Categorie: Thema's aangaande Levensbegin (publicaties)

Fertility Care en NaProTECHNOLOGY – Dr S. van der Velden en Drs. M. van den Oever-Golstein

    PVH 15e jaargang – 2008 nr. 4, p. 118-120   FertilityCareTM en NaProTECHNOLOGY een nieuwe ontwikkeling binnen de medische wereld Dr S. van der Velden & Drs. M….

 

 

PVH 15e

jaargang – 2008 nr. 4, p. 118-120

 

FertilityCareTM en NaProTECHNOLOGY

een nieuwe ontwikkeling binnen de medische wereld

Dr S. van der Velden & Drs. M. van den Oever-Goltstein

Dr Suzanne van der Velden is gynaecologe uit Nijmegen,

Oberärztin aan het St. Marienhospital Gelsenkirchen-Buer, Duitsland
en
docente FertilityCare. Drs. Marilène van den Oever-Goltstein is
arts n.p.

Sinds het begin van mijn opleiding als gynaecoloog ben ik (SvdV) bezig

met de vraag hoe ik op een medisch en tegelijkertijd christelijk ethisch
hoogstaand niveau mijn patiënten zou kunnen behandelen. Telkens kwam
ik situaties tegen waarin ik “nee” moest zeggen tegen de vraag
van een patiënt om diagnostiek of behandeling, bijvoorbeeld in verband
met gezinsplanning of (on)vruchtbaarheidsbehandelingen. Enkele jaren geleden
kwam ik in aanraking met “NaProTECHNOLOGY” en het
geassocieerde ‘Fertility Care’ programma,1
een nieuwe ontwikkeling binnen de medische wetenschap waarmee vruchtbaarheidsgerelateerde
problemen en gynaecologische ziektes geconstateerd en behandeld kunnen
worden op basis van observatie van de natuurlijke cyclus van de vrouw.

NaProTECHNOLOGY: TOEPASSING EN RESULTATEN

NaProTECHNOLOGY (“Natural Procreative Technology”) is een

wetenschappelijke diagnostiek- en behandelingsstrategie van gynaecologische
en reproductieve pathologieën. Het wordt in het bijzonder toegepast
voor de behandeling van onvruchtbaarheid en (onverklaarde) habituele abortus.
Denkt u hierbij aan oorzaken als lange en onregelmatige cycli, recidiverende
eierstokcysten, hormoonstoringen, abnormale bloedingspatronen, endometriose,
polycysteus ovariumsyndroom (PCO), bekkenadhesies, geblokkeerde eileiders,
niet optreden van een eisprong, lage zaadkwaliteit, etc.2 De zwangerschapskans
voor vrouwen rond de 35 jaar, die tevoren minimaal 5 jaar niet zwanger
hebben kunnen worden (inclusief na het ondergaan van IVF/ICSI behandelingen),
ligt met NaProTECHNOLOGY gemiddeld tussen de 40-50%. De kans op zwangerschap
verschilt per individu en is afhankelijk van de onderliggende oorzaak.
De slagingskans ligt lager voor vrouwen boven de 35 jaar en in geval van
ernstige adhesies, endometriose of zeer lage zaadkwaliteit van de man.3

In een Iers onderzoek uit 2002 werden 1239 stellen met NaProTECHNOLOGY

behandeld vanwege infertiliteit. Een groot aantal van hen had ondanks
(herhaaldelijke) IVF-pogingen niet zwanger kunnen worden. 44,7% van hen
heeft middels NaPro een voldragen zwangerschap bereikt).4 80% van de stellen
die habituele abortus hadden doorgemaakt, konden door NaProTECHNOLOGY
een voldragen zwangerschap verkrijgen.5

De uitvoering van de medische diagnostiek en behandelingen binnen NaProTECHNOLOGY

worden volledig afgestemd op de vrouwelijke cyclus. Het doel van elke
behandeling is om een normale, vruchtbare cyclus en een zo optimaal mogelijke
vruchtbaarheid bij het stel te verkrijgen, zodat via natuurlijke conceptie
een zwangerschap tot stand kan komen. Een groot deel van de medicatie
die bij NaProTECHNOLOGY wordt voorgeschreven, wordt ook in andere gynaecologische
behandelingsprotocollen voor (on)vruchtbaarheidsbehandeling gebruikt.
Het gebruik van de medicatie is echter zodanig dat het niet een kunstmatige
cyclus opbouwt maar een pathologische cyclus beoogt te normaliseren. Chirurgische
behandeling van bijv. bekkenadhesies, endometriose, etc. zal worden aangeraden
indien dit bijdraagt tot verhoging van de vruchtbaarheid of de gynaecologische
gezondheid.

Juist het ondersteunen van de natuurlijke cyclus van de vrouw door de diagnostiek

en behandeling maakt deze methode bijzonder. Onvruchtbaarheid wordt niet als
een ziekte, maar als symptoom van een onderliggende aandoening benaderd. Het
vinden van de oorzaak van het onderliggende probleem voor de onvruchtbaarheid
is cruciaal bij NaProTECHNOLOGY. Als het onderliggend lijden niet bekend is,
kan er met NaProTECHNOLOGY geen behandeling gestart worden.
De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) rapporteert op
haar website dat van de stellen die ongewenst niet zwanger raken 20% ‘onbegrepen
subfertiel’ is6, terwijl met NaProTECHNOLOGY tussen de 0 en de 8% van
de stellen tot de groep ‘onbegrepen subfertiel’ gerekend wordt.7NaProTECHNOLOGY: DIAGNOSTIEK EN BEHANDELINGSTRAJECT

Een stel dat vanwege kinderwens een behandeling door NaProTECHNOLOGY wenst, wordt

door een hierin speciaal opgeleide arts behandeld. Tijdens het eerste consult
wordt een uitgebreide anamnese afgenomen. De aandacht gaat voor een groot deel
van het consult ook uit naar de verlangens, verwachtingen en voorstellingen van
het stel.
Vervolgens doorloopt het een FertilityCare-cursus, waarin de vrouw onder andere
leert om volgens een gestandaardiseerde methode dagelijks haar cyclus te observeren
en in kaart te brengen (zie hieronder).
In volgende afspraken met de arts wordt aan de hand van de analyses van de cyclusobservaties
afhankelijk van de situatie een basisdiagnostiek (inwendige echo, algemene bloedanalyses,
gerichte hormoonbepalingen, zaadanalyse, etc.) gedaan.

Het moment van hormoonbepalingen wordt altijd op de individuele cyclus van de

vrouw afgestemd. Een voorbeeld: zonder toegevoegd medisch onderzoek weet de vrouw
door middel van haar dagelijkse waarnemingen wanneer de eisprong heeft plaatsgevonden,
zodat enkele dagen later een hormoonprofiel van de postovulatoire fase bepaald
kan worden.
Elke volgende afspraak houdt een grondige analyse van de onderzoeksresultaten
en van de cyclus in. Afhankelijk van de uitslagen zal een passende behandeling
aan het stel voorgesteld worden. Hierbij wordt ook over de inschatting van de
persoonlijke zwangerschapskansen open met hen gesproken.
Indien het (meervoudig) onderliggende vruchtbaarheidsprobleem te corrigeren is
(medicamenteus, chirurgisch) en de cyclus (weer) normaal verloopt, dan is er
sprake van een “effectieve behandelingscyclus”, waarin de vruchtbaarheid
verbeterd is en het risico op een miskraam gedaald.
Het behandelingsprogramma duurt dan ongeveer 12-18 “effectieve behandelingscycli” – of
minder als er een conceptie plaatsvindt. Het stel komt 3 tot 4 keer in een jaar
naar het spreekuur en elk consult duurt ongeveer 45 minuten.8FERTILITYCARE

Het stel leert in de FertilityCare-cursus niet alleen de vruchtbare en onvruchtbare

dagen van de vrouw te bepalen en in kaart te brengen, maar zij leert ook om hun
gemeenschappelijke vruchtbaarheid op een positieve en verantwoorde wijze te aanvaarden
en er zorg voor te dragen. De methode kan op elk moment in de reproductieve fase
worden toegepast; zowel als methode voor gezinsplanning als ook ter beoordeling
van de gynaecologische gezondheid van de vrouw.
Indien FertilityCare gebruikt wordt om zwangerschap te voorkómen, is het
even betrouwbaar als de pil.
Cursussen worden individueel aan de vrouw of het stel door speciaal opgeleide
docenten gegeven.
Er is in Nederland een aantal gezinsplanningsmethoden met goede betrouwbaarheid
als het gaat om het voorkómen van een zwangerschap. FertilityCare is echter
het enige cursusprogramma waarbij de cyclusgegevens gebruikt kunnen worden om,
indien gewenst, met NaProTECHNOLOGY diagnostiek en behandeling in te zetten.

AFSLUITING / BESCHOUWING EN PERSPECTIEF

Indien een stel ongewenst niet zwanger raakt, habituele abortus heeft meegemaakt

of er sprake is van diverse gynaecologische ziektes biedt NaProTECHNOLOGY medisch
en christelijk ethisch hoogstaande mogelijkheden van diagnostiek en behandeling.

Het cursusprogramma FertilityCare biedt zowel als gezinsplanningmethode als ook

als middel om gynaecologische aandoeningen te ontdekken, veelzijdige gebruiksmogelijkheden.
In de afgelopen jaren is er internationaal een groeiend aantal artsen opgeleid
om NaProTECHNOLOGY aan te kunnen bieden. In Nederland is Dr. Susanne van der
Velden (vooralsnog) de enige hierin opgeleide arts. Op dit moment worden cursussen
in FertilityCare door haar aangeboden met de bedoeling om ook NaProTECHNOLOGY
in de Nederlandse gezondheidszorg te implementeren.

Met dit artikel willen wij bekendheid geven aan deze nieuwe en hoopgevende medische

ontwikkeling. Wij houden ons aanbevolen voor collegae die een bijdrage willen
leveren aan het verder ontwikkelen van NaProTECHNOLOGY in Nederland.

Contact en verdere informatie:

Dr. Susanne van der Velden
www.fertilitycare.nl

NOTEN

1.

1 www.fertilitycare.net / www.aafcp.org
2.
Hilgers, T.M., M.D, “The Medical and Surgical Practice
of NaProTECHNOLOGY”, Pope Paul Institute Press, Omaha,
Nebraska 2004, p. 381 e.v
3.
Boyle, P. “NaProTECHNOLOGY and Infertility” uit:
Hilgers, T.M., M.D, “The Medical and Surgical Practice
of NaProTECHNOLOGY”, Pope Paul Institute Press, Omaha,
Nebraska 2004, p. 655 e.v
4.
idem
5.
Hilgers, T.M., M.D, “The Medical and Surgical Practice of
NaProTECHNOLOGY”, Pope Paul Institute Press, Omaha, Nebraska
2004, p. 775 e.v.
6.
www.nvog.nl
7.
Hilgers, T.M., M.D, “The Medical and Surgical Practice of
NaProTECHNOLOGY”, Pope Paul Institute Press, Omaha, Nebraska
2004, p. 677 e.v.
8.
Boyle, P. “NaProTECHNOLOGY and Infertility” uit: Hilgers,
T.M., M.D, “The Medical and Surgical Practice of NaProTECHNOLOGY”,
Pope Paul Institute Press, Omaha, Nebraska 2004, p.
655 e.v.

