PVH 15e

jaargang – 2008 nr. 3, p. 070-075

 

Autonomie, waardigheid en het recht op gezondheidszorg

in vraagstukken
rondom het levenseinde

Mr dr M.A.J.M. Buijsen

Universitair
hoofddocent Recht & gezondheidszorg, Erasmus Medisch Centrum / Erasmus
Universiteit Rotterdam

1. INLEIDING

Op 15 mei jl. liet staatssecretaris Bussemaker (VWS) de Kamer weten

een onderzoek te zullen starten naar de praktijk van euthanasie, palliatieve
sedatie en de zorg die stervenden in Nederland ontvangen. Toegezegd werd
ook de vraag mee te nemen naar de juridische kennis bij het publiek en
de professionals betrokken bij het levenseinde van mensen. Niet iedereen
is immers bekend met de precieze inhoud van juridische begrippen als wilsbekwaamheid,
palliatieve sedatie en euthanasie. Een zeer wenselijk onderzoek, al was
het alleen maar omdat het gros van de burgers de mening is toegedaan dat
er in Nederland zoiets bestaat als een recht op euthanasie. Op de door
een Kamerlid geuite wens naar versterking van de palliatieve zorg gaf
de staatssecretaris aan als overheid niet het initiatief te willen nemen
in het maatschappelijke debat. Dit doet de vraag rijzen naar wat de respons
van de overheid zou moeten zijn op vraagstukken rondom het levenseinde.

2. AUTONOMIE

In Nederland heeft het maatschappelijke debat over vraagstukken rondom

het levenseinde een curieus verloop gekend. Werkelijke aandacht voor palliatieve
zorg, vanuit de overheid dan toch, lijkt er in Nederland pas gekomen te
zijn nadat de Wet levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding
(WTL) in 2001 een feit geworden was. Van overheidswege is dit ook nimmer
ontkend. In haar toespraak ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van
het Netwerk Palliatieve Zorg voor Terminale Patiënten Nederland (NPTN)
gaf toenmalig staatssecretaris Ross-Van Dorp onomwonden toe dat tien jaar
daarvoor palliatieve zorg in Nederland nog gold als het stiefkindje van
de zorgsector, om vervolgens te signaleren dat Nederland zich in de periode
1996 – 2006 ontwikkeld heeft van achterblijver – internationaal
gezien – tot een van de koplopers op dat terrein.1

Voor de inwerkingtreding van de WTL werd het maatschappelijke en politieke

debat in Nederland min of meer gemonopoliseerd door de vraag naar de toelaatbaarheid
van euthanasie. In het buitenland plegen de debatten in omgekeerde volgorde
plaats te vinden. Eén van de verklaringen voor dat fenomeen is
ongetwijfeld gelegen in de specifieke inhoud die in Nederland van oudsher
gegeven wordt aan begrippen die in deze vraagstukken te pas en te onpas
gehanteerd worden, die van autonomie en waardigheid.2

In gezondheidsrechtelijke literatuur is in de afgelopen decennia als

dogma aanvaard dat het beginsel van autonomie (ook wel het recht van
individuele zelfbeschikking genoemd) mede ten grondslag ligt aan de
wet- en regelgeving
van de Nederlandse gezondheidszorg. In een van zijn handboeken spreekt
de grondlegger van de beoefening van het gezondheidsrecht in Nederland,
Henk Leenen (1929-2002), van het zelfbeschikkingsrecht als ‘een
recht dat ieder mens als mens toekomt’, van ‘een individueel
en oorspronkelijk recht, niet van de staat of de gemeenschap afgeleid,
dat zijn grondslag vindt in het principe van de vrije en autonome mens
die een inherente waardigheid heeft welke onvoorwaardelijk respect
verdient’.3
Door het recht van individuele zelfbeschikking aldus te omschrijven
wekt Leenen sterk de indruk over een mensenrecht te spreken. Maar –
zoals we
zullen zien – het recht van individuele zelfbeschikking is geen mensenrecht.4
En ook is autonomie wat anders dan de waardigheid die inherent is aan
iedere mens, niet alleen aan de vrije en autonome mens . . .

Nu zegt Leenen over dit recht van individuele zelfbeschikking nog meer.

