PVH 8e jaargang – 2001 nr. 5/6, p. 145-

Door Mr A. Rouvoet
André Rouvoet is lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en maakt deel
uit van de fractie van de ChristenUnie. Hij is onder meer woordvoerder
op de beleidsterreinen Volksgezondheid en Justitie.

Valt er een ‘rode draad’ te ontdekken in de voorstellen op het
gebied van de medische ethiek, zools die de afgelopen jaren door
de twee zgn. paarse kabinetten zijn ingediend?
Mij dunkt dat daar wel iets over op te merken valt. Er is natuurlijk
ook al veel over opgemerkt, zowel in het parlement, tijdens de behandeling
van enkele ingrijpende wetsvoorstellen en kabinetsvoornemens, als
in de media en de vakbladen. Ook ‘Pro Vita Humana’ heeft zieh de
achterliggende periode niet onbetuigd gelaten in het analyseren en
bekritiseren van de qfzonderlijke voorstellen. In die zin zal dit
artikel wellicht niet zo heel erg veel hebben toe te voegen aan wat
al eerder gezegd en geschreven is. Anderzijds kan het beslist geen
kwaad om, nu het einde van deze kabinetsperiode nadert, de balans
op te maken en te bezien of achter al die verschillende voorstellen
gemeenschappelijke motieven schuilgaan. Anders gezegd: uit welke
wortel komen deze voorstellen voort?
Voordat we dat doen is het goed om even achterem te kijken: wat is
er in zeven jaar paars eigenlijk gebeurd op medisch-ethisch gebied?

ZEVEN PAARSE JAREN…

In 1994 trad het eerste zogenaamde paarse kabinet aan: een curieus
experiment van samenwerking tussen de oude tegenpolen van sociaal-democraten
en liberalen, aangevuld met de libertijnse pragmatici van D66. Dat
was voor iedereen wel even wennen, niet in de laatste plaats voor
de betrokken partijen zelf! Misschien ligt daar wel de oorzaak dat
Paars I niet datgene bracht wat men er zelf van had gehoopt en wat
door vele anderen met angst en beven tegemoet was gezien: van een
werkelijk fundamentele koerswijziging ten aanzien van grote maatschappelijke
vraagstukken was eigenlijk geen sprake.
Het mag dan zo zijn dat Paars I tot op zekere hoogte inderdaad ‘een
gewoon kabinet’ was (zoals minister-president Kok tot afgrijzen van
de echte ‘paarsen’ al had aangekondigd), Paars II gaf een stroomversnelling
en een radicalisering te zien. AI direct uit het regeerakkoord bleek
een enorme drang om in deze kabinetsperiode in Nederland een aantal
vurig gewenste ‘vernieuwingen’ door te voeren. Met name op medisch-ethisch
gebied heeft men er geen gras over laten groeien. In hoog tempo werd
er een groot aantal ingrijpende voorstellen en voornemens bij de
Tweede Kamer ingediend; naast het wetsvoorstel ‘tot openstelling
van het huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht’, noem ik
in het kader van dit artikel met name het wetsvoorstel tot gedeeltelijke
legalisering van euthanasie, het voornemen om onder bepaalde omstandigheden
abortus-provocatus toe te staan na de levensvatbaarheidgrens van
24 weken (door minister Borst aangekondigd naar aanleiding van een
rapport over de praktijk van late zwangerschapsafbreking), de wet
foetaal weefsel (op grond waarvan het medisch gebruik van van abortus-provocatus
afkomstig ‘materiaal’ is toegestaan) en de aankondiging en enige
tijd later de indiening van een Embryowet waarin – onder zekere voorwaarden
– onderzoek met zgn. restembryos’ wordt toegelaten.
Daarnaast waren er nog zorgwekkende ontwikkelingen rond het kloneren,
de kunstmatige bevruchtingstechnieken en de xenotransplantatie.

