op als ‘het hoogste recht in de hiërarchie van de mensenrechten’.
Deze kijk op het recht op leven heeft gevolgen voor de interpretatie
van de overige bepalingen van het EVRM. In de zaak Pretty merkt
het hof namelijk ook op dat elke interpretatie van het Europees mensenrechtenverdrag
in overeenstemming moet zijn met zijn coherentie als een instrument
van mensenrechtenbescherming. Dit betekent dat alle andere bepalingen
van het verdrag moeten worden opgevat in harmonie met artikel 2 EVRM,
waarin –zoals gezegd – het hoogste recht tot uitdrukking
wordt gebracht. In de zaak Pretty had dit gegeven tot gevolg dat het
beroep op andere bepalingen dan artikel 2 EVRM faalde.
In artikel 3 EVRM is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan
folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
De weigering van het Britse openbaar ministerie om op voorhand toe te
zeggen dat haar echtgenoot niet zou worden vervolgd, zag Pretty als
een schending van het verbod van artikel 3 EVRM. Het hof oordeelde anders.
Het beroep op artikel 3 EVRM zou in dit verband namelijk inhouden dat
de staat handelingen goedkeurt die de intentie hebben leven te beëindigen,
en deze verplichting kan niet aan het verbod op onmenselijke behandeling
worden ontleend. De Europese rechter interpreteerde dus het verbod van
artikel 3 in harmonie met artikel 2 EVRM en op soortgelijke wijze ging
hij om met het beroep van Pretty op andere EVRM-bepalingen.
Overigens zij opgemerkt dat ook de indieners van de Euthanasiewet zich
destijds beriepen op artikel 3 EVRM. Naast het argument van de vervreemdbaarheid
van het recht op leven voerden zij tevens aan dat – mocht het
recht op leven wel onvervreemdbaar blijken te zijn – het recht
van artikel 2 zou botsen met het verbod van artikel 3, daar van regeringszijde
werd betoogd dat aan de bepaling van dit laatste artikel wel de positieve
verplichting ontleend zou kunnen worden voor het treffen van een regeling
die voorziet in het voorkomen van ernstig lijden. In dat geval botsen
de grondrechten van de artikelen 2 en 3 EVRM en staat het de wetgever
vrij, zo meende men, om naar bevind van zaken te handelen en zo nodig
te kiezen voor artikel 3. Achteraf bezien, in het licht van de uitspraak
in de zaak Pretty, is ook deze argumentatie niet steekhoudend.

WAARDIGHEID, GÉÉN ZELFBESCHIKKING

Naar de mening van de Nederlandse wetgever ligt het recht van individuele
zelfbeschikking dus ten grondslag aan het recht op leven. Ware dat niet
het geval, dan zou de interpretatie volgens welke dit recht vervreemdbaar
is, weinig begrijpelijk zijn. Buitengewoon relevant is dan de verwijzing
van het hof in de zaak Pretty naar Aanbeveling 1418(99) van de
Assemblee van de Raad van Europa, welke toeziet op de bescherming van
de mensenrechten en de waardigheid van terminaal zieke en stervende mensen. Hierin wordt
gezegd dat ‘het zelfbeschikkingsrecht van een individu weliswaar
van groot belang [is], maar dat het uiteindelijk wortelt in diens onschendbare
en onvervreemdbare waardigheid, een waardigheid die inherent is aan
het bestaan van een menselijk wezen’. ‘Deze waardigheid’,
zo valt verder te lezen in de Aanbeveling, ‘is niet het voortbrengsel
van conventie en evenmin het gevolg van de erkenning van anderen. Eerbied
voor de menselijke waardigheid staat los van elke feitelijke reciprociteit
en men bezit haar louter en alleen omdat men uit mensen voortkomt.’
Iets dat wortelt in iets anders, valt er niet mee samen. Het individuele
zelfbeschikkingsrecht vormt onmiskenbaar een belangrijke component van
het beginsel van menselijke waardigheid, maar het is er niet aan identiek,
en het is het beginsel van de menselijke waardigheid dat ten grondslag
ligt aan het Europese mensenrechtenverdrag. Het verschil tussen het
beginsel van de menselijke waardigheid en het recht van individuele
zelfbeschikking komt juridisch tot uitdrukking in de onvervreemdbaarheid
van het recht op leven. Naar men mag aannemen zijn alle andere door
het EVRM gewaarborgde grondrechten vervreemdbaar, maar het recht op
leven is dat niet. Dit betekent dat aan een uitspraak als ‘Ik
wens mijn leven te beëindigen, help mij daarbij!’, geen enkel
rechtsgevolg kan worden toegekend, niet in de zin van een verplichting
bij de ander om aan de uitspraak gevolg te geven (uiteraard niet), maar
ook niet in de zin van een recht of een bevoegdheid.
Maakt het ook op een andere, niet-juridische wijze wat uit wanneer men
uitgaat van het beginsel van de menselijke waardigheid? Wanneer aan
het recht van individuele zelfbeschikking de hoogste waarde toekent,
dan zal men met Jacob Kohnstamm, de voorzitter van de NVVE, van mening
zijn dat ‘een doodswens per definitie “authentiek” [is]’ en
dat ‘de samenleving die wens [dus moet] accepteren, zonder ongewenste
hulp op te dringen’ Een individu, aldus Kohnstamm in CV Koers
(november 2001), moet zijn eigen levenseinde kunnen bepalen. Deze attitude
is ondenkbaar indien menselijke waardigheid voorop wordt gesteld. Gaat
men uit van dat beginsel, dan is de authenticiteit van een doodswens
niet vanzelfsprekend. Eerbied voor de menselijke waardigheid betekent
dat men na het vernemen van een doodswens juist wel zal zoeken naar
een onderliggende verklaring, ook als het gaat om ‘ander’ lijden.
Eerbied voor de menselijke waardigheid zal ook inhouden dat men hulp
aanbiedt, zelfs als deze ongewenst is. Eerbied voor het leven maakt
dat het aanbieden van hulp niet op voorhand als opdringerig moet worden
opgevat.

CONCLUSIE

Het is onzin om te spreken van een grondrecht op (hulp bij) zelfdoding.
Wel is er een recht op leven, dat onvervreemdbaar is
omdat niet het recht van individuele zelfbeschikking maar het beginsel
van de menselijke waardigheid eraan ten grondslag ligt. Dit
beginsel maakt dat men een doodswens op een wezenlijk andere wijze
benadert dan die welke de NVVE voorstaat. Dat het door de NVVE
gewenste experiment met de pil van Drion geen doorgang zal vinden,
is evident.
Van het openbaar ministerie wordt namelijk precies datgene
verlangd wat Dianne Pretty wilde van de Britse ‘Director
of Public Prosecutions’, namelijk de toezegging op voorhand
dat niet tot vervolging zal worden overgegaan. Gegeven
de uitspraak in de Pretty-zaak zal het OM tot deze vorm van medewerking
niet genegen zijn.