Het is ook het ‘het recht van de mens om naar zijn eigen levensconcept
te leven’, het recht dat ‘een eigen keuze van normen en waarden
met betrekking tot het eigen leven [betekent], ook al is dat in afwijking
van dat moment geldende normen en waarden’, het recht – kortom – dat
inhoudt ‘dat men ten aanzien van het eigen leven kan beschikken
op een andere wijze dan in de samenleving gangbaar is’.5

Leenens ideeën over de grondslagen van het gezondheidsrecht zijn

toch wel bijzonder. Allereerst is meermaals door anderen betoogd dat de
aanvaarding van het recht van individuele zelfbeschikking als rechtsbeginsel
een povere rechtstheorie oplevert.6 In de jaren zestig en zeventig van
de vorige eeuw was het rechtspolitiek ongetwijfeld zeer te billijken dat
er een punt gemaakt werd van de mondigheid van patiënten, maar rechtswetenschappelijk
gezien valt moeilijk staande te houden dat het gezondheidsrecht hoofdzakelijk
gedragen wordt door de autonomiegedachte.

In de tweede plaats gaat het bij Leenen om een bijzondere vorm van

autonomie. De vraag naar de onderliggende antropologie is een interessante.
In haar proefschrift Betwiste zelfstandigheid. Individualisering, sekse
en verzorgingsstaat (1993) onderscheidt de huidige staatssecretaris een
tweetal vormen van individualisme. Tegenover het individualisme van de
Verlichting met zijn nadruk op Rede, eigenbelang en individuele welvaart,
het ‘zelf’ als de optelsom van individuele preferenties, het
beroep op negatieve vrijheidsrechten en een collectieve moraal als de
resultante van algemene wil en instemming, plaatst zij het individualisme
van de Romantiek waarin de nadruk op gevoel wordt gelegd, waarin het ‘zelf’ geformuleerd
wordt in termen van uniciteit en authenticiteit, waarin de mens uit is
op zelfontplooiing in sociale, extrasociale of antisociale zin, volgens
welke autonomie verkregen of bevochten moet worden, en waarin positieve
vrijheidsrechten en individuele moraal worden beklemtoond. Bussemaker
spreekt in dit verband zeer treffend van utilitaristisch en expressief
individualisme.7

Vermoedelijk hadden Leenens ideeën over individuele zelfbeschikking

meer verwantschap met het expressieve individualisme van de Romantiek
dan met het utilitaristische individualisme van de Verlichting. Maar
is het de mens die aan dit beeld voldoet, aan dat van het expressieve
of
romantische individualisme, aan wie de waardigheid inherent is welke
onvoorwaardelijk respect toekomt?

3. MENSELIJKE WAARDIGHEID

Nederlandse gezondheidsjuristen en -ethici plegen autonomie aldus opgevat

inderdaad te vereenzelvigen met menselijke waardigheid. Maar menselijke
waardigheid is wat anders. Niet autonomie in welke betekenis dan ook
maar menselijke waardigheid is het concept dat ten grondslag ligt aan
alle
mensenrechten die wij kennen. In de preambules van alle mensenrechtenverdragen
waarbij Nederland partij is, binnen de Verenigde Naties dan wel binnen
de Raad van Europa tot stand gekomen, wordt van menselijke waardigheid
gesproken, nooit van individuele zelfbeschikking of autonomie. Eerbiediging
van deze waardigheid is wat mensenrechten, alle mensenrechten, bedoelen
te bewerkstelligen. In de literatuur wordt wel gesproken van de ‘onschendbare
en onvervreemdbare waardigheid [van mensen], die ‘inherent is aan
het bestaan van het menselijke wezen’, die ‘niet het voortbrengsel
[is] van een conventie en evenmin het gevolg is van de erkenning door
anderen’. Eerbied voor deze waardigheid staat los van elke feitelijke
reciprociteit en men bezit haar louter en alleen omdat zij uit mensen
voortkomt.8

Maar wat is menselijke waardigheid? Het begrip leent zich niet voor

definitie. Het is een open concept dat aan inhoud wint naar de mate
waarin het apparaat van mensenrechtenbescherming zich ontwikkelt. Wie
gevolg
geeft aan de vraag naar de definitie van het begrip ‘menselijke
waardigheid’, zal altijd maar een enkel aspect belichten. Men kan
welbeschouwd niet anders dan zich bij die gelegenheid in morele zin
blootgeven.