Inmiddels schrijven we eind 2001 en zijn de wetsvoorstellen ten aanzien
van euthanasie, foetaal weefsel en embryo-onderzoek door de Tweede
Kamer (de euthanasiewet ook door de Eerste Kamer) behandeld en aangenomen.
Wat betreft de ‘late zwangerschapsafbreking’ is door minister Borst
aangekondigd dat dit onderwerp deel zal uitmaken van een nog in te
dienen voorstel rond levensbeëindiging bij wilsonbekwamen. Kennelijk
is er dus een vloeiende overgang van een late abortus naar een vroege euthanasie…

Terugkijkend op de verschillende Kamerdebatten die over de hiervoor
genoemde onderwerpen zijn gevoerd, moet ik zeggen dat verdriet, teleurstelling
en bitterheid overheersen. Er was allereerst de voortdurende ervaring
van een principiële tegenstelling wat betreft de visie op het
leven en de beschermwaardigheid van het leven.
Maar wat daarnaast vooral opviel tijdens de debatten was de vastbeslotenheid
van ‘paars’ (ik doel zowel op het kabinet als op de coalitiefracties)
om deze voorstellen er nu en ongeschonden doorheen te krijgen. Dat
leverde soms een ongehoorde druk op de parlementaire behandeling
op. Bovendien bleek er bij sommigen nauwelijks tot geen bereidheid
te zijn om werkelijk naar de argumenten van de tegenstanders van
deze wetgeving te luisteren. Toen de fracties van ChristenUnie en
SGP bij het wetsvoorstel euthanasie trachtten om via een groot aantal
wijzigingsvoorstellen te komen tot versterking van de waarborgen
tegen misbruik en ontsporingen, werden alle amendementen zonder omhaal
als ‘overbodig’ van tafel geveegd. De politieke wens om de afspraken
uit het regeerakkoord uit te voeren won het hier onmiskenbaar van de behoefte
om tot zorgvuldige wetgeving te komen.

ZELFBESCHIKKING

Wanneer ik dan nu probeer de motieven achter de verschillende hiervoor
genoemde ‘paarse’ voorstellen te duiden, dan ben ik geneigd daarbij
vooral te wijzen op een tweetal kernbegrippen: zelfbeschikking en
instrumentalisering.
Het recht op zelfbeschikking (of: autonomie) speelde al een prominente
rol bij de totstandkoming van de abortuswet: het gehoor geven aan
het ‘baas in eigen buik’-denken betekende een ernstige relativering
van het beginsel van de beschermwaardigheid van het ongeboren leven.
Scherper gesteld: met de aanvaarding van de Wet afbreking zwangerschap
in 1981 werd in dit opzicht een principiële wissel omgezet.
Goed beschouwd is de latere regelgeving ten aanzien van euthanasie
hier siechts een min of meer logische vervolgstap op.
Het is dan ook bij uitstek bij de euthanasiewet dat in de debatten
het zelfbeschikkingsrecht een prominente rol speelde.
Opvallend daarbij was dat er wel werd gesproken over ‘de gedachte
van de zelfbeschikking’, maar doorvragen leverde een ontkenning
op dat het wetsvoorstel daarop zou rusten. In de stukken werd ondermeer
het volgende gesteld: “Ook de gedachte van zelfbeschikking komt in het voorliggende
wetsvoorstel terug, doordat het mogelijk wordt gehoor te geven aan
de wens van een uitzichtloos en ondraaglijk lijdende patiënt
om te sterven. Dit uitgangspunt van zelfbeschikking kan, waar het gaat om levensbeëindiging
op verzoek en hulp bij zelfdoding, nooit worden uitgelegd als een
recht op zelfbeschikking”. En ook enkele woordvoerders vermeden
het zorgvuldig om in termen van een zelfbeschikkingsrecht te spreken,
terwijl tegelijk kristalhelder was dat de idee van zelfbeschikking
bepalend was voor hun positie.

