PVH 9e jaargang – 2002 nr. 3, p. 69-72

Door Mr dr drs. M.A.J.M. Buijse
universitair docent gezondheidsrecht Erasmus Universiteit Rotterdam en redacteur van PVH

Een jaar geleden schreef ik (‘Euthanasiewet & artikel 2 EVRM’,
NJB 2001-23, p. 1082-1083; zie ook PVH 2001, nr. 3, blz. 131), dat de indieners
van het voorstel van de op 1 april 2002 in werking getreden Euthanasiewet
(Stb. 2001, 194) weinig oog hebben gehad voor de verhouding van het voorstel
tot het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
de fundamentele vrijheden (EVRM) en dan vooral tot artikel 2, waarin het
recht op leven wordt gewaarborgd. Ten tijde van zijn behandeling werd het
wetsvoorstel van regeringszijde verdedigd met het argument dat zolang ‘euthanasie’jurisprudentie
van het Europees hof voor de rechten van de mens ontbreekt, het
aan de wetgever is om een keuze te maken en inhoud te geven aan
artikel 2 EVRM.
Aan het jurisprudentieloze tijdperk is met de uitspraak in Pretty
v. Verenigd Koninkrijk (zaak 2346/02) een eind gekomen.

De feiten in deze zaak zijn de volgende. De verzoekster, Dianne Pretty, is
een drieënveertigjarige vrouw die lijdt aan een progressieve
neuro-degeneratieve aandoening van het zenuwstelsel. Deze ziekte, die
ongeneeslijk is, verzwakt de spieren en gewoonlijk heeft dan het falen
van de ademhalingsspieren de dood tot gevolg. Bij verzoekster is de ziekte
inmiddels vergevorderd. Momenteel is zij verlamd vanaf de nek, het spraakvermogen
is verloren gegaan en voeding vindt plaats met behulp van een sonde.
Naar verwachting zal zij hooguit nog een paar maanden te leven hebben.
Haar intellect en het vermogen tot het nemen van beslissingen zijn evenwel
nog intact en zij heeft de wens geuit verschoond te willen blijven van
het ernstige lijden en de onwaardigheid die haar te wachten staan in
het laatste stadium. Omdat de ziekte haar niet in staat stelt over te
gaan tot zelfdoding, is het haar wens dat haar echtgenoot haar bij de
levensbeëindiging behulpzaam is. In het Verenigd Koninkrijk is ‘assisted
suicide’ evenwel een misdrijf en de ‘Director of Public Prosecutions’ (DPP)
weigerde de echtgenoot dan ook de toezegging niet tot vervolging over
te gaan indien hij aan de wens van zijn vrouw gehoor zou geven. Volgens
verzoekster is deze beslissing in strijd met de rechten die zij heeft
ingevolge een aantal EVRM-artikelen, waaronder de artikelen 2,3 en 8
EVRM. Op 29 april jl. deed het Hof uitspraak.

Hoe steekhoudend zijn nu de argumenten waarmee het wetsvoorstel destijds
werd verdedigd? Allereerst moet worden geconstateerd dat de uitspraak
van het Hof meer dan voldoende helderheid verschaft over de aard van
artikel 2 EVRM. De indieners van het wetsvoorstel citeerden indertijd met instemming de gezondheidsjurist
H.J.J. Leenen die zich op het standpunt stelde dat de norm ‘eerbied
voor het leven’, die aan artikel 2 ten grondslag ligt, de overheid
en anderen het recht ontneemt iemand tegen diens wil het leven te benemen
doch geen grond verschaft om de individuele persoon te verbieden dat
zelf te doen of een ander te vragen hem daarbij behulpzaam te zijn (Kamerstukken
I, 2000-2001, 26 691, nr. 137e, p. 6). Met andere woorden, naar de mening
van Leenen kan van schending van het recht op leven geen sprake zijn,
indien de betrokkene instemt met de aantasting van het door dat grondrecht
beschermde rechtsgoed: het grondrecht staat in functie van het recht
van individuele zelfbeschikking en is derhalve vervreemdbaar.