Definitie is weliswaar onmogelijk maar omschrijving niet. Gevraagd

naar de precieze betekenis van menselijke waardigheid zal elke jurist
niet anders kunnen dan uit de rechtsbronnen voorlezen waarin de mensenrechten
beschreven staan. De enige zinnige omschrijving van het begrip wordt welbeschouwd
gevormd door het totaal aan grondrechten (universeel, ondeelbaar, onderling
afhankelijk en met elkaar verbonden volgens de mensenrechtendoctrine)
dat deel uitmaakt van onze rechtsorde. Elke jurist zal ook heel precies
kunnen aangegeven wanneer de waardigheid van een mens niet geëerbiedigd
wordt, dat is namelijk het geval wanneer een van zijn mensenrechten geschonden
wordt, wanneer hij belemmerd wordt in zijn vrijheid van meningsuiting,
wanneer zijn lichamelijke integriteit aangetast wordt, wanneer hij gediscrimineerd
wordt, et cetera. Maar ook wanneer hem goed onderwijs, sociale bijstand
of goede gezondheidszorg onthouden wordt. De schending van een sociaal
grondrecht als dat op gezondheidszorg is mensenrechtelijk niet minder
een vergrijp, een gebrek aan respect voor de menselijke waardigheid, dan
de aantasting van een vrijheidsrecht als – bijvoorbeeld – het recht op
privacy.

4. HET RECHT OP GEZONDHEIDSZORG

Nederland is partij bij een groot aantal mensenrechtenverdragen waarin

naast de klassieke vrijheidsrechten (het recht op privacy, op vrijheid
van meningsuiting, op lichamelijke integriteit et cetera) ook tal van
sociale grondrechten zijn opgenomen.

Nu kijken we in Nederland sinds jaar en dag op een wat merkwaardige

wijze naar deze laatste categorie van rechten. Zo krijgen Nederlandse
rechtenstudenten al vroeg ingepeperd dat vrijheidsrechten de overheid
verplichten tot ‘laissez faire’, waar sociale grondrechten
vragen om actief optreden. De laatste zouden slechts zachte verplichtingen
tot inspanning met zich meebrengen, terwijl de vrijheidsrechten resulteren
in harde verplichtingen tot onthouding. En inderdaad, de grondwettelijke
formulering van de verschillende rechten geeft ook wel aanleiding tot
een dergelijke opvatting.9

Toch is deze gangbare kijk op zijn minst ongenuanceerd te noemen. Grondrechten

van de eerste categorie kunnen zeer wel ook zogenaamde positieve verplichtingen
voor de overheid met zich mee brengen. Om de privacy van haar burgers
te kunnen garanderen, moet de Nederlandse overheid immers heel wat doen:
wetgeving uitvaardigen, nadere regelgeving ontwikkelen, een toezichthouder
installeren, toezien op naleving, handhaving… En op zijn beurt kan
een sociaal grondrecht als het recht op gezondheidszorg ook tot overheidsonthouding
verplichten. Internationaal heeft men de oude dichotomie tussen harde
individuele vrijheidsrechten (met de daarbij behorende verplichtingen
tot onthouding) enerzijds en zachte sociale grondrechten (met de daarbij
behorende verplichtingen tot inspanning) al lang geleden verlaten. In
het fameuze General Comment No. 14, de gezaghebbende interpretatie van
het in artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale
en culturele rechten (IVESCR) neergelegde ‘right to the highest
attainable standard of health’, onderkent het toezichthoudende comité,
de Economische en Sociale Raad, veel meer soorten van staatsverplichtingen,
aangebracht op een schaal van hard (‘obligations to respect’)
tot zacht (‘obligations to fulfil (promote)’). In het door
artikel 12 beschermde recht, dat zich het beste laat vertalen als het
recht op zorg voor gezondheid, ligt het recht op toegang tot gezondheidszorg
besloten.10 De eerste verplichting die dit zachte sociale grondrecht aan
staten oplegt, is een harde onthoudingsplicht. ‘States are under
the obligation to respect the right to health by, inter alia, refraining
from denying or limiting equal access for all persons, including prisoners
or detainees, minorities, asylum seekers and illegal immigrants, to preventive,
curative and palliative health services (…).’11

Daarnaast zijn sociale grondrechten in Nederland niet afdwingbaar.