De achtergrond hiervan is wel duidelijk: een al te onbekommerd spreken
over zelfbeschikking (dat overigens geen enkele basis vindt in onze
Grondwet ofin internationale verdragen!) zou de onvermijdelijke vraag
oproepen waarom de wetgever aan die zelfbeschikking nog beperkingen
zou stellen, bijvoorbeeld via wettelijke waarborgen en de zorgvuldigheidseisen.
Het punt is dat voorstanders van het gelegaliseerd doden op verzoek
tegen deze vraag geen verweer hebben. Immers, waar haalje als kabinet
ofals parlementarier het recht vandaan om de ene patiënt wel
‘de teugels van het eigen leven in banden te geven’ (zoals
een van de woordvoerders het uitdrukte) en dit een ander te ontzeggen? Zelf heb ik in het debat
aangegeven ervan overtuigd te zijn dat de – impliciete – erkenning
van de menselijke autonomie als essentiëel element in de discussie
over euthanasie en zelfdoding onontkoombaar zai eindigen in een individueel
keuzerecht met betrekking tot leven en dood, waarbijalle waarborgen
en begrenzingen die nu nog in de wetzijn opgenomen, vroeg oflaat
zullen verdampen.

INSTRUMENTALISERING

Het tweede kernbegrip is instrumentalisering van het leven. De achtergrond
hier van is met name gelegen inhet gegeven dat we de achterliggende
periode steedsmeer te weten zijn gekomen over zowel de totstandkoming
als de vroegste ontwikkeling van het (menselijk)leven. De snelle
toename van onze kennis op het gebiedvan de genetica en de ontwikkeling
van de techniekenals donorinseminatie, invitrofertilisatie en de
prenatale (ofpreimplantatie) diagnostiek, leveren bijkans onbegrensdemogelijkheden
tot menselijke beinvioeding van devruchtbaarheid en de voortplanting.Bij
velen heeft dit proces geleid tot de gedachte dat wehet leven zeit
tot stand kunnen brengen en er dus ook over mogen beschikken. De
motieven hierachter kunnen variëren van een ongebreidelde experimenteerzucht
tothet verlangen om de gezondheid van anderen, bijv. mensen met Alzheimer
of Parkinson, te dienen en te bevorderen. Maar hoe nobel het motief
achter het handelen ook mag zijn, er blijft sprake van instrumentalisering
van het leven: het leven van de een mag dan onder omstandigheden
en binnen bepaalde randvoorwaarden gebruikt worden of – zoals bij
de behandeling van de Embryowet duidelijk werd – op termijn zelfs
speciaal gekweekt worden ten behoeve van het leven van een ander.
Overigens werd dit bij het debat over de Embryowet ook met zoveel
woorden erkend door een enkele woordvoerder van de paarse partijen:
instrumenteel gebruik van leven werd ‘een rationele keuze’ genoemd,
mogelijk gemaakt door niet uit te gaan van de volledige beschermwaardigheid
van het leven, maar het vertrekpunt te kiezen in het principe van
de toenemende beschermwaardigheid. Ik heb er de vinger bij gelegd
dat het gebruik van termen als ‘toenemende beschermwaardigheid’,
‘pre-embryo’, ’embryonaal of foetaal weefsel verhullend werkt: je
zou bijna vergeten dat we het nog altijd over menselijk leven hebben!
Maar vragen als ‘wat is een mens?’ en ‘wanneer begint het menselijk
leven?’ worden in het politieke debat eigenlijk nauwelijks gesteld,
laat staan dat ze van een antwoord worden voorzien. En dat is merkwaardig,
omdat we vervolgens wel regels stellen over wat wel en wat niet is
toegestaan, bijvoorbeeld ten aanzien van onderzoek met embryos. Door
formules en termen te hanteren die suggereren dat we de vragen beantwoord
en de problemen hebben opgelost, worden we in Staat gesteld om te
handelen zonder over de voorvragen duidelijkheid te hebben verschaft.
Met andere woorden: existentiële vragen worden weggedefiniëerd,
onze onwetendheid is op fbrmulegebracht en het menselijk handelen
is – in elk geval formeel – gelegitimeerd…