Over artikel 2 EVRM merkt het Hof op dat het het recht op leven waarborgt, ‘without
which enjoyment of any of the other rights and freedoms in the Convention
is rendered nugatory’. Het uitzonderlijke karakter van dit fundamentele
recht wordt verder bevestigd door de vaststelling dat het recht op leven
geen negatief aspect kent.
Dit recht is in duidelijk andere termen verwoord dan bijvoorbeeld het
door artikel 11 beschermde recht op vrijheid van vereniging. Wat betreft
dit laatste recht is inmiddels wel duidelijk, aldus het Hof, dat het
niet alleen de vrijheid van vereniging omvat maar ook het corresponderende
recht om niet tot vereniging te worden gedwongen. In de context van artikel
11 EVRM heeft het Hof namelijk in eerdere uitspraken vastgesteld dat
de notie van een vrijheid een zekere mate van keuze impliceert wat betreft
haar toepassing. In het geval van het door artikel 2 EVRM beschermde
recht ligt dat anders. Naar het oordeel van het Hof kan dit artikel niet ‘without
distortion of language’ zo worden geïnterpreteerd ‘as
conferring the diametrically opposite right, namely a right to die’.
Het Hof voegt hieraan toe dat artikel 2 EVRM evenmin een recht op zelfbeschikking
kan creëren in die zin dat een individu het recht toekomt de dood
boven het leven te kiezen.

Het komt mij voor dat aan de interpretatie van artikel 2 EVRM van het
Hof meer gewicht moet worden toegekend dan aan die van een rechtsgeleerde,
hoe gezaghebbend ook. En voor zover het wetsvoorstel steunde op Leenens
opvattingen ter zake, is de conclusie tevens dat van regeringszijde destijds
ondeugdelijke argumenten zijn aangevoerd.

Het Hof stelt voorts vast dat artikel 2 EVRM niet toeziet op kwesties
die samenhangen met kwaliteit van leven of wat een individu besluit te
doen met zijn of haar leven. Daarbij merkt het evenwel op dat ‘to
the extent that these aspects are recognised as so fundamental to the
human condition that they require protection from State interference,
they may be reflected in the rights guaranteed by other Articles of the
Convention, or in other human rights instruments’. Zou dit nu het
geval zijn met (een van) de andere artikelen die door de verzoekster
worden ingeroepen?

Volgens de algemene beschrijving van het Hof legt artikel 3 EVRM hoofdzakelijk
een negatieve verplichting op aan staten om zich te onthouden van het
toebrengen van ernstig letsel aan individuen die zich op hun rechtsgebied
bevinden. Daarnaast rust op staten de positieve verplichting om te voorzien
in maatregelen die strekken tot bescherming tegen foltering of onmenselijke
en vernederende behandelingen, ook indien deze verricht worden door privé-personen.
In casu is het lijden het gevolg van een ziekte, niet van ‘ill-treatment’ van
de kant van het Verenigd Koninkrijk. Nu sluit het Hof niet uit dat dergelijk
lijden binnen het toepassingsbereik van artikel 3 kan vallen, maar dan
moet er wel sprake zijn versterking van dat lijden door handelen waarvoor
de autoriteiten verantwoordelijk gehouden kunnen worden, zoals inadequate
medische hulpverlening door overheidsinstellingen, detentie in slechte
omstandigheden, uitzetting in geval van ernstige ziekte, enzovoorts.
Van zo’n versterking is naar het oordeel van het Hof geen sprake.
Ook de weigering van de DPP om toe te zeggen dat de echtgenoot van verzoekster
niet vervolgd zal worden, ziet het Hof niet als een onmenselijke en vernederende
behandeling waarvoor de staat verantwoordelijk is. Evenmin houdt deze
weigering in dat de staat nalaat verzoekster te beschermen tegen het
lijden dat haar in de nabije toekomst te wachten staat. Het Hof oordeelt
dat deze claim ver voorbijgaat aan de gewone betekenis van het woord ‘treatment’.

Tevens stelt het Hof dat elke interpretatie van het EVRM in overeenstemming
moet zijn met de fundamentele doeleinden van het verdrag en zijn coherentie
als een instrument van mensenrechtenbescherming. Artikel 3 moet daarom
in harmonie worden opgevat met artikel 2 EVRM. Het laatste artikel behelst
het verbod op het gebruik door staten van dodelijk geweld of ander gedrag
dat tot de dood van een mens kan leiden. En aan de kant van individuen
vestigt het artikel geen recht jegens een staat om zijn of haar dood
toe te staan of te vergemakkelijken. Artikel 3 EVRM vormt hierop de aanvulling
doordat het staten de positieve verplichting oplegt om ‘ill-treatment’ door
overheidsinstanties of privé-personen te voorkomen, om te voorzien
in betere geneeskundige zorg, betere omstandigheden van detentie, enzovoorts.
Van een soortgelijke aanvulling is naar het oordeel van het Hof in casu
geen sprake. Het beroep op artikel 3 EVRM zou in het onderhavige geval
namelijk inhouden dat de staat handelingen goedkeurt die de intentie
hebben leven te beëindigen, en deze verplichting kan volgens het
Hof niet aan artikel 3 EVRM worden ontleend.