In rechte kan een Nederlandse burger geen rechtstreeks beroep doen op
een grondwettelijk of verdragsrechtelijk beschermd sociaal grondrecht.
De Grondwet kent immers niet alleen een constitutioneel toetsingsverbod,
maar beperkt ook de rechtstreekse werking van verdragsbepalingen feitelijk
tot die waarin klassieke vrijheidsrechten zijn vervat.12 Dit heeft tot gevolg
dat de individuele burger zich in rechte wel rechtstreeks op een verdragsrechtelijk
beschermd vrijheidsrecht kan beroepen, maar niet op een verdragsrechtelijk
beschermd sociaal grondrecht. In Nederland krijgen sociale grondrechten
in die zin pas betekenis nadat zij in nationale wet- en regelgeving concreet
gestalte hebben gekregen.

De bijzondere staatsrechtelijke verhoudingen gevoegd bij een toch wel

unieke rechtscultuur maken dat in Nederland sociale grondrechten beschouwd
worden als enigszins tweederangs. Toch zijn ze dat niet. We zagen al dat
sociale grondrechten niet minder de individuele mens toebehoren dan klassieke
vrijheidsrechten. Ook waardigheid komt immers het individu toe. En voorts
ontneemt de gebrekkige afdwingbaarheid van sociale grondrechten geenszins
de rechtskracht aan de verplichtingen die eruit voortvloeien en opgelegd
worden aan een staat die partij is bij een verdrag als het IVESCR. Wat
rechtens is, valt nu eenmaal niet samen met wat zich in rechte laat afdwingen.
De jurist die het recht reduceert tot het afdwingbare is even onkundig
als de ethicus die moraliteit terugbrengt tot pakkans. Zo bezien is een
sociaal grondrecht als het recht op gezondheidszorg niet van minder gewicht
dan welk klassiek vrijheidsrecht dan ook.

5. NOGMAALS: AUTONOMIE EN WAARDIGHEID

Autonomie moet niet met waardigheid worden verward. Maar, zoals we

al zagen, aan het autonomiebegrip kunnen verschillende mensbeelden
ten grondslag liggen. Er is autonomie en er is autonomie. Autonomie
is zonder
twijfel een wezenlijk onderdeel is van het begrip van menselijke waardigheid.13
In het explanatory memorandum bij haar advies over de bescherming van
de mensenrechten en de waardigheid van terminaal zieken en stervenden
merkte rapporteur Gatterer van de Raad van Europa op dat dit (morele)
recht van autonomie ‘geworteld is in [hun] onschendbare en onvervreemdbare
waardigheid’.14 Anders dan Leenen dacht, wortelt waardigheid dus niet
in het principe van de vrije en autonome mens, maar is juist het omgekeerde
het geval: autonomie vindt haar grondslag in de waardigheid die ieder
mens toekomt. En als autonomie uit waardigheid voortkomt, dan vallen
beide begrippen niet samen. Waardigheid is het omvattende begrip, waarmee
waardigheid
niet alleen het autonome individu toekomt, maar juist ook de zwakkere
medemens: de pasgeborene, de lijdende mens, de stervende . . .

Gatterer omschreef autonomie ook als ‘het recht om beschermd te

worden tegen invloeden van buitenaf.’15 Dit begrip van autonomie is
juister dan dat van Leenen in die zin dat erin tot uitdrukking wordt
gebracht dat waardigheid in de context van de gezondheidszorg begrepen
moet worden
indachtig het gegeven dat mensen een recht hebben op zorg, nimmer een
plicht. De overheid dient (onder meer) te garanderen dat een ieder
toegang tot gezondheidszorg heeft, niemand kan echter tot het ondergaan
van gezondheidszorg
worden verplicht.16 Voor terminaal zieke en stervende mensen brengt dit
begrip van autonomie en waardigheid onder meer met zich mee dat zij
– op basis van juiste informatie – de vrijheid hebben therapie te weigeren
om van verder lijden verschoond te blijven. Verdergaande opvattingen
ten
aanzien levensbeëindiging, zoals de gedachte dat euthanasie of hulp
bij zelfdoding geclaimd zou moeten kunnen worden, ideeën die meer
in de lijn van Leenens begrip van autonomie en waardigheid liggen,
verdragen zich hiermee weer niet.176. DE SCHADUWZIJDE VAN AUTONOMIE