VERLEGENHEID MET HET LIJDEN

In het bovenstaande zagen we dat het uitgangspunt van volledige beschermwaardigheid
van het leven het steeds vaker aflegt tegen het (vermeende) recht
op zelfbeschikking en instrumentaliteit. Daarmee dreigt de overheid
een kerntaak – te weten het beschermen van hef leven, in het bijzonder
van wie zwak en weerloos is – te veronachtzamen en willens en wetens
haar handen af te trekken van hen die deze bescherming juist het
hardste nodig hebben: kinderen in de moederschoot, pasgeborenen,
gehandicapten, psychiatrische patiënten, demente bejaarden,
comateuze patiënten. Paars laadt hiermee eenzware verantwoordelijkheid
op zieh…Op de achtergrond van dit proces, dat zeer ingrijpend isen
dat wezenlijke veranderingen in de samenleving metzieh brengt, bijvoorbeeld
met betrekking tot het beroep van de arts, maar ook ten aanzien van
de positie van degehandicapte medemens, bespeur ik een verlegenheidmet
het lijden. Hier stuiten we op het diepste, meest wezenlijke verschil
tussen christelijk denken en ‘paars’ denken: christenen weten
dat ze met hun vragen enmoeiten rondom het lijden terecht kunnen
bij de HereGod, de Schepper en Onderhouder van het leven; wievan
die Toevlucht niet wil weten, zai sneller geneigd zijnhet lijden
en het leven in eigen hand te nemen.Dit volstrekt gehorizontaliseerde
denken, deze godlozevisie op het leven, op gezondheid en op het lijden,
is deechte ‘paarse draad’ in de wet- en regelgeving zoals die deafgelopen
jaren op het medisch-ethisch terrein tot standis gebracht. Daar ligt
dan ook het fundamentele onderscheid met de christelijke politiek,
die wil rekenen metwat de God van het leven ons zegt over de waarde
vanieder leven, ook het meest prille leven, het beschadigde, het
gehandicapte en het naar het einde neigende leven. Ik hecht eraan
in dit verband nog de volgende opmerking te maken. De ‘paarse’ voorstellen
zijn, hoe schokkend ze ook zijn, niet uit de lucht komen vallen.
Zoalsgezegd is in 1981 met de totstandkoming van deWet Afbreking
Zwangerschap een principiële wissel omgegaan voor wat betreft
de abortus provocatus. En in 1993 is met de (tijdelijke) afronding
van de euthanasie discussie en de totstandkoming van de euthanasieregeling
van hetkabinet Lubbers/Kok een volgende stap gezet op dezedoodlopende
weg. Met andere woorden: in het recenteverleden zijn deuren die gesloten
hadden behoren teblijven willens en wetens op een kier gezet; deuren
dienu door de paarse voet verder worden opengeduwd. Dat moet hun
die voor deze beslissingen indertijd verantwoordelijkheid hebben
genomen (en de toen geslotencompromissen tot op de dag van vandaag
verdedigen…)te denken geven. Het is tegelijkertijd een indringende
waarschuving aan het adres van ons allemaal om dezelfde fout niet
opnieuw te maken en ons niet te laten verleiden tot het sluiten van
compromissen op dit terrein van leven en dood, waar wat een compromis
schijnt al gauw een capitulatie blijkt te zijn.

TOT SLOT

Het gaat bij deze onderwerpen om veel meer dan een verschil van mening
over politieke keuzes. Het gaat hier om kernwaarden betreffende leven
en dood. Wie deze welbewust terzijde schuift en zo de grondslagen
van een gezonde samenleving welbewust en fundamenteel aantast, laadt
een zware verantwoordelijkheid op zich. Kwesties als abortus, euthanasie
en embryo-onderzoek zijn immers – letterlijk! – van levensbelang!
Daarom ook heb ik in de onderscheiden debatten steeds het kabinet met
klem opgeroepen om van de gekozen weg, die naar mijn vaste overtuiging
een doodlopende weg is, terug te keren.Waar de gezonde grondslagen
van onze samenleving in het geding zijn, daar vragen we ons met de
dichter van Psalm 11 af: ‘wat kan dan de rechtvaardige doen?’ Het
is zaak dit goed te verstaan: er is bij de psalmist geen sprake van
treurige berusting, van moedeloosheid; integendeel: er is meteen het
opzien naar de Here, die als Koningboven alle mensen troont en alle
dingen in Zijn machtige hand heeft. Hij is de onuitputtelijke bron
van troosten kracht, die ons ook in een tijd waarin ‘de paarse geest
der eeuw’ vaardig is over velen, kan en wil behoeden voor moedeloosheid
en machteloosheid.