Ten tijde van de behandeling van het wetsvoorstel werd van regeringszijde
ook wel aangehaakt bij Alkema, die zich op het standpunt stelde dat in
geval van conflict tussen grondrechten de wetgever de vrijheid heeft
om naar bevind van zaken te handelen. Van een dergelijk conflict met
de plicht van de overheid om het recht op leven te eerbiedigen en te
beschermen zou evenwel slechts kunnen zijn indien op diezelfde overheid
ingevolge artikel 3 EVRM inderdaad de verplichting zou rusten om in gevallen
als de onderhavige intentioneel levensbeëindigend handelen toe te
staan. Daar dit laatste niet het geval is, is het onheus om te spreken
van een conflict van grondrechten. Voor zover het wetsvoorstel steunde
op het standpunt van Alkema, schiet de onderbouwing naar nu gebleken
is ook hier tekort.

Ten aanzien van de schending van artikel 8 EVRM stelt het Hof niet bereid
te zijn om op voorhand uit te sluiten dat de weigering van de DPP een
schending betekent van het aldaar neergelegde recht op eerbiediging van
privé-, familie- en gezinsleven. Op de vraag of deze schending
aan de eisen van het tweede lid van dat artikel voldoet, antwoordt het
Hof dat bezien moet worden of de schending in een democratische samenleving
noodzakelijk is. Vastgesteld wordt dat volgens de jurisprudentie van
het Hof de notie van noodzaak impliceert dat de schending: 1. correspondeert
met een dwingende sociale behoefte, en 2. in proportie staat tot het
legitieme, nagestreefde doel. Ook stelt het Hof vast dat er bij de bepaling
van de noodzakelijkheid van een schending enige beleidsruimte bestaat
voor nationale overheden. Deze ruimte kan variëren naargelang de
aard van de kwestie en de relevantie van de in het geding zijnde belangen.
De wijze waarop die ruimte dan wordt ingevuld, is evenwel onverminderd
toetsbaar.

De aard van het algemene verbod op ‘assisted suicide’ acht
het Hof echter niet buiten proportie. De tegenpartij, de Britse regering,
heeft in zijn ogen afdoende duidelijk gemaakt dat a. in flexibiliteit
is voorzien doordat toestemming van de DPP nodig is alvorens tot vervolging
kan worden overgegaan, en b. aan de straf een maximum gesteld is, waarbij
het mogelijk is om – wanneer dat geëigend is – over te gaan tot
oplegging van lagere straffen. Gezien de wijze waarop in het verleden
in het Verenigd Koninkrijk met het verbod is omgesprongen (in de periode
van 1981 tot 1992 slechts tweeëntwintig geregistreerde gevallen
van ‘mercy killing’, en slechts één veroordeling
tot levenslange gevangenisstraf wegens moord), getuigt het volgens het
Hof niet van willekeur om in het nationale recht het belang van het recht
op leven tot uitdrukking te brengen door ‘assisted suicide’ te
verbieden en tegelijkertijd te voorzien in een systeem van handhaving
en rechtsbedeling waarbinnen voldoende aandacht mogelijk is voor de bijzonderheden
van elk afzonderlijk geval.Ten slotte vindt het Hof dat er aan de ‘rule
of law’-gedachte sterke argumenten kunnen worden ontleend tegen
elke aanspraak van de uitvoerende macht om individuen of klassen van
individuen aan de ‘rule of law’ te onttrekken.