De vereenzelviging van autonomie met menselijke waardigheid kan ernstige

consequenties hebben. Dat juristen zich hieraan bezondigen is een ding,
dat ook beleidsmakers en zelfs hulpverleners dit doen een ander.
De arts bijvoorbeeld die denkt dat het beroepsgeheim in functie staat
van de autonomie van zijn patiënt, in welke betekenis dan ook, zal
geneigd zijn het geheim slechts te doorbreken met toestemming van de betrokkene.
Maar het medisch beroepsgeheim gaat op zijn minst terug tot de tijden
van Hippocrates en is daarmee veel ouder dan welk mensenrecht dan ook.
Iedereen moet zijn geheim bij de dokter veilig weten, opdat iedereen onbezwaard
de medische bijstand kan zoeken die hij of zij nodig heeft. Toegang tot
gezondheidszorg, dat is wat de geheimhoudingsplicht van de arts beoogt.

Uiteindelijk dient het medisch beroepsgeheim dus gezondheidsbelangen,

en in deze belangen zijn dan ook de rechtvaardigingen van de doorbreking
van dit geheim te vinden. De arts die een zwaarder wegend gezondheidsbelang
van een derde slechts kan dienen door zijn beroepsgeheim jegens een van
zijn patiënten te schenden, is medisch-ethisch gehouden te spreken.
De arts die op geen enkele andere wijze dan door te spreken, het gezondheidsbelang
van het mishandelde kind kan dienen, zal het beroepsgeheim jegens de gewelddadige
ouder kunnen doorbreken. De arts die meent dat het beroepsgeheim de privacy
van de patiënt dient, of door deze te allen tijde geclaimd kan worden,
zal krampachtig vasthouden aan zijn plicht tot geheimhouding, met alle
gevolgen van dien.

De Nederlandse overheid weet zich momenteel geconfronteerd met onacceptabel

hoge sterfte op de transplantatiewachtlijsten, op wachtlijsten die veel
langer zijn dan die in de ons omringende landen. Het beslissysteem van
de huidige Wet op de orgaandonatie is hieraan mede debet.18 Toch is te onzent
het alternatieve bezwaarsysteem nooit echt bespreekbaar geweest. Van de
22 EU-lidstaten met een wettelijke regeling voor orgaandonatie hebben
er 19 wel gekozen voor een systeem waarin iedereen in beginsel post mortem
orgaandonor is, tenzij men hiertegen bezwaar kenbaar heeft gemaakt.19 In
landen met een dergelijk systeem plegen meer donororganen beschikbaar
te komen en hebben orgaanbehoeftige patiënten bijgevolg betere toegang
tot transplantatiezorg. In die landen wordt meer tegemoetgekomen aan hun
recht op gezondheidszorg.

Zo niet in Nederland. Hier houdt men onverkort vast aan het toestemmingssysteem,

zozeer zelfs dat men beïnvloeding van het autonome subject door financiële ‘incentives’ minder
bezwaarlijk vindt dan de invoering van een bezwaarsysteem.20 Dit terwijl
ieder voorstel om burgers tot orgaandonatie te bewegen door ze (verkapte)
financiële voordelen in het vooruitzicht te stellen, anders dan het
alternatieve bezwaarsysteem, apert in strijd is met internationaal aanvaard
mensenrechtenrecht.21