 

* * * * *

 

 

 

Vandaag is het

Meest recente wijziging
14 June, 2015 15:25

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Fertility Care en NaProTECHNOLOGY – Dr S. van der Velden en Drs. M. van den Oever-Golstein

Ontwikkelingsbiologie en de status van het menselijk embryo – Dr. W.G.M. Witkam

    PVH 15e jaargang – 2008 nr. 4, p. 110-117   Ontwikkelingsbiologie en de status van het menselijk embryo Dr W.G.M. Witkam De auteur is thans rustend arts. Zijn…

 

 

PVH 15e

jaargang – 2008 nr. 4, p. 110-117

 

Ontwikkelingsbiologie en de status van het

menselijk embryo

Dr W.G.M. Witkam

De auteur is thans rustend arts. Zijn voormalige laatste

functie was: universitair docent aan de Universiteit Maastricht. Onderstaand
artikel is de tekst van een inleiding in 1993 gehouden op een cursus
van de Stichting Medische Ethiek

Bij ons denken en spreken over de beschermwaardigheid van het menselijk

embryo spelen filosofie, ideologie levensbeschouwing, al of niet religieus,
al of niet christelijk, een beslissende rol. Een levensbeschouwelijke
benadering evenwel geldt met al haar subjectiviteit en geëngageerdheid
niet meer als objectief, niet meer als wetenschappelijk. Levensbeschouwing
wordt in onze pluriforme samenleving veelal beschouwd als een privé-aangelegenheid
die we vooral binnenskamers moeten houden. Kan de ontwikkelingsbiologie
(de natuurwetenschap in het algemeen) eigenlijk wel een rol spelen bij
het ideologisch debat over de status van het menselijk embryo? Of dienen
de natuurwetenschappelijk opgeleide deelnemers aan het debat hun academische
inzichten dan buiten beschouwing te laten? In ieder geval komen zij wel
te staan voor de grenzen van hun biologische vakkennis. De biologie kan
over het wezen van de mens geen uitspraak doen: zij kent de mens slechts
als vertegenwoordiger van de soort Homo Sapiens. De kwestie van de status
van het menselijk embryo komt voort uit een meta-biologische vraagstelling.
Het mysterie mens kan door de exacte wetenschap slechts worden gesignaleerd,
maar niet opgelost, getuige bijv. de neurofysioloog en winnaar van de
Nobelprijs voor Geneeskunde, John Eccles in The Human Mystery (Gifford
Lectures, Edingburgh 1977-1978).

Waarom dan niet de biologie er helemaal buiten gelaten? Sommige auteurs

doen dat dan ook en antwoorden op de vraag: “Is het embryo een mens?”: “Wij
weten het niet en kunnen het niet weten. Het is een transcendent geheim” (Troost,
1985). Een terugtocht op het onaantastbare terrein van het bovennatuurlijke!
Maar deze ontsnappingsmanoeuvre impliceert niet alleen een levensbeschouwelijk
uitgangspunt, maar ook een kentheoretisch standpunt: de miskenning namelijk
van de betekenis van de natuurwetenschap als benadering van de waarheid.

Wij zullen toch, en daarin stel ik mij tegenover prof. Troost, recht

moeten doen aan de moderne wetenschap als vorm van menselijke kennis.
De biologie kan hier niet gemist worden.

Ten eerste omdat wij nu eenmaal

op de wetenschappelijke gegevens aangewezen zijn, alle filosofie en
theologie ten spijt. De vroegste menselijke ontwikkeling onttrekt zich
immers aan
de alledaagse ervaring. Dit in tegenstelling tot de bezinning op andere
menselijke situaties (bijv. handicap, ziekte). Vóór 1930
had nog niemand de levende menselijke zygote aanschouwd! De feiten
die
wij nu kennen omtrent de vroegste ontwikkeling, zijn de gegevens, verkregen
door biomedisch onderzoek. Natuurwetenschap bedrijven bestaat uit het
verkrijgen, ordenen en interpreteren van onderzoeksresultaten. Het
was juist de wetenschappelijke belangstelling van biomedici als John
Rock en Miriam Menkin voor de feitelijke gang van zaken op het gebied
van
de
conceptie en de embryonale ontwikkeling van de mens, die de drijfveer
was achter de eerste experimentele IVF bij de mens anno 1944. Vóórwetenschappelijke
inzichten aangaande de allereerste ontwikkeling van de ongeboren mens
ontbreken: de kennis hierover kan primair slechts wetenschappelijke
kennis zijn. De professionele ethici moeten hun licht opsteken bij de
ontwikkelingsbiologie
en embryologie. Wel zijn deze consultaties jammer genoeg meestal veel
te oppervlakkig en leiden dan tot een beperkte keuze uit de biologische
gegevens en tot eenzijdige interpretaties, zo blijkt uit de literatuur.

Ten tweede:

omdat het juiste antwoord aangaande de status van het menselijke embryo
niet in strijd mag zijn met de inzichten, verkregen op het niveau
van de biologie. Pas als het antwoord aan dit criterium voldoet, zal
het voor mensen zoals U en ik geloofwaardig zijn, en zullen de eruit voortvloeiende
ethische conclusies voor ons overtuigingskracht bezitten. Met andere
woorden:
de biologische gegevens dienen de randvoorwaarden te vormen, het kader
waarbinnen de bezinning moet plaatsvinden. Zoals bijvoorbeeld Helmuth
Scheck zich op deze gegevens beriep, sprekende op het NAV-Congres te
Noordwijkerhout over “Eerbiediging Menselijk Leven” in 1974: “Nach
dem heutigen Stand der Wissenschaft ist vollwertiges Menschsein des Keims
zwar nicht bewiesen, das Gegenteil aber auch nicht.”

De Spaanse filosoof José Mora schreef hierover als volgt: “Ik

geloof, dat er in de wijsbegeerte belangrijke dingen gezegd kunnen worden
over het menselijke bestaan, die niet gezegd zijn en niet gezegd zullen
worden door de wetenschappelijke disciplines, die zich met de mens inlaten;
maar ik geloof niet dat men deze dingen kan zeggen onafhankelijk van de
uitspraken van deze takken van wetenschap en nog minder in openlijke tegenspraak
er mee..” (J.F. Mora, 1962)
Aan de natuurwetenschappelijke gegevens moet recht worden gedaan door
ze te accepteren als kader voor de wijsgerige en ethische bezinning. Voor
anti-sciëntisme (principiële afwijzing van de natuurwetenschap)
is hier geen plaats. Op voorwaarde tenminste dat de echte wetenschap aan
het woord komt en niet de pseudo-wetenschap, door Dostojewski in De
Demonen (1872) betiteld als “Halbwissenschaft”: “Die Halbwissenschaft:
die ist ein Despot, wie es bisher noch nie einen schlimmeren gegeben hat,
ein Despot, der seine eigene Priester und Sklaven hat…”
Er bestaat al jaren lang een zorgwekkende tendens in de populaire literatuur
om een pseudo-wetenschappelijk mensbeeld als een soort ideologie aan de
man te brengen, zoals in De naakte Aap van Desmond Morris uit 1968. Het
is aan de echte wetenschap om de pseudo-wetenschap te bestrijden.

Een derde reden, waarom we de biologie niet kunnen missen is dat nieuw

feitenmateriaal gedurende de laatste jaren aan het licht is gekomen, waardoor
een andere wending gegeven kan worden aan het debat over de status van
het embryo. De reageerbuis (de “glazen baarmoeder”) waarin de
menselijke conceptus zich bij de IVF laat observeren, heeft ons inzicht
in bepaald opzicht nog verduidelijkt. De moderne wetenschap kan nieuwe
antwoorden geven op oude vragen!
Het belangrijkste van deze antwoorden is: dat de conceptus mens is
vanaf het begin van de ontwikkeling en niet pas mens wordt in de loop
van de ontwikkeling. Het gaat niet om de ontwikkeling tot mens, maar om
de ontwikkeling van de mens. Het conceptionisme heeft momenteel de beste
wetenschappelijke papieren; het wordt juist door de mogelijkheid van IVF
bij de mens bevestigd met als proef op de som daarop volgende zwangerschap
en geboorte van een reageerbuis-baby.1
De gegevens van de moderne ontwikkelingsbiologie zijn wel degelijk
relevant voor de beantwoording van de vraag naar de status van het menselijk
embryo. Daarenboven staat welbeschouwd alle wetenschappelijk onderzoek
in dienst van de wijsgerige vraag van de mens naar zichzelf (Van Melsen).
De grootse taak van de natuurwetenschap is gelegen in de hulp welke zij,
in samenspel met de menswetenschappen, ons kan bieden om tot waarlijk
zelfbegrip te komen. En dat kan zij zonder haar grenzen verre te buiten
te gaan. De Franse fysicus Emile Girardeau schreef: “De wetenschap
voert ons tot de rand van de ultra-realiteit. Ze verlaat ons vlak voor
een drempel, terwijl ze ons uitnodigt die te overschrijden. Dat is de
drempel van de metafysica” (Girardeau, 1960).

Laten we nu eens nagaan wat de ontwikkelingsbiologie ons kan leren

omtrent:

a) de conceptie van de mens

b) de pre-embryonale ontwikkelingsfase
c) de individualiteit van de conceptus
d) de mogelijkheid van psychische functies bij de conceptus

ad a) Wat leert de ontwikkelingsbiologie ons omtrent de conceptie?

De conceptie is een singulier gebeuren en vormt een reële discontinuïteit

in het totale gebeuren van “doorgeven van het leven”. De opvatting
dat “het leven” als eens stroom ononderbroken doorgaat miskent
deze biologische discontinuïteit. De conceptie vormt een onomkeerbaar
gebeuren met in celfysiologisch opzicht het karakter van revitalisatie
van het oöplasma, het cytoplasma van de eicel, die anders zou vervallen
tot atresie, een vorm van celdood, met in genetisch opzicht het ontstaan
van een individu van een nieuwe generatie. Daarenboven een uiterst onwaarschijnlijke
gebeurtenis, in de zin van de statistische kans op fusie van juist deze
gameten, en daarom, met dezelfde hoofdrolspelers, als zodanig onherhaalbaar.
Strikt genomen is conceptie de laatste en beslissende gebeurtenis van
een reeks van opeenvolgende verschijnselen, die tezamen het totale proces
der bevruchting vormen.

De zygote, het uiteindelijk resultaat van dit totale proces, verschilt

niet enkel kwantitatief, maar kwalitatief van de gameten, waaruit ze
is ontstaan. Het eencellig stadium (Horizon I van Streeter) bestaat nauwelijks:
na de karyogamie volgt aanstonds de eerste klievingsdeling waardoor
de
zygote binnen de kortste keren meercellig wordt. Al te vaak beschouwt
men de zygote als primitief en meent dat men pas van een organisme
kan spreken wanneer er organen zijn. Het besef van de ongelofelijke onzichtbare
gecompliceerdheid op cellulair niveau ontbreekt dan: het minimum aan
zichtbare
structuur, het ontbreken van meetbare eigenschappen speelt velen parten
bij de beschouwing van “this little speck”, zoals Robert Edwards
het noemt. De eicel is reeds een microbiologische reus en de zygote
is — voorlopig
in volume gelijk aan de eicel —een mini-organisme (de term “micro”-organisms
lijkt minder gepast). In de zin van de systeemtheorie kan men spreken
van: “Der Systemcharakter der Zelle” (Blechschmidt, 1978). Een
wonder van miniaturisatie met een informatie-inhoud van minstens 5
x 1.000.000.000 bits, terwijl in logistieke zin de mens ontstaat uit een
minieme hoeveelheid “material”:
het gewicht van de zygote bedraagt slechts 5µg (Stern, 1973). In
deze tijd van microtechniek en “mega-chips” zou men meer besef
van dit wonder verwachten.2

ad b) Wat leert de ontwikkelingsbiologie ons omtrent de pre-embryonale

ontwikkelingsfase (= pre-implantatiefase)?