Nu is de vaststelling dat de internationaalrechtelijke onderbouwing van
de Euthanasiewet ondeugdelijk gebleken is, vooral van historisch belang.
Relevanter is de vraag in hoeverre de door het Hof gegeven interpretatie
aan de relevante EVRM-artikelen ruimte laat voor de Nederlandse Euthanasiewet.
Bij het beantwoorden van deze vraag moet eerst en vooral worden bedacht
dat het Hof ingevolge artikel 34 EVRM geen abstracte rechtsgeleerde opinies
mag geven maar gehouden is de verdragsbepalingen toe te passen op de
concrete feiten van individuele gevallen. De vraag van verzoekster of
het niet erkennen van een recht op sterven met zich meebrengt dat de
staten die euthanasie en hulp bij zelfdoding toestaan in strijd met het
verdrag handelen, wordt door het Hof terecht als irrelevant terzijde
geschoven. In Pretty v. Verenigd Koninkrijk geeft het Hof antwoord op
de specifieke vraag of de beslissing van de DPP om niet-vervolging niet
toe te zeggen wel te rijmen valt met een aantal verdragsbepalingen. En
naar het oordeel van het Hof is deze beslissing daarmee niet in strijd.

Niettemin maakt het Hof een aantal opmerkingen die wel degelijk van betekenis
zijn voor de Nederlandse situatie. Allereerst maakt het Hof meer dan
voldoende duidelijk dat aan artikel 2 EVRM niet het recht om te sterven
kan worden ontleend. Dit betekent dat iemand niet kan worden verplicht
tegemoet te komen aan de eis van een ander om behulpzaam te zijn bij
het sterven. Ten tweede moet artikel 3 EVRM zo geïnterpreteerd worden
dat het in een harmonieuze relatie staat tot het aldus uitgelegde artikel
2. Dit betekent dat aan artikel 3 EVRM niet de positieve verplichting
voor de staat kan worden ontleend dat hij intentioneel levensbeëindigende
handelingen goedkeurt. In de derde plaats erkent het Hof dat flexibiliteit
nodig is bij de handhaving van het verbod op euthanasie en hulp bij zelfdoding
in individuele gevallen. Welnu, zij die menen dat deze opmerkingen voldoende
ruimte laten voor een euthanasiewet als de Nederlandse, zoals bijvoorbeeld
Kuitenbrouwer in NRC Handelsblad van 30 april jl., zullen aanvoeren dat
de Euthanasiewet evenmin resulteert in een plicht bij degene die gevraagd
wordt om bij zelfdoding of euthanasie behulpzaam te zijn. Bovendien zijn
met de komst van de Euthanasiewet euthanasie en hulp bij zelfdoding strafbaar
gebleven.

Het is evenwel zeer de vraag of deze argumenten – ware beweringen uiteraard
– volstaan in die zin dat zij de stelling schragen dat het EVRM weliswaar
weinig maar niettemin voldoende ruimte laat aan de Nederlandse wet- en
regelgeving ter zake. Zeer waarschijnlijk moet die ruimte toch geringer
worden geacht. Ten aanzien van de beleidsvrijheid die staten toekomt
om door middel van het strafrecht handelingen te reguleren die gevaar
opleveren voor leven en veiligheid, stelt het Hof dat het primair aan
hen is om afwegingen te maken. Het Britse verbod op ‘assisted suicide’ is
erop gericht de levens van kwetsbare en zwakke mensen te beschermen,
in het bijzonder die van hen die niet in staat zijn geïnformeerde
beslissingen te nemen ten aanzien van handelingen die de intentie hebben
hun levens te beëindigen. Ongetwijfeld zullen de toestanden van
terminaal zieken zeer uiteenlopen, maar velen zullen kwetsbaar zijn en
in hun bescherming vindt het Britse verbod dan ook zijn bestaansreden.
Het is aan staten, aldus het Hof, om het risico van misbruik in te schatten
indien het verbod op euthanasie en hulp bij zelfdoding zou worden afgezwakt
of indien uitzonderingen zouden worden geschapen.
Niettemin, ‘clear risks of abuse do exist, notwithstanding arguments as to the possibility
of safeguards and protective procedures’. Ten aanzien van de flexibiliteit
bij de handhaving van het verbod op euthanasie en hulp bij zelfdoding
spreekt het Hof van ‘a system of enforcement and adjudication which
allows due regard to be given in each particular case to the public interest
in bringing a prosecution, as wel as to the fair and proper requirements
of retribution and deterrence’. Het komt mij voor dat een wettelijke
regeling die voorziet in strafuitsluitingsgronden, en waarbij het openbaar
ministerie niet over elk afzonderlijk geval wordt geïnformeerd,
niet aan deze beschrijving voldoet. De conclusie is derhalve dat de Nederlandse
Euthanasiewet waarschijnlijk meer ruimte claimt dan het EVRM daadwerkelijk
biedt.

De uitspraak van het Hof is te vinden op http://www.echr.coe.int