Van autonomie verwacht de Nederlandse overheid ook alle heil waar het

de toekomst van het stelsel van gezondheidszorg betreft. Men heeft immers
gekozen voor (meer) vraagsturing en marktwerking. Sinds het van kracht
worden van de Zorgverzekeringswet op 1 januari 2006 zijn zorgverzekeraars
met elkaar in de slag om de gunst van verzekeringsplichtigen op de markt
voor basiszorgpolissen. Zorgaanbieders beconcurreren elkaar weer op de
zorginkoopmarkt. In hun hoedanigheid als financiers van zorg zullen de
verzekeraars zo scherp mogelijk willen inkopen ten behoeve van hun eigen
polishouders. In dit systeem heeft de burger die het best in staat is
keuzes te maken zeer betere toegang tot gezondheidszorg dan de burger
die dezelfde mate van behoefte aan zorg heeft, maar om een of andere reden
daartoe niet in staat is. Waar het mensenrecht op gezondheidszorg al spreekt
van discriminatie wanneer bij het verdelen van gezondheidszorg naar iets
anders gekeken wordt dan iemands objectief vaststelbare behoefte aan gezondheidszorg
(naar diens gezondheidstoestand dus),22 daar maakt het voor een Nederlandse
ingezetene echt wel wat uit over welke informatie hij beschikt, over welke
middelen hij beschikt, of hij deel uitmaakt van een collectiviteit of
niet. De ingezetene die geen inzicht heeft in de eigen (toekomstige) behoefte
aan zorg, in de kwaliteiten van zorgaanbieders en het zorginkoopgedrag
van de zorgverzekeraars, die niet over de middelen beschikt om een restitutiepolis
te nemen, die ingezetene zal zich – wanneer hij eenmaal aangewezen is
op zorg – gepasseerd weten door velen wier objectieve behoefte aan zorg
geringer is dan de zijne.23
Niet louter behoefte aan zorg, maar het vermogen om te kiezen maakt
in het nieuwe Nederlandse zorgstelsel het verschil. Een overheid die problemen
van de betaalbaarheid tracht te overwinnen door in te zetten op autonomie
neemt voor lief dat sociaal zwakkeren in de gezondheidszorg achtergesteld
worden. Zo’n overheid richt het stelsel van gezondheidszorg in op
de wensen van de sterkeren, van de mensen die kunnen, en niet op de noden
van de zwakkeren.24