De klievingsdelingen, die direct na de conceptie optreden, vormen een

soort kettingreactie, gekenmerkt door hoge metabolische ‘turn-over’, door
verspreiding, dispersie, van de beschikbare genetische informatie, leidend
tot de vorming van een centrum met daaromheen een periferie, met het ontstaan
van biochemische gradiënten en stofwisselingsvelden. De zygote reageert
daarbij als een geheel, dat meer is dan de som der delen. Intercellulaire
reacties en cytokinetische verschijnselen zijn aantoonbaar. Reeds tijdens
dit klievingsstadium begint de actualisering van de ontwikkelingspotenties
in de vorm van het op gang komen van biosynthetische functies. Dat aanstonds
reeds het vermogen tot symbiose wordt aangesproken, volgt uit recent ontdekte
verschijnselen, collectief betiteld als “maternal recognition” (H.
Beier). Vanaf de conceptie bestaat er namelijk uitwisseling van biologisch
actieve stoffen tussen de conceptus en het moederlijk organisme. Het anatomisch
substraat hiervoor is te vinden in de bijzondere inwendige bouw van de
eileider, met haar labyrint van slijmvliesplooien. Daardoor blijft de
zygote voortdurend in aanraking met moederlijk weefsel, waardoor uitwisseling
van stofwisselingsprodukten over korte afstand mogelijk is. Deze wisselwerking
is bij zoogdieren bewezen door experimenten met radio-actieve isotopen.
Maar het is vooral de ontdekking geweest bij de mens van de Early Pregnancy
Factor (EPF) door Morton e.a. in 1977, die heeft geleid tot de ontdekking
van een biologische regelkring tussen de levende vrucht en het moederlijk
organisme.3 Nu we weten, dat dit organisme binnen 48 uur na conceptie aantoonbaar
reageert op de aanwezigheid van een levende conceptus in de tuba en later
in de uterus, blijkt de symbiose tussen de twee organismen al vóór
de implantatie te functioneren.

Het gaat niet alleen om het toekennen van een potenties, zoals aan

de gameten, maar om het herkennen, al vóór de implantatie,
van de eerste actualisaties van deze potenties: “développement
c’est possibilité limitée” (Fauré Fremiet, 1925).
(Dat zijn de kostbare aanwijzingen van de moderne embryologie waarover “Donum
Vitae” spreekt). Actualisering van het regulatie-vermogen vindt plaats
als
reactie op schadelijke factoren uit de omgeving, die leiden tot het
verlies van een of meer klievingscellen. In de pre-implantatie-fase
heerst namelijk een alles-of-niets-wet: ofwel de vrucht weet een dergelijk
verlies
te compenseren en zet de verdere ontwikkeling normaal voort, of ze
sterft af: we spreken van intra-uteriene vruchtdood of “embryonic
wastage” (40% à 60%?).4

Wanneer de conceptus overleeft, gaat de eenmaal begonnen ontwikkeling

continu voort, waarbij iedere stag van deze ontwikkeling in nauwkeurige
correlatie blijft met alle andere. Op grond van deze continuïteit
is een indeling in diverse “perioden” of “stadia” van
de embryonale ontwikkeling insignificant en een isolatie van de pre-implantatiefase,
hetzij “de iure”, hetzij “de facto” zoals bij de IVF,
niet verantwoord.

De discussie over de status van het embryo, die begonnen is ten tijde

van het abortus-provocatus-debat, werd later aangescherpt door de ontwikkelingsperiode,
waarmee men bij de IVF te maken had: deze pre-implantatie-fase, waarvan
voor velen niet direct duidelijk was of die al of niet essentieel verschilt
van andere fasen van de menselijke ontwikkeling. Deze pre-implantatie-fase
wordt in de embryologie ook wel “pre-embryonale fase” genoemd
(Brandt, 1949), vanwege het ontbreken van een soort-specifieke uitwendige
lichaamsvorm tijdens dit stadium. De vrucht wordt in deze context aangeduid
als “pre-embryo”. Dat wil echter niet zeggen, dat de conceptus ‘amorf’ (vormloos)
zou zijn, zoals in het voetspoor van Aristoteles eeuwenlang is aangenomen.
Na de eerste dagen vertoont de conceptus al spoedig de gedaante van de
z.g. blastula, met een sferische vorm, die uitermate functioneel is tijdens
het transport door de tuba naar de uterus (Carlson, 1981). In de late
blastula-fase bij zoogdieren wordt de lichaamsas als onzichtbaar patroon
al gedetermineerd. “Zichtbaarheid” is een minder belangrijk
criterium in de studie van de embryonale ontwikkeling. De vorm is het
resultant van een proces (Sinnot, 1966). Voor de embryoloog zijn gebeurtenissen
van grotere relevantie dan structuren. Paul Weiss heeft daarover een treffende
opmerking gemaakt: “In wezen houden we ons nog steeds meer bezig
met het opsporen van ‘productie’ dan van de productieprocessen, die er
aan ten grondslag liggen. Wanneer we het ‘product’ eenmaal hebben ontdekt,
is het grootste deel van het productieproces al achter de rug en hebben
we zeker het essentiële begin ervan gemist. Het lijkt er op, dat
de beschikbare analyse-methoden geen vrucht afwerpen.” In de embryonale
ontwikkeling spelen namelijk “onzichtbare” processen een belangrijke
rol: patroonvorming, positie-verwerving, optreden van “prospektieve
Bedeutung”. De embryoloog kan het bestaan ervan aantonen door de
zogenaamde “proef op de ontwikkeling”. Reeds vóór
de ooglens verschijnt, zijn de lenseiwitten aantoonbaar; reeds voor de
huidlijsten op de vingertoppen zichtbaar zijn, is de aanleg al aanwezig
in het apicale ectoderm van de handplaat. De embryoloog kent de embryonale
primordia (“Anlagen”), bijv. de neurale buis, de oogbeker, als
voorlopige actualisaties van morfogenetische potenties; ook latere functies
worden tijdens de embryonale ontwikkeling voorafgegaan door “provisorische” realisaties,
bijv. de longademhaling door de gaswisseling in de placenta. Deze ontwikkeling
speelt zich of in golven van actualisaties, maar geldt dit ook niet voor
de totale ontwikkeling van een mens?

Ik bespreek dit om U te laten zien dat het embryo niet “primitief’

is, evenmin “incompleet”: het is op elk moment een organisch
geheel, zich aanpassend aan de natuurlijke situatie waarin het verkeert.
Reeds het z.g. pre-embryo moet een echt organisme genoemd worden, op grond
van de biologische kenmerken die daarvoor gelden, en niet slechts een
aggregaat van cellen:
– “hoge graad van ordening met een streven tot handhaving van
de norm daarvan;
– stofwisseling met vrijmaking van energie;
– groei, en vermenigvuldiging” (Bok, 1963)
W. Beck (1963) noemt het organisme: “een organisatie van stollen
en funkties”. M. Jeuken (1983) spreekt over het organisme als “een
open en zelforganiserend systeem”.

En het gaat ongetwijfeld vanaf de conceptie om een menselijk organisme.

Het toekennen van het predikaat: “menselijk” aan de conceptus
reeds in de pre-implantatieperiode is mogelijk door het bezit van een
voor de soort “Homo Sapiens” karakteristiek genoom, binnen een bepaalde variatie-breedte,
bepaald door cytogenetische fouten tijdens de reductiedeling van de
gameten en zeldzame anomalieën tijdens de conceptie. Dit is voldoende
grond om te spreken van menselijke cellen, menselijke ontwikkeling enz.
Dat
daarbij overeenkomst met andere species valt te constateren behoeft
geen betoog: de conclusie tot gelijkheid, door de biogenetische grondwet
getrokken,
is echter niet verantwoord. “Das biogenetische Grundgesetz”,
in 1868 geformuleerd door Ernst Haeckel (1834-1919), “plus darwiniste
que Darwin”, kan worden samengevat in de stelling: “ontogenese
is een recapitulatie van de fylogenese”. De onmiskenbare overeenkomst
in vroege embryonale ontwikkeling bij zoveel verschillende classes
van gewervelden wordt tegenwoordig hoogstens nog beschouwd als een recapitulatie
van ontogenesen, van embryonale stadia. Het is op grond van het bezit
van een menselijk genoom, dat de zygote een menselijk organisme-in-ontwikkeling
is. Dit genoom treedt in de klievingsfase op als randvoorwaarde voor
de
ontwikkeling en als reactieve factor, inspelend op epigenetische invloeden.
Na implantatie volgt dan de genetisch gereguleerde derepressie van
steeds meer genen, die dan als codeterminanten van differentiatie en morfogenese
operationeel worden.
ad c) Wat leert de ontwikkelingsbiologie ons omtrent de individualiteit
van de conceptus?
Bij de vraag of er vanaf de conceptie van een menselijk individu sprake
is, zijn de meningen verdeeld. Een argument ter ondersteuning van deze
stelling wordt door sommigen gevonden juist in het zo juist besproken
genoom, dat immers niet alleen de soort-specifieke eigenschappen bepaalt,
maar ook wordt beschouwd als de stoffelijke basis voor de eenmaligheid,
de uniciteit, van dit exemplaar van de soort, waarvan het fenotype spoedig
de individuele trekken te zien zal geven. De genetische uniciteit van
de zygote wordt door sommige ethici gehouden als enige basis voor individualiteit.
Zeldzaamheid wordt dan tot grond van de beschermwaardigheid. Twee bezwaren
kunnen hiertegen worden aangevoerd. Op de eerste plaats is het bezit van
een menselijk genoom wel een onmisbare, maar niet een voldoende voorwaarde
om van een menselijk individu te kunnen spreken. Er moet op gewezen worden,
dat ook tumoren een, al of niet gemuteerd, menselijk genoom bezitten;
hetzelfde geldt voor levende menselijke weefsels en organen in weefselkweek.
Op de tweede plaats leidt het aannemen van uitsluitend de zeldzaamheidswaarde
van een bepaald genoom als criterium voor beschermwaardigheid tot aanvechtbare
consequenties: de reuzepanda zou dan een grotere ethische waarde bezitten
dan een mens; een lid van een eeneiïge meerling zou minder beschermwaardig
zijn dan een eenling. Het bezit van een bepaald genoom mag niet zonder
meer gelijk gesteld worden aan het bezit van individualiteit. Het genoom
als blauwdruk is niet gelijk aan de architect; informatie is niet gelijk
aan sturing. Wel is het genoom onmisbaar voor de continuïteit van
de ontwikkeling, maar de drager van die continuïteit moet worden
gezocht in het zelfhandhavende karakter, ook tegenover andere organismen,
van de totale biologische entiteit. “Ein raumlich, zeitlich and dynamisch
von anderen unterschiedenes Einzelwesen, das als solches einen bestimmten
Lebenscyclus durchlauft” zegt Ludwig von Bertalanffy (1949).

Individu zijn betekent vooral het zijn van een discrete entiteit tegenover

andere gelijksoortige entiteiten: het afgescheiden zijn van andere enkelingen: “divisum
ab aliis”.5 Met name geldt dit voor biologische organismen, met hun
vermogen tot zelfhandhaving door middel met homeostatische functies: “If
anything is to count as an individual, surely a living organism must” (David
Hull, 1974, p.120). Immunologische verschijnselen, reeds bij implantatie
aantoonbaar, zijn daarvoor relevant en voor sommigen voldoende reden te
besluiten tot biochemische individualiteit van de zygote.
Individu-zijn betekent verder: het zijn van representant van de soort,
individu als de kleinste taxonomische eenheid. Zowel in de wetenschappelijke
als in de alledaagse ervaring wordt met de aanduiding “individu” voor
een levend wezen primair bedoeld: een concreet exemplaar, als representant
van zijn soort vanaf het begin tot het
einde van zijn bestaan.6 Vanaf het begin: vandaar ook de wettelijke
bescherming van bevruchte eieren behorend tot zeldzame diersoorten.

Het zijn van een bepaald individu is daarenboven de basis voor de blijvende

identiteit en eigenheid van de mens gedurende zijn hele leven. Het besef,
dat vele weefsels en alle atomen en molecules van het menselijk lichaam,
ook die van post-mitotische cellen, na verloop van tijd vervangen worden,
bij behoud van de individuele identiteit van de mens, noodzaakt tot het
aannemen van het individuatie-principe als basis voor deze constantie,
een principe dat ook relevant is voor de problematiek van de transplantatie.
Plato laat Socrates aan het door hem beschreven gastmaal zeggen: “..
zoals een mens dezelfde wordt genoemd vanaf zijn kindertijd totdat hij
een oude man is geworden. Ofschoon hij nooit dezelfde bestanddelen in
zich draagt, wordt hij toch dezelfde genoemd. Steeds verjongt hij zich
en verliest hij het oude: haren en vlees en beenderen en bloed en al het
lichamelijke.” Juist de mogelijkheid van ontwikkeling in-vitro van
de menselijke conceptus heeft de redelijkheid van de aanname aangetoond
van het individuatie-principe als basis voor de constante identiteit van
de conceptus. Naar het schijnt heeft R. Edwards, toen hij in juli 1978
de pasgeboren Louise Brown in de armen hield, zich spontaan laten ontvallen, “dat
hij haar het laatst had gezien in het 8-cellig stadium”! Daarmee
gaf hij blijk van zijn intuïtief inzicht in de betekenis van het
individuatie-principe.

Vele auteurs menen voor een onoverkomelijke logische moeilijkheid te

staan in verband met de biologische verschijnselen van het voorkomen van
een eeneiige meerlingvorming. De aanname dat individuatie altijd samenvalt
met de conceptie zou tot de ongerijmdheid leiden van het moeten concluderen
tot een latere splitsing van een individu, hetgeen in strijd is met het
begrip individu als: “indivisum in se”.

Over de condities die het natuurlijke optreden van identieke meerlingen

bij zoogdieren en mens kunnen verklaren is niet zoveel bekend.7 In ieder
geval spelen hierbij het totipotente karakter van de klievingscellen en
het regulatievermogen van de zygote een rol. Er is reden om de vorming
van eeneiige meerlingen te beschouwen als een alternatieve voortplantingsmodus
in de natuur, gezien het “fysiologisch” optreden ervan bij enkele
diersoorten.8 9 De genoemde logische moeilijkheden zouden dan als volgt
tot een oplossing gebracht kunnen worden, waarbij de propositie-algebra
de abstractie kan ondersteunen. De “ongerijmdheid” volgend uit
de constatering van het uiteenvallen in twee individuen, wordt feitelijk
bereikt als conclusie, voortkomend uit twee voorafgaande proposities:

Het begin van de ontwikkeling valt samen met de conceptie” (p)

Gedurende de gehele ontwikkeling bestaat er een individu” (q)

De genoemde “ongerijmdheid” bestaat hieruit dat bij eeneiige

meerlingen de proposities p en q niet beide tegelijk waar kunnen zijn,
uitgedrukt als: {p. q} Nu is er een drietal aannamen mogelijk:
De beide proposities p en q zijn beide tegelijk onwaar,
uitgedrukt als
{p’- q’} (1)
Men kan echter ook aannemen (erkennende dat p en q weliswaar niet allebei
tegelijk waar kunnen zijn):
p is waar en q is onwaar; ofwel p is onwaar en q is waar, uitgedrukt
als volgt:
{p.q’ + p’.q} (2)
Omdat dezelfde (“ongerijmd” genoemde) conclusie kan worden bereikt
door elk van beide aannamen (1) en (2), onafhankelijk van elkaar, is sprake
van een disjunctieve combinatie van (1) en (2):
{p’.q’ + p.q’ + p’.q} (3)

In de literatuur blijkt men veelal te kiezen voor geldigheid van een

van de eerste twee termen van (3), namelijk hetzij van {p’.q’}, hetzij
van {p.q’}. Men kan echter evengoed kiezen voor de geldigheid van {p’.q},
dat wil zeggen voor de onjuistheid van propositie p en tegelijk de juistheid
van propositie q.
Deze laatstgenoemde keuze dan op grond van juistgenoemde biologische
gegevens over meerlingvorming als voortplantingsmodus. Bij de bespreking
van de conceptie werd tot nu toe buiten beschouwing gelaten, dat de embryonale
ontwikkeling niet altijd en noodzakelijkerwijs begint met de conceptie,
maar ook kan beginner tengevolge van juist die in het geding zijnde tweelingvorming
door afsplitsing van één of meer klievingscellen. Nu propositie
(p) dus niet in 100% van de gevallen waar blijkt te zijn, kan ik propositie
(q) terecht sauveren: {p’.q}. Tot zover de formele logica.

ad d) Wat leert de ontwikkelingsbiologie ons omtrent de mogelijkheid

of onmogelijkheid van het bestaan van psychische functies bij de conceptus?

Het lijkt er op, of de biologie geen uitspraak kan doen over het bestaan

van psychische functies bij de conceptus, omdat ze de instrumenten om
de uitingen hiervan positief aan te tonen ten enenmale mist. Vele auteurs
menen echter dat er ook geen grond is voor het voordeel van de twijfel,
aangezien zij uit het nog niet bezitten van een centraal zenuwstelsel
voor implantatie tot de fysieke onmogelijkheid van psychische functies
bij de conceptus besluiten,10 functies zoals bijv. de mogelijkheid tot
sensatie, door sommigen onontbeerlijk geacht om te kunnen spreken van
persoon-zijn. De mogelijkheden ook tot zelfbewustzijn en communicatie.
Er zou, gezien deze onmogelijkheid, hoogstens sprake kunnen zijn van een “potentieel-persoon”.11

Alvorens deze conclusie te trekken, zou men echter de premisse eerst

eens kritisch moeten onderzoeken: is er inderdaad niets verder te zeggen
omtrent de allereerste ontwikkeling van het morfologisch en fysiologisch
substraat van onze elementaire psychische functies? Komen deze dan als
het ware niet de lucht vallen, zoals de grote fysioloog Ch. Sherrington
(1857-1952) schijnt te suggereren: “The initial stage of each individual
of us is a single cell. We have agreed that mind is not recognizable in
any single cell we ever met with. And who shall discover it in the little
mulberry-mass which for each of us is our all a little later than the
one-cell stage; or even in Fernel’s forty days’ embryo? Yet who shall
deny it in the child which in a few month’s time that embryo becomes?
Here again mind seems to emerge from no mind…” (Sherrington, 1940).

De embryologie kan ons het volgende leren: de biologische basis voor

deze functies, die later in het leven gevormd wordt door het centrale
zenuwstelsel, wordt geanticipeerd, in de menselijke ontwikkeling. Deze
anticipatie moet worden gezocht in bepaalde cellen van de blastula en
later, na de vorming van de kiembladen, in het (neur)-ectoderm, het embryonale
primordium van het centrale zenuwstelsel. Hiervoor geldt wat de bioloog
en filosoof Henri Bergson (1859-1941) schreef over de fylogenetische ontwikkeling
van het centrale zenuwstelsel in de loop van de evolutie: “Neither
mobility nor choice nor consciousness involves as a necessary condition
the presence of a nervous system. The latter has only canalized in a definite
direction and brought up to a higher degree of intensity, a rudimentary
and vague activity, diffused throughout the mass of the organized substance.” Wil
men al een biologisch criterium voor het eerste functioneren van het centrale
zenuwstelsel, dan vindt men in de literatuur gegevens over het begin van
reflexactiviteit, welk begin samenvalt met de differentiatie van de motorische
voorhoorncellen in het embryonale ruggenmerg: “Onset of reflex activity
and fetal behaviour in the human is around week 8 of intra-uterine life
and seems to coincide with differentiation of the motor neurons” (Rath,
1982).12

Inzake de kwestie van het psychisme van de conceptus is mijns inziens

ook een fenomenologische benadering mogelijk in de geest van de bekende
arts-filosoof F.J.J. Buytendijk (1887-1974). De uitwisseling van biologische
actieve stollen tussen conceptus en moederlijk organisme kan gezien worden
als een vorm van communicatie van de conceptus met het moederlijk individu;
communicatie als bijproduct van de fysiologie van de conceptus, evenals
mijn spraak een bijproduct is van mijn ademhaling. Ik gebruik hier natuurlijk
een analogie, maar deze analogie wordt gerechtvaardigd door het kentheoretisch
inzicht, dat we slechts op grond van analogie kunnen besluiten tot het
bestaan überhaupt van psychische fenomenen bij mens en dier: “Nur
durch Analogie können wir auf Bewusstseinsvorgänge bei unseren
Mitmenschen schliessen.” (Hartmann, 1956)

Fenomenologisch beschouwd spreekt het embryo een taal, om zijn intrede

in de wereld van de menselijke communicatie aan te kondigen. “Ik
kom er aan! Ik hoor er ook bij!” Ook zonder zenuwstelsel communiceert
de conceptus met de moeder. Zodoende kan men terecht spreken van: “een
persoon-in-ontwikkeling”.

LITERATUUR

1.
E.: “conceptionism” t.o. “developmentalism”,
zie Tiefel, 1978
2.
De informatie-dichtheid in het DNA-molecuul bedraagt namelijk
1021 bits/cm3.
In onze megachips halen we 107 bits/cm3.
3.
De EPF, bij de mens binnen 48 uur na conceptie
aantoonbaar in het bloed van de a.s. moeder, is ontdekt door
de modificerende
werking ervan op de functie van lymfocyten:
het is de eerste immunosuppressieve factor van de zwangerschap.
Er zijn nog meer
biologisch actieve stoffen in het spel,
sommige nog niet nauwkeurig geïdentificeerd, samengevat onder de naam “Pregnancy
Associated Proteins” (PAP’s). Ook de respons van het moederlijk
weefsel is bekend: de afscheiding van
specifieke eiwitten (uteroglobinen, blastokinine). De embryotrofe
functie van het secreet van de
kliercellen van endosalpinx en endometrium is
bewezen.
4.
Door sommige auteurs wordt aan het menselijk embryo
een menselijke status ontzegd op grond van dit gegeven: kennelijk
vinden zij het
lot van deze concepti niet in overeenstemming
met hun begrip van menselijke status. Het verschijnsel van “embryonic
wastage” moet ons evenwel aan de zygote reeds de sterfelijkheid als anthropologische
conditie doen toekennen. Feitelijk is de waarschijnlijkheid van een ‘spontane’ plotselinge
dood bij kleine organismen veel groter dan bij grote, de dood is dan als een
stochastisch (=onvoorspelbaar) gebeuren te beschouwen (Hoffman, 1962).
5.
Gebruikt is hier de scholastieke definitie van
individu: “quod
sit in se
indivisum, et ab allis divisum” (Thomas Aquinas, Comm. in libr. Boetii de
Trin., Qu. 4, a.2.).
6.
Volgens The New Oxford Illustrated Dictionary (Coulson
e.a.,1978): “Individual”: “single
member of a class, group or number; single human
being (opp. to society, family,
etc.).”
Volgens Henderson’s Dictionary of Biological Terms, 9th ed.,1979: “a
single
example or unit”.
7.
Zie het standaardwerk van M. Bulmer: The Biology of Twinning
in Man, Oxford, 1970, voor een overzicht van hetgeen op dit gebied
bekend is.
8.
Dasypus novemcinctus (het gordeldier) brengt in
de regel monozygote vierlingen ter wereld; Dasypus hybridus zelfs
monozygote acht-of
negenlingen (Bulmer, 1970). Het verschijnsel
wordt door Duitse auteurs ook wel “Polyembryonie” genoemd.
9.
De eerste keer dat monozygote tweelingen van gewervelde dieren
op kunstmatige wijze tot stand werden gebracht, waren de proeven
door Hans Spemann in 1936 met volledige scheiding van de twee levende
kikker-blastomeren, die ieder op zich uitgroeiden tot een volledig
individu: hierdoor werd het regulatievermogen ontdekt.
10.
Vele auteurs lijken — onbewust — feitelijk voorstanders
van een dualistische oplossing in de geest van Descartes in zoverre
zij de “bezieling” of “hominisatie” op een later
tijdstip gedurende de ontwikkeling laten plaatsvinden.
11.
Natuurlijk gaat het slechts om het tijdelijk (nog)
niet kunnen uitoefenen van psychische vermogens, die met het mens-zijn
zelf
zijn gegeven: “Volgens de traditionele en filosofisch goed
gefundeerde opvatting is een persoon ieder lid van een soort waarvan
de normale leden de mogelijkheid hebben een ik-bewustzijn en rationaliteit
te verwerven”, aldus R. Spaemann (COMMUNIO jrg. 15/nr.4/ 259,
1990).
12.
De arts-filosoof Francois Dagognet zoekt in de
mobiliteit zelf het beslissend
criterium om te kunnen spreken van menselijk leven “C’est la motricité qui
est le critère décisif. A la dixième semaine, l’embryon
commence à se mouvoir, le système nerveux s’individualise: c’est,
en un sens, le vouloir qui s’exprime dans le mouvoir. Un philosophe doit être
systématique: si la vie c’est le mouvement, la mort en est la cessation” (Dagonet,
1988). Ook dit gegeven is echter irrelevant voor het toekennen van psychische
functies aan de conceptus. Het is eerder de anticipatie van de functie van het
skelet- en spierweefsel gedurende de vroege ontwikkeling.
LITERATUURREFERENTIES

Beck, W.S. (1957) Modere Biologie, Utrecht.

Beier, H.M. (1988) Die internationale Entwicklung der Reproduktionsmedizin
und der Forschung an menschlichen Embryonen.
Bergson, H. (1911) Creative Evolution, N.Y.
Bertalanffy, L. von (1949) Dos Biologische Weltbild, Bern.
Blechscmidt, E. (1978) Der Systemcharakter der Zelle, Stuttgart.
Blechschmidt, E. (1979) Zo begint het Menselijk Leven, Amsterdam.
Bok, S.T. (1963) Het ontstaan van het leven, Utrecht.
Brandt, W. (1949) Lehrbuch der Embryologie, Basel.
Bulmer, M. (1970) The Biology of Twinning in Man, Oxford.
Carlson, B.M. (1981) Patten’s Foundations of Embryology, N.Y.
Dagonet, Fr. (1988) La Maîtrise du vivant, Coll. Histoire et
philosophie des sciences, ed. G. J,
Edwards, R.G. (1987) Diagnostic methods for human gametes and
embryos, Human Reproduction vol.2, no.5, pp. 415-420
Fauré Frémiet, E. (1925) La cinétique du développement,
Paris.
Girardeau, E. (1960) Het avontuur der Natuurwetenschap, Utrecht.
Hoffman, J.G. (1962) Algemene Celleer, Utrecht.
Hull, D.L. (1974) Philosophy of Biological Science, N.Y.
Jeuken, M. (1983) Denken over stof en geest vanuit de biologie,
Annalen van het Thijmgenootschap, jaarg.71,2, p.28.
Melsen, A.G.M. van (1969) Wetenschap en Verantwoordelijkheid.
Menkin, M.F. & Rock, J. (1948) In Vitro Fertilization and Cleavage
of Human Ovarian Eggs, A.J. Obstetr. & Gyn. vol.55,p.440.
Mora, J.F. (1962) Inleiding tot de moderne filosofie, Utrecht.
Rath, G. (1982) Prenatal Development of the Human Spinal Cord.
I. Ventral Motor Neurons, J. Neurosc.Res. vol.7, p.437.
Rock, J. & Menkin, M. (1944) In vitro fertilization and cleavage
of human ovarian eggs, Science vol.100,no .2588,. p. 105.
Scheck, H. (1974): Naturwissenschaftliche and philosophische
Aspekte der Anthropologie des Keims, Lecture delivered at the European
Congress on Respect for Human Life, Noordwijkerhout.
Sinnot, E.W. (1966) Morfogenese, Utrecht.
Stern, C. (1973) Principles of Human Genetics, S.Francisco.
Tiefel, H.O. (1978) The Unborn. Human Values and Responsibilities,
JAMA vol.239, no .21.
Troost, A. (1985) Antropologie en Reageerbuisbevruchting, Radix,
okt.1985, p.242.
Weiss, P. (1949) Differential Growth, in: Parpart, A. (ed.) The
Chemistry and Physiology of Growth, Princeton.

* * * * *

 

 

 

Vandaag is het

Meest recente wijziging
14 June, 2015 15:25

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Ontwikkelingsbiologie en de status van het menselijk embryo – Dr. W.G.M. Witkam

Abortus in Nederland Sociaalwetenschappelijke en moraaltheologische overwegingen bij de besluitvorming

PVH 15e jaargang – 2008 nr. 4, p. 105-109 Auteur: drs. Ward Biemans SJ De auteur is moraaltheoloog en lid van de Orde der Jezuïeten Op 3 februari 2007 vond…

PVH 15e jaargang – 2008 nr. 4, p. 105-109

Auteur: drs. Ward Biemans SJ
De auteur is moraaltheoloog en lid van de Orde der Jezuïeten

Op 3 februari 2007 vond in Utrecht het symposium ‘Artsen en Abortus’ plaats. In het tijdschrift Pro Vita Humana is hierover uitvoerig bericht. In onderstaand artikel wordt langs twee denklijnen getracht aan het abortusdebat een
bijdrage te leveren, namelijk vanuit de sociaalwetenschappelijke en de moraaltheologische discipline. Wat deze laatste denklijn betreft, zal ik mij hier beperken tot de rooms-katholieke traditie omdat ik hierin ben gevormd, wel wetende dat dit niet de enig mogelijke benadering van deze problematiek is.

1. De besluitvorming rondom abortus

Er is de laatste jaren veel sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de abortusproblematiek verricht. Daardoor is er veel bekend over de manier van werken in abortusklinieken, hun cliënten en over de gevolgen van een ingreep. De evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Waz), die in opdracht van het Nederlandse parlement werd verricht, concludeert weliswaar dat de wet niet ingrijpend gewijzigd zou moeten worden, maar vermeldt anderzijds enkele, mijns inziens ernstige gebreken in de huidige abortuspraktijk.1 Het gaat hierbij om vier zaken: het vaststellen of er
sprake is van een noodsituatie, het overwegen van alternatieven voor abortus, het nemen van een vrije beslissing door de vrouw en de informatievergaring  door de arts. Tevens moet worden geconstateerd dat enkele onderliggende
vragen, zoals over de status van het embryo en over de rol van de man in de besluitvorming in de evaluatie nauwelijks aan bod komen.

De recente cijfers laten zien dat de laatste twintig jaar het aantal abortussen onder in Nederland woonachtige vrouwen sterk is toegenomen. Ter illustratie: in 1990 bedroeg volgens het evaluatierapport van adviesbureau
ZonMw het aantal abortussen 5,2 per 1000 vrouwen in de vruchtbare leeftijd. In 2004 is dat aantal opgelopen tot 8,7.2 In verhouding tot het aantal zwangerschappen betekent dit dat 15% van alle zwangerschappen eindigt
met een abortus. Het gaat hierbij  om meer dan 30.000 abortussen per jaar. De toename is het grootst onder allochtone vrouwen.

De genoemde evaluatie biedt een goed inzicht in de praktijk van de besluitvorming rondom abortus in klinieken en ziekenhuizen. De wet zegt dat er sprake moet zijn van een noodsituatie voordat de arts kan besluiten de ingreep te verrichten. Dit criterium is echter niet door de wetgever nader omschreven. In de praktijk wordt de uiteindelijke
beslissing dan ook vooral aan de vrouwen zelf overgelaten. In het evaluatie-onderzoek is achteraf gevraagd wat de voornaamste redenen waren om voor een abortus te kiezen. Opvallend is dat financiële redenen het vaakst worden
genoemd en ook als het meest belangrijk worden aangeduid. Andere redenen die veel worden genoemd, zijn ‘geen kinderwens’, ‘geen energie’, ‘geen geschikte woonruimte’, ‘te jong’, ‘het gezin is compleet’ en ‘opleiding’.
Minder vaak worden relatieproblemen en het risico op gezondheidsproblemen bij de baby genoemd. Nog minder vrouwen geven als reden op een zwangerschap na ongewild sexueel contact, psychische problemen of het hebben van
een vluchtelingenstatus.3

Het geeft te denken dat in een welvarend land als Nederland financiële redenen het vaakst worden genoemd in verband met abortus. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat wanneer dit motief zou kunnen worden weggenomen
door de hulpverlenende instanties, er niet langer sprake zou zijn van een noodsituatie. Er dient dan wel een indicatiestelling plaats te vinden, zodat de hulp terecht komt bij diegenen die het echt nodig hebben.

Het ontbreken van criteria voor het bepalen van een noodsituatie hangt nauw samen met een algemener probleem. De Waz kent de vereiste dat  alternatieven voor abortus aan de orde dienen te komen in het consultatiegesprek.
Te denken valt aan het verlenen van materiële, professionele en vrijwillige steun vanuit de omgeving, wanneer de moeder zou besluiten de zwangerschap wel uit te dragen. In bepaalde gevallen kan ook adoptie een alternatief zijn. Uit het onderzoek komt echter naar voren dat in meer dan de helft van de consultatiegesprekken (57% in abortusklinieken en 73% in ziekenhuizen) deze alternatieven door de arts, de verpleegkundige of maatschappelijk werker van de kliniek niet worden aangekaart.4 We hebben al aangegeven dat een groot gedeelte van de cliënten van
abortusklinieken en ziekenhuizen migranten zijn, die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn. Een gebrek aan voorlichting over andere oplossingen dan abortus kan voor hen beschouwd worden als een belemmering in de keuzevrijheid. Dit staat haaks op de beide doelstellingen van de wet, die zowel juridische bescherming wil bieden aan het ongeboren kind als ook het recht op ‘hulpverlening’ aan de vrouw wil garanderen.

Laten we na het bespreken van de huidige situatie nu dieper ingaan op enkele kerkelijke en moraalfilosofische uitgangspunten omtrent abortus en de status van het embryo.

2. De Rooms-Katholieke kerk en abortus provocatus

In Nederland vond de legalisering van abortus provocatus plaats in 1981. Dit politiek besluit staat in een bredere ontwikkeling in praktisch de gehele Westerse wereld in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Voor, tijdens en na deze legaliseringsgolf hebben vele nationale bisschoppenconferenties, lekenbewegingen en individuele leden van vele kerkgemeenschappen, onder wie veel artsen, op diverse wijzen geprotesteerd. De Romeinse Congregatie voor de Geloofsleer publiceert in 1974 het document De abortu procurato en in 1987 de instructie Donum Vitae.
Paus Johannes Paulus II presenteert in 1995 de encycliek Evangelium Vitae, waarin het standpunt over abortus uit De aborto procurato wordt bevestigd en waar nodig voorzien van nuancering. Daarbij moet allereerst worden opgemerkt dat het verzet van de kerk tegen abortus een zeer  lange geschiedenis kent: al in de tweede eeuw na Christus vermeldt de Didachè (‘Onderwijs van de twaalf apostelen’) dat het niet is toegestaan de foetus te doden door abortus, evenmin als het laten sterven van een pasgeboren kind.5 In de loop der eeuwen is dit standpunt vele malen herhaald door kerkvaders en pausen.

Het uitgangspunt van de kerkelijke leer is dat het menselijk leven begint bij de conceptie, de bevruchting. Dit is een gegeven waar ook de meeste natuurwetenschappers geen probleem mee hebben. De bevruchte eicel bevat al het genetische materiaal dat voor verdere ontwikkeling nodig is. De chromosomenstructuur is na de bevruchting compleet en is specifiek menselijk qua aantal, vorm en functioneren.

De instructie Donum Vitae (‘het geschenk van het leven’) legt uit waarom vanuit theologisch en gelovig perspectief het menselijk leven vanaf de conceptie absolute beschermwaardigheid verdient: ‘de mens is het enige schepsel op aarde dat God heeft gewild voor zichzelf en de geestelijke ziel van ieder mens wordt rechtstreeks geschapen
door God; zijn hele wezen draagt het beeld van de Schepper.’6 Dit is een inzicht dat al in het Oude Testament kan worden teruggevonden: ‘Voordat ik u in de moederschoot vormde, koos ik u uit; voordat ge geboren werd,
bestemde ik u voor Mij’ (Jer. 1,5). Het is om deze reden en tevens vanwege de onschuld van het ongeboren kind dat het menselijk wezen gerespecteerd dient te worden en behandeld als een persoon vanaf het moment van de conceptie, zo stelt de encycliek Evangelium Vitae.

Let wel, er staat ‘als een persoon’. Waarschijnlijk is paus Johannes Paulus II zich zeer bewust geweest van het debat over de status van het embryo. In de moraalfilosofie heeft bijvoorbeeld Robert Spaemann een heldere analyse gegeven over het persoonschap, als een onderscheid tussen ‘iets’ en ‘iemand’.7 Hij verwijst naar de afkomst van het begrip ‘persoon’ in  de Griekse en Christelijke wereld. Bijvoorbeeld, het Nieuwe Testament spreekt vaak over het menselijke hart als de plek waar het ‘persoon zijn’ begint. De betekenis van het menselijk hart wijst op de autonomie en de uniciteit van elke persoon.

Er doet zich nu evenwel een juridisch probleem voor ten aanzien van de status van het embryo. Internationale jurisprudentie heeft laten zien dat het embryo in de rechtspraak niet als een persoon wordt beschouwd, zolang het niet levensvatbaar is.8 Ofwel met andere woorden: het embryo mag dan uniek zijn, het kan niet zonder de moeder voortbestaan. Spaemann verwerpt de mening, zoals sommigen stellen in het abortusdebat, dat embryo’s alleen in potentie personen zijn. Volgens hem is dit onmogelijk. Het ‘persoon zijn’ is niet het resultaat van een ontwikkelingsproces, maar altijd de karakteristieke structuur van deze ontwikkeling. We kunnen gemakkelijk inzien dat ons biologische functioneren, bijvoorbeeld ons eten en drinken, persoonlijk zijn. Anders zouden er geen voorkeuren of aversies bestaan. Ook onze familierelaties zijn in hoge mate persoonlijk. We weten uit ervaring dat de relatie van ouders met hun kind van het begin af gekenmerkt wordt door het kind als een persoon te behandelen, niet als een ‘iets’. Dit is essentieel voor een psychologisch gezonde opvoeding. Spaemann concludeert dat er maar één criterium kan zijn voor persoonlijkheid: het biologisch behoren tot de menselijke soort. Daarom kan het begin en het eind van het menselijk leven niet worden gescheiden van het begin en het einde van het persoon zijn.

Eenzelfde stelling had paus Johannes Paulus II al in 1983 verwoord toen hij sprak voor de World Medical Association.9 Hij werkt dit uit in zijn encycliek Evangelium Vitae. Hij gaat hierbij niet voorbij aan het feit dat voor de vrouw de beslissing haar kind te laten aborteren vaak een pijnlijke is, ingegeven vanuit een verlangen om andere waarden te beschermen, zoals haar eigen gezondheid of de levensstandaard voor de overige gezinsleden. Soms wordt zelfs gevreesd dat het kind in zulke condities zou moeten leven dat het beter zou zijn wanneer het niet geboren werd. Toch kunnen deze redenen, hoe serieus en tragisch ze ook zijn, niet het doden van een onschuldig menselijk wezen rechtvaardigen.10

2.1 Actieve levensbeëindiging bij pasgeborenen

Wanneer een ernstig ziek kind ter wereld komt, zou dezelfde norm moeten gelden als geschetst in de vorige paragraaf. Hierbij wordt indien mogelijk palliatieve zorg toegepast. Zelfs palliatieve sedatie kan soms aan de orde zijn wanneer de pijnbestrijding niet helpt. In dergelijke gevallen wordt het bewustzijnsniveau van een terminaal zieke baby verlaagd met behulp van medicatie, zodat het kind de pijn niet meer ervaart. Dit kan leiden tot een versnelling van het stervensproces. Soms, wanneer er geen enkele behandeling beschikbaar is of wanneer de behandeling gepaard zou gaan met onaanvaardbare neven-effecten, is er voor artsen en familie geen andere mogelijkheid dan het sterven van het kind te aanvaarden. Palliatieve sedatie is echter niet hetzelfde als actieve
levensbeëindiging. Dit laatste wordt door de katholieke leer als onaanvaardbaar beschouwd.11

3. Sociaal-psychologische en juridische aspecten van de besluitvorming bij ongewenste zwangerschap

Bij verreweg de meeste beslissingen rondom abortus is er geen sprake van de extreme situatie van een terminaal ziek kind. Dit neemt niet weg dat de beslissing om een abortus te laten uitvoeren voor veel vrouwen in moeilijke omstandigheden wordt genomen. Als vluchteling, als tiener, of in de steek gelaten door de partner voelen veel vrouwen zich gedwongen tot een dergelijke radicale en onherroepelijke ingreep. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste vrouwen zeggen zich opgelucht en tevreden te voelen na een ingreep. Toch zegt ook zo’n 5-7% van de ondervraagde vrouwen slechts enigszins of niet achter hun besluit tot abortus te staan. Dit betreft in Nederland
ca. 2000 vrouwen per jaar.12

Onder hen is een groep vrouwen die kampt met (ernstige) psychologische problemen na een abortus, soms zelfs jaren later. Als verschijnselen worden genoemd: depressie, schuldgevoelens, angst, verdriet en spijt, zo blijkt uit onderzoek van het Prof. dr. G.A. Lindeboom Instituut.13 De onderzoekers doen de aanbeveling dat huisartsen meer informatie verschaffen over gevolgen, risico’s en alternatieven voor abortus en dat eveneens de nazorg meer aandacht krijgt. Prof. dr. H. Jochemsen, één van de sprekers op het symposium ‘Artsen en Abortus’, betoogde
naar aanleiding van het onderzoek dat informatie alleen vaak niet volstaat, maar dat in geval van counseling bij ongewenste zwangerschap ook achterliggende waarden aan bod zouden moeten komen, zoals huisartsen dat ook in andere gevallen gewend zijn te doen.14

Niet alleen de huisarts, de verpleegkundige of maatschappelijk werker van de kliniek kan betrokken worden in het besluitvormingsproces van de vrouw, al dan niet samen met haar partner. Wanneer religie een grote rol speelt voor de ouder(s), kan ook de pastor worden geraadpleegd om de ethische aspecten te overwegen, maar ook om te kijken naar concrete alternatieven. We zagen reeds dat dit in de consultatiegesprekken in abortusklinieken en ziekenhuizen vaak niet of niet grondig genoeg gebeurt. Het is daarom onwaarschijnlijk dat in al deze gevallen vrouwen toch
zelf hebben gekeken naar de diverse mogelijkheden van professionele en financiële steun bij de opvoeding, naar ondersteuning door anderen uit de naaste omgeving, of naar de mogelijkheid van adoptie. Tijdens een consultatie of in een pastoraal gesprek kunnen deze mogelijkheden verder worden verkend, al dan niet bijgestaan door andere professionals en/of in aanwezigheid van dierbaren van de vrouw.

In een dergelijk gesprek kan er tevens aandacht zijn voor de positie van de man. Ook hier zijn weer allerlei situaties mogelijk. Uiteraard zijn er gevallen denkbaar waarbij het voor de vrouw moeilijk te aanvaarden zou zijn wanneer de man betrokken wordt bij de besluitvorming, bijvoorbeeld wanneer zij al haar zinnen heeft gezet op een abortus, wanneer de relatie inmiddels is beëindigd, of wanneer de verwekker niet de vaste partner is. Helaas zijn er ook vrouwen, zo blijkt opnieuw uit het evaluatie-onderzoek, die hun partner niet meedelen dat ze in verwachting zijn. Blijft staan dat beide verwekkers een verantwoordelijkheid dragen ten aanzien van het ongeboren leven.

Het komt ook voor dat de vrouw de zwangerschap wél wil uitdragen, maar dat de partner dit tracht te voorkomen of dat hij zich aan zijn verantwoordelijkheid wil onttrekken. Als blijkt dat de vrouw onder druk wordt gezet door de partner of de familie en zij dus niet in vrijwilligheid handelt, dan mag een abortus niet plaatsvinden. De  vertrouwenspersoon van de kliniek of het ziekenhuis moet in een dergelijk geval doorverwijzen naar een hulpverlenende instantie. Helaas gebeurt het wel, dat vrouwen hun twijfel verborgen houden en de arts meent haar met een abortus ter wille te zijn.

Wanneer de man ontkent de vader te zijn, dan zijn er twee juridische procedures mogelijk: de vaderschapsactie en de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.15 In Nederland heeft de vader (verwekker) van het kind de plicht bij te dragen in de kosten van levensonderhoud tot het kind 21 jaar is. Met een vaderschapsactie kan de vrouw bewerkstelligen dat de vader onderhoud of alimentatie gaat betalen. Bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt de man niet alleen onderhoudsplichtig, maar kan er tevens een omgangsregeling getroffen worden. De moeder behoudt normaliter wel alleen het gezag over het kind. In beide procedures kan DNA-onderzoek worden ingezet om het vaderschap van de man te bewijzen of te ontkrachten. Met deze methode kan het vaderschap doorgaans met 100% zekerheid worden uitgesloten, dan wel met 99,99% waarschijnlijkheid worden aangetoond.16

4. Conclusie

De omstandigheden in Nederland zijn zodanig, dat de abortuspraktijk steeds verder is gemedicaliseerd. Dr. G. Kleiverda stelt tijdens het symposium ‘Artsen en Abortus’ dat de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) abortus als een normale medische behandeling ziet.17 Ik vind dit onbegrijpelijk, aangezien er bij deze behandeling een levend menselijk wezen wordt gedood.

Ik heb in het bovenstaande betoogd dat de besluitvorming rondom abortus na meer dan vijfentwintig jaar legalisering nog steeds ernstige gebreken vertoond. Bovendien moet worden geconstateerd dat in Nederland de materiële en vrijwillige hulpverlening aan zwangere vrouwen en jonge moeders niet sterk is ontwikkeld. In andere Europese landen zoals bijvoorbeeld Italië, waar abortus ook is gelegaliseerd, kan de hulpverlening bogen op een uitgebreid netwerk van opvanghuizen en vrijwilligers, overigens veelal afkomstig uit de katholieke gemeenschap. Het blijkt dat bij 98% van de Italiaanse vrouwen die na de geboorte van een kind een beroep hebben gedaan op deze hulpverlening, het kind uiteindelijk bij de moeder kan blijven. De Movimento Per la Vita Italiano heeft in dertig jaar tijd hulp verleend aan zo’n 70.000 kinderen en hun ouders.18 In Nederland wordt de hulpverlening meer individueel afgestemd door organisaties als de VBOK, de Stichting Ambulante FIOM en Schreeuw om leven. Door de grote culturele diversiteit in Nederland en de veelheid aan instanties en regelingen vallen er mensen tussen de wal en het schip. Het feit dat in Nederland ca. 2000 vrouwen per jaar hun beslissing voor een abortus achteraf betreuren is een teken aan de wand.

De regering heeft inmiddels ingezien dat de hulpverlening inderdaad een extra impuls nodig heeft, zo blijkt uit het regeerakkoord. Staatssecretaris M. Bussemaker stelt in haar beleidsbrief over medische ethiek dat ‘vanzelfsprekend
een vrouw wel een reële mogelijkheid moet worden geboden om te kunnen kiezen voor het uitdragen van de zwangerschap.’19 Hiertoe moet er nog wel veel gebeuren om de hulpverlening aan ongewenst zwangere vrouwen structureler te ontwikkelen. Pas dan kan er sprake zijn van een langverwachte trendbreuk.

Noten

1. Gevers, J.K.M., Visser, M.R.M. et al., in opdracht van ZonMw: Evaluatie Wet afbreking zwangerschap. Amsterdam, 2005.

2. Idem, p. 59.
3. Idem, p. 83.
4. Idem, p. 85.
5. Didachè, II,2.
6. Donum Vitae, n. 5.
7. Spaemann, R. Personen. Versuche über den Unterschied zwischen ‘etwas’ und ‘jemand’. Stuttgart, 1996. Robert
Spaemann is al jarenlang een vertrouweling van Joseph Ratzinger, de huidige paus Benedictus XVI.
8. Zie hierover bv. Smits, P.W., The right to life of the unborn child in international documents, decisions and opinions, proefschrift aan de Universiteit van Leiden, 1992, p. 133.
9. De toespraak – in het Frans – tot de WMA is opgenomen in de Acta Apostolicae Sedis, 1984, 76, p. 393. ‘De identiteit van de mens is ‘corpore et anima unus’, één van lichaam en geest, zoals het Tweede Vaticaanse Concilie al zei.’ (Gaudium et Spes, n. 14.)
10. Evangelium Vitae, n. 58, cfr. De abortu procurato , n. 14. 11. Over dit onderwerp heeft de huidige aartsbisschop
Mgr. W.J. Eijk in 2005 een artikel geschreven: Actieve levensbeëindiging van pasgeborenen ethisch onacceptabel.
In: RKKerk.nl, 29 juli 2005.
12. Cfr. noot 1, p. 59 en 88.
13. Laar – Jochemsen, T.W. van, et al.: Psychische problematiek bij vrouwen na abortus provocatus en de rol van de huisarts, Prof. dr. G.A. Lindeboominstituut, Ede, 2006.
14. Jochemsen, H. in PVH, nr. 1-2, 2007, p 2-6.
15. Meer informatie over beide procedures is te vinden in de brochure van de Stichting Ambulante Fiom: Leuk om jong moeder te zijn? Praktische informatie voor jong zwangeren en jonge moeders. Den Bosch, 2005.
16. Heida, A. Vaderschapsprocedures en DNA-onderzoek. In: Tijdschrift voor familie- en jeugdrecht, vol. 24, 2002, p. 122-129.
17. Kleiverda, G., in PVH, 2007, nr. 1-2, p. 11-13.
18. Persbericht van de Movimento per la Vita Italiano, 10 januari 2005.
19. Brief aan de Tweede Kamer met nr. 30 800 XVI, nr. 183, d.d. 7 september 2007

Reacties uitgeschakeld voor Abortus in Nederland Sociaalwetenschappelijke en moraaltheologische overwegingen bij de besluitvorming

Abortus: recht op leven, noodzaak of betutteling? – Roland van den Berg

      PVH 15e jaargang – 2008 nr. 1, p. 007-010  Abortus: recht op leven, noodzaak of betutteling? Roland van den Berg Student Rechtsgeleerdheid aan de VU te Amsterdam…

 

 

 

PVH 15e
jaargang – 2008 nr. 1, p. 007-010 

Abortus: recht op leven, noodzaak of betutteling?

Roland van den Berg

Student Rechtsgeleerdheid aan de VU te Amsterdam

Een meisje van zestien komt terug van vakantie uit Spanje en blijkt

zwanger te zijn, de vader loopt waarschijnlijk ergens rond in Spanje.
Zal haar verzoek tot abortus gehonoreerd worden? Zou dit anders zijn
wanneer zij geen voorbehoedmiddelen gebruikte? Wat te denken van een vrouw
die
tot abortus besluit omdat haar huis te klein wordt of omdat de financiën
het niet toe laten? Als blijkt dat de foetus een kleine afwijking heeft
(bijv. een hazenlip) kan men dan tot abortus besluiten? Is het feit
dat iemand liever een meisje wenst en zwanger blijkt te zijn van een jongetje
een grond voor abortus?1
Intuïtief zullen veel mensen het meisje van zestien willen helpen.
Maar wanneer men weet dat zij geen voorbehoedmiddelen gebruikte zullen
we eerder geneigd zijn te zeggen dat het haar eigen schuld is. Is kleine
behuizing een prangende reden of een krappe beurs, het lijkt mij van
niet. De laatste twee voorbeelden lijken mij zelfs volkomen ontoelaatbaar.
Volgens
onze wetgever mag een zwangerschap gerechtvaardigd worden afgebroken
wanneer de noodsituatie waarin de vrouw verkeert, haar onontkoombaar maakt.
Kunnen
we met deze formulering uit de voeten? Kunnen we op grond van deze
bepaling de hierboven bedoelde situaties onder de loep nemen en beoordelen
of hier
van een noodsituatie sprake is? Dit zou kunnen wanneer het begrip noodsituatie
duidelijk omlijnd zou zijn, in de praktijk is dit niet het geval. Waarom
is dat eigenlijk zo, waarom kunnen we niet bepalen wat er onder een
noodsituatie valt? Waarom heeft de wetgever zich hieraan niet gewaagd?
Is er niet zoiets
als recht op leven van de ongeboren vrucht, valt hier wellicht iets
over te zeggen? Als het aankomt op deze vraag laten onze wetgever en de
verdragsluitende
partijen het afweten. Ons hoogste Europese rechtscollege, het EHRM,
lijkt haar vingers ook niet te willen branden aan het recht op leven voor
ongeborenen.
Maar komen er wellicht andere tijden? Zal onder de huidige regering
deze discussie nieuw leven ingeblazen worden? Hierna zal ik betogen dat
men
moeilijke vraagstukken met betrekking tot abortus en recht op leven
liever uit de weg gaat dan dat men een standpunt inneemt. Daartoe zal
ik kort
de geschiedenis over de abortus in Nederland bespreken, het thans geldende
recht en een bespreking van de vier belangrijkste stromingen die worstelen
met de meer filosofische vraag of ongeboren leven bescherming verdient.
Hierna volgt een behandeling over het internationale recht en de rechtspraak
van het EHRM, waarna ik afsluit met mijn conclusie.

GESCHIEDENIS VAN DE ABORTUS IN NEDERLAND

Toen de Code Pénal in Nederland nog kracht van wet had, was

abortus strafbaar gesteld. Dit bleef zo toen Modderman het wetboek van
strafrecht ontwierp. De strafbepalingen in beide teksten waren echter
dusdanig geformuleerd, dat het buitengewoon moeilijk bleek om iemand
voor ‘abortus criminalis’ veroordeeld te krijgen. Daarnaast
bleek er in de praktijk nauwelijks aandacht voor het onderwerp abortus
te bestaan, laat staan dat men abortus als een probleem beschouwde.
In feite was er toen al sprake van abortusvrijheid, ondanks het bestaan
van strafwetgeving.2 Dit veranderde in 1911 toen de abortuswetgeving
werd aangescherpt. Een arts was niet strafbaar wanneer hij handelde
naar de regelen van zijn kunst, de zogeheten ‘abortus arte provocatus’.
Deze medische exceptie erkende men ook al onder de Code en het Wetboek
van Strafrecht maar was niet gecodificeerd. Dit bleef zo onder de nieuwe
wet van 1911. Ondanks de erkenning van een medische exceptie waren artsen
veel terughoudender en veelal weigerachtig geworden om een abortus uit
te voren, nu de (nieuwe) strafbepaling veel ruimer uitgelegd kon worden.3
De discussie rondom abortus laaide wederom op in de jaren zestig en
uiteindelijk zou de Wet afbreking zwangerschap (Waz) hiervan het resultaat
zijn.

WET AFBREKING ZWANGERSCHAP

De regelgeving omtrent abortus is vervat in de Wet van

1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken
van zwangerschap, kortweg Waz. De Waz is niet van toepassing
op een
middel ter voorkoming van de innesteling van een bevruchte
eicel in de baarmoeder (art. 1 lid 2 Waz). Hier wordt
(onder andere) gedoeld op de overtijdbehandeling. In het regeerakkoord
staat
dat men wil onderzoeken of de overtijdbehandeling ook
onder het bereik van de Waz moet worden gebracht.4 Aan
de Waz liggen,
zoals
staat te lezen in de considerans, twee waarden ten grondslag.
Dit zijn rechtsbescherming van ongeboren menselijk leven
en recht van de vrouw op hulp bij ongewenste zwangerschap.
De kritische
lezer merkt op dat deze twee waarden op gespannen voet
met elkaar staan. Volgens deze wet mag een zwangerschap
gerechtvaardigd worden
afgebroken wanneer de noodsituatie van de vrouw haar
onontkoombaar maakt. Wat dit precies betekent staat niet
in deze wet te lezen.
Volgens de parlementaire stukken zou het gaan om de toestand
van geestelijke nood waarin de vrouw is komen te verkeren
door haar
ongewenste zwangerschap zonder dat er sprake behoeft
te zijn van dreigend fysiek of psychisch letsel.5 De wetgever
heeft destijds
het begrip niet nader kunnen en willen afbakenen. Dit
omdat de situaties van nood te zeer uiteenlopen en derhalve
niet in algemene
termijnen te omschrijven wanneer van een noodtoestand6
sprake is. Volgens de evaluatiecommissie die de wet in
2005 evalueerde moet
het oordeel van de vrouw omtrent haar voorgenomen abortus
zwaar wegen.7 Het is dus niet verkeerd om te stellen dat
in Nederland een vrouw zelf bepaalt of zij in een noodsituatie
verkeert
en
of een abortus noodzakelijk is. Hoe zit het dan met de
bescherming van ongeboren leven, waarover de considerans
spreekt? De wetgever
gaat ervan uit dat de vrouw zich over het algemeen genomen
zeer wel bewust zal zijn van haar verantwoordelijkheden
voor het nieuwe
leven.8 De wetgever waagt zich er dus niet aan om een
lijn te trekken en te zeggen ‘hier is niet langer sprake
van een noodsituatie, hier komt het recht van ongeboren
leven in gevaar’. Een
andere lacune in de Waz is het ontbreken van een uiterste
termijn waarna een zwangerschap niet langer gerechtvaardigd
mag worden
afgebroken. Op grond van de Waz kan men, in theorie,
tot een dag voor de geboorte nog tot abortus overgaan.
Er staat wel een termijn
in het Wetboek van strafrecht. Uit art. 82a Sr valt af
te leiden dat het doden van een levensvatbare vrucht
een misdrijf tegen
het leven gericht is. Deze grens voor levensvatbaarheid
trekt men (vooralsnog) op 24 weken.9 Voor die gevallen
waarin late zwangerschapsafbreking
onontkoombaar is, denk hierbij aan gevaar voor de gezondheid
van de vrouw, kan een beroep op overmacht (art. 40 Sr.)
worden gedaan.
Behalve art. 82a Sr staat er voor abortus nog een strafbepaling
in art. 296 Sr.

BESCHERMWAARDIGHEID VAN ONGEBOREN LEVEN

Het feit dat abortus onder omstandigheden nog steeds strafbaar

wordt gesteld (art. 296 Sr) wordt door een aantal organisaties
als een probleem beschouwd. Zij zien de strafbaarheid van abortus als
stigmatiserend
en onnodig belastend voor de arts en de vrouw. In dit kader
wordt er op gewezen dat de strafbaarstelling suggereert dat abortus in
beginsel moreel verwerpelijk is.10 Aanhangers die pro abortus (of pro-choice)
zijn zullen zich in een dergelijke redenering kunnen vinden. Deze groep
benadert de ongeboren vrucht vanuit de person-view en ziet het derhalve
niet als persoon en dus niet als beschermwaardig.
Hier tegenover staat de pro-life visie. Hierin is alles wat
uit een mens geboren wordt mens en dus beschermwaardig. Probleem met
deze visies is dat ze de morele discussie overbodig maken en niet bruikbaar
zijn wanneer men een serieus debat over beschermwaardigheid wil voeren.
Er zijn twee andere varianten waarbij een meer genuanceerd standpunt
wordt ingenomen. In de potentialiteits-opvatting gaat men uit van het
vermogen om mens te worden. Men gaat ervan uit dat een ongeboren vrucht
menselijk leven is maar nog geen persoon. Omdat de vrucht wel het vermogen
heeft tot mens uit te groeien is er een grond om het te beschermen. Maar
is het vermogen om in de toekomst mens te worden een reden om te doen
alsof een embryo reeds een persoon is? In deze zienswijze wordt de morele
status van de embryo afgeleid van een toekomstige toestand. Wanneer men
betekenis hecht aan de huidige toestand: te weten een wezen met het vermogen
tot mens/persoon uit te groeien, is het heel goed verdedigbaar om embryo’s
te beschermen omdat ze belang hebben bij hun voortbestaan.11
Naast het potentialiteitsbeginsel kan als andere middenweg nog
het gradualiteitsbeginsel worden genoemd. Dit gaat ervan uit dat naarmate
het ongeboren leven dichterbij zijn voltooiing komt, de beschermwaardigheid
ervan toeneemt.12 Maar volgens Reinders is dit beginsel moeilijk verdedigbaar.
Dit komt omdat van het biologisch ontwikkelingsniveau van een levend
organisme geen kwalitatief oordeel kan worden afgeleid.13 Een embryo kan
in kwalitatief opzicht niet beter zijn omdat het meer biologische functies
verricht dan een foetus van vierentwintig weken. Problematisch is het
beginsel ook wanneer het gebruikt wordt ter ondersteuning van een wettelijke
regeling. Dit betekent dat er uiteindelijk ergens een grens wordt getrokken.
Zo bezien blijft er dus van een opgaande schaal van beschermwaardigheid
niets over.14 Nederland lijkt met de Waz te kiezen voor het gradualiteitsbeginsel
en heeft in de strafwet een grens van 24 weken getrokken.

INTERNATIONAAL RECHT

Kan het internationale recht ons enige duidelijkheid verschaffen

over de status van ongeboren leven? Er zijn meerdere bepalingen in
het internationale recht die een artikel over recht op leven bevatten.
De regering is voornemens
een staatscommissie in het leven te roepen die zal adviseren over
de verhouding tussen de opgenomen grondrechten en de uit
internationale verdragen voortvloeiende rechten, zoals het recht op
leven.15 De VVD van Mark Rutte verwoordt dit voornemen alsvolgt:,”Want
dit kabinet komt vooral met stoptekens en meer regels. Het wil een
staatscommissie die onder meer gaat onderzoeken of het ‘recht op leven’ in
de grondwet moet komen. Ik kan dat niet anders lezen dan als een poging
euthanasie
en abortus te beperken.’’16 Nederland is echter partij bij tal
van verdragen, met verbindende kracht op grond van art. 93 Gw, die
een artikel over recht op leven bevatten (bijv. art. 3 UVRM, 2 EVRM, 6 IVBPR
en 6 IVRK).
Het is dan ook niet meer dan logisch dat we in Nederland op zijn minst
overwegen een dergelijk fundamenteel recht in onze Grondwet op te nemen
en daartoe
onderzoek doen. Tot die tijd zullen we het moeten doen met de huidige
internationale wetgeving. Maar of we hier veel wijzer van worden is de vraag?
Ten aanzien
van art. 6 IVBPR heeft onze wetgever opgemerkt dat men in het midden
heeft willen laten of het ook betrekking heeft op ongeboren leven. Aan het
artikel
kan niet de betekenis worden gegeven van een absoluut verbod op abortus.17
Een soortgelijke redenering vinden we bij art. 6 IVRK. Dit artikel
biedt naar mijn mening het meeste houvast voor ongeboren leven wanneer men
het
leest in combinatie met de preambule. Voor de volledigheid zal ik
de authentieke tekst uit de preambule weergeven: Bearing in mind that,
as indicated in
the Declaration of the Rights of the Child, “the child, by reason
of his physical and mental immaturity, needs special safeguards and
care, including appropriate legal protection, before as well as after birth”.
Men kan art. 6 IVRK*) in combinatie met de bovenbedoelde passage uit
de preambule interpreteren als een recht op leven voor het ongeboren
kind. Met een dergelijke
interpretatie konden de meeste staten zich echter niet verenigen.18
Toch kan met zekerheid gesteld worden dat art. 6 IVRK betrekking heeft
op ongeboren
leven. Wat we echter niet met zekerheid kunnen zeggen is in hoeverre
daarop een inbreuk kan worden gemaakt.

*) Internationaal Verdrag

inzake de Rechten van het Kind (noot van de webmaster)

RECHTSPRAAK

Kan de (internationale) rechtspraak onze vragen beantwoorden? We weten

sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 16 juni 1995, door Juristenvereniging
Pro Vita aangespannen, dat het geoorloofd is om onder bepaalde voorwaarden
een regeling tot stand te brengen die afbreking van zwangerschap mogelijk
maakt.19 De vraag die toen niet beantwoord werd is of ongeborenen recht op leven
hebben
zoals beschreven in art. 2 EVRM. In de uitspraak van het EHRM van 13
mei 1980 is vastgesteld dat de ongeboren vrucht geen absoluut recht op leven
toekomt
omdat dit zou kunnen betekenen dat het recht van de vrucht zwaarder zal
wegen dan dat van de vrouw, hetgeen vanuit het oogpunt van het doel van het
EVRM
als onwenselijk wordt beschouwd.20
In een uitspraak van het EHRM van 8 juli 2004 kwam onder andere de vraag
aan de orde of een ongeboren vrucht een persoon in de zin van art. 2 EVRM kon
zijn.21 Het Hof constateerde dat hierover in Europees verband geen consensus
bestaat tussen de verdragspartijen. Op zijn best kan men zeggen dat er een
eenstemmigheid bestaat over de gedachte dat een embryo tot de menselijke soort
gerekend kan worden. Het Hof stelt tevens dat in verschillende landen, waaronder
Frankrijk (een van de procespartijen in dit geschil) aan ongeborenen bepaalde
rechten worden verleend bijvoorbeeld met het oog op erfenissen, maar dat ze
daardoor nog geen persoon worden.22 Uiteindelijk komt het Hof tot de slotsom
dat het wenselijk noch mogelijk is om de vraag te beantwoorden of de ongeboren
vrucht een persoon in de zin van art. 2 EVRM is.23
Wat een mooie gelegenheid had kunnen zijn om duidelijkheid te verschaffen
over de status van het ongeboren leven loopt dus met een sisser af. Het
Hof legt de bal terug bij de politiek, lidstaten worden vrijgelaten om
hun eigen
standpunt over abortus te vormen. Het feit dat het Hof zich verschuilt
achter de mogelijke onwenselijke consequenties24 vind ik een zwak argument.
Wanneer de uitkomst van een rechterlijke uitslag als onwenselijk wordt ervaren,
dan
kunnen de bevoegde instanties toch eenvoudigweg de ontstane situatie
repareren met nieuwe wetgeving?

CONCLUSIE

Het geheel overziend kunnen we concluderen dat wetgever en rechter uiterst

terughoudend zijn in het doen van duidelijke uitspraken wat wel en wat
niet kan. De vraag in hoeverre een ongeborene recht op leven heeft blijft
hierdoor onbeantwoord. Onze wetgever wenst niet aan te geven wanneer
een vrouw zich
in een noodsituatie bevindt. Toch wil zij, althans op papier, wel aan
de belangen van het ongeboren leven tegemoet komen. Zij laat deze belangenoverweging
in
zijn geheel aan de vrouw zelf over. Dat lijkt mij geen ‘appropriate legal
protection’ waarover in het IVRK wordt gesproken. Maar zoals gezegd gaat
ook de rechter niet vrijuit. Volgens de hoogste Europese rechter lijkt
het onmogelijk en onwenselijk om een uitspraak te doen over het recht
op leven van ongeborenen. Zo wordt een discussie over een belangrijk
onderwerp min of
meer de mond gesnoerd. Hoe kunnen wij kritiek hebben als de politiek
haar verantwoordelijkheid niet neemt en de rechter geen uitspraak wil
doen?
Met deze vraag zal de politiek
aan de slag moeten gaan. Zij moeten het recht op leven van ongeborenen
op de agenda zetten. De critici die van betutteling spreken moeten
ervan overtuigd worden dat het recht op leven wel degelijk een noodzaak
is!

NOTEN

1.
Deze vraag is gesteld en ook beantwoord door Staatssecretaris
Ross-van Dorp (VWS) zie Aanhangsel Handelingen II, 