De overheid die waardigheid met autonomie verwart, zal ook voor palliatieve

zorg niet veel oog hebben. De aandacht van zo’n overheid zal primair
uitgaan naar het bijzondere: intentionele levensbeëindiging op verzoek.
Terwijl vanuit de mensenrechtenidee gedacht, dat zorg voor palliatie alleen
maar vanzelfsprekend en volstrekt logisch zou zijn.25NOTEN
1.
Toespraak staatssecretaris Ross-van Dorp (VWS), gehouden op
1 november 2006 te Lunteren. Zie www.minvws.nl/toespraken/cz/2006.
2.
Aldus ook James Kennedy, in Een weloverwogen
dood. Euthanasie in Nederland, Uitgeverij
Bert Bakker, Amsterdam 2002, p. 137-166.
3.
H.J.J. Leenen, Handboek gezondheidsrecht.
Deel 1. Rechten van de mens in de gezondheidszorg, Alphen aan den Rijn 1994 (derde
druk), p. 3.
4.
Het verdragsrecht kent wel zoiets als het zelfbeschikkingsrecht, maar dat komt
volken toe, niet individuen. Volken hebben het recht in alle vrijheid hun politieke
status te bepalen en vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling
na te streven. Zie artikel 1 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake economische,
sociale en culturele rechten (IVESCR).
5.
Leenen, p. 31-32.
6.
B. Sluyters, Geknipt verband, Deventer 1985, p.
16-22 en M.A.J.M. Buijsen, ‘Autonomie
in het gezondheidsrecht’, in: Ars Aequi 2004/6, p. 425-429.
7.
M. Bussemaker, Betwiste zelfstandigheid. Individualisering,
sekse en verzorgingsstaat,
SUA, Amsterdam 1993, p. 28-29.
8.
Council of Europe, Protection of the human rights
and the dignity of the terminally ill and the dying . Report (Doc. 8421), nrs. 2-5.
9.
Vgl. “Ieder heeft (…) recht op eerbiediging van zijn persoonlijke
levenssfeer” (artikel 10, lid 1GW) en “De overheid treft maatregelen
ter bevordering van de volksgezondheid” (artikel 22 lid 1 GW). Wie de moeite
neemt om eens naar het eerste hoofdstuk van de Nederlandse Grondwet te kijken,
ziet onmiddellijk dat de klassieke vrijheidsrechten aanzienlijk meer ruimte toebedeeld
hebben gekregen. Ook gaan zij in de tekst aan de sociale grondrechten vooraf,
ofschoon dat historisch overigens wel verklaarbaar is.
10.
Zorg voor gezondheid, omdat naast het verzekeren
van toegang tot gezondheidszorg voor eenieder, artikel 12 IVESCR
staten partij bij
het verdrag ook verplicht
tot verbetering van alle aspecten betreffende de hygiëne van het gewone
milieu van de mens en van het arbeidsmilieu.
11.
Committee on Economic, Social and Cultural Rights,
General Comment No. 14: The right to the highest attainable
standard of health,
Genève 2000, randnr. 34 (mijn cursivering, MB). Verderop,
in randnr. 43 wordt als ‘core obligation’ genoemd de
verplichting te garanderen dat iedereen, vooral
gemarginaliseerde groepen,
gelijke toegang heeft tot voorzieningen van gezondheidszorg.
12.
Zie de artikelen 94 en 120 GW. Enkele uitzonderingen, zoals het stakingsrecht,
daargelaten.
13.
Het is dan ook onzinnig om te beweren dat de vrees voor verlies van autonomie,
voor de volledige afhankelijkheid van nabestaanden en instellingen, en voor
het zijn van een last geen enorme bedreiging vormt voor de waardigheid van
de terminaal zieke en stervende mens. Dit wordt ook binnen de Raad van Europa
volmondig erkend. Men raadplege artikel 7 onder vi van de Aanbeveling 1418
(1999) van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa (Protection
of the human rights and the dignity of the terminally ill and the dying, aangenomen
op 25 jni 1999). Als eerste bedreiging noemt men evenwel het onvoldoende toegang
hebben tot palliatieve zorg en goede pijnbestrijding. Zie datzelfde artikel
onder i.
14.
Zie supra noot 8 (mijn cursivering, MB).
15.
Zie supra noot 8.
16.
General Comment No. 14: The right to the highest
attainable standard of health,
randnr. 8.
17.
Zie ook Aanbeveling 1418 (1999), waarin de Parlementaire
Assemblee van de Raad van Europa in artikel 9 onder a staten eerst
oproept garant te staan voor adequate
palliatieve zorg, vervolgens in datzelfde artikel onder b beklemtoont
dat de autonomie van de stervende waar het gaat om het geïnformeerd afzien van
verdere therapie gerespecteerd dient te worden, om ten slotte het verbod op
intentionele
levensbeëindiging in artikel 9 onder c te handhaven. Zie supra noot 13.
18.
R. Friele et al., Tweede evaluatie Wet op de
orgaandonatie, ZonMw, Den Haag 2004,
p. 107.
19.
H. Nys, ‘European biolaw in the making: the example of the rules governing
the removal of organs from deceased persons in the EU member states’, in:
C. Gastmans, K. Dierickx, H. Nys and P. Schotsmans (eds.) New Pathways for
European
Bioethics, Intersentia, Antwerpen/Oxford 2007, p. 176.
20.
Raad voor de Volksgezondheid & Zorg, Financiële
stimulering van orgaandonatie. Een ethische verkenning. Signalering
ethiek en gezondheid 2007/3, Centrum voor
ethiek en gezondheidszorg, Den Haag 2007.
21.
Artikel 21 van het Biogeneeskundeverdrag kent een
algemeen verbod op beloning voor het afstaan van het menselijk
lichaam of delen daarvan. Artikel 21 van het
bijbehorende Additionele
protocol inzake
transplantatie van organen en weefsels van menselijke
oorsprong herhaalt dit verbod, terwijl op partijen
bij dit Protocol ingevolge
artikel 26 de verplichting rust te voorzien in
sancties op schending van het verbod op beloning.
Zie voorts M.A.J.M. Buijsen, ‘Orgaandonatie & menselijke
waardigheid ’,
in: Pro vita humana 2008/2, p.29-35.
22.
Zie supra noot 11, en zie tevens artikel 3 van het Biogeneeskundeverdrag.
23.
Niet-ingezetenen, illegalen dus, sluiten uiteraard de rij.
24.
Zie Martin Buijsen, ‘De betekenis van solidariteit in de
gezondheidszorg’, in Martin Buijsen, Wim van de Donk en Nicolette
van Gestel (red.) Marktwerking v. Solidariteit.
Op zoek naar nieuwe evenwichten in de publieke
dienstverlening,
Valkhof Pers, Nijmegen
2007, p. 65-98.
25.
Zie supra noot 16.

 

* * * * *

 

 

 

Vandaag is het

Meest recente wijziging
14 June, 2015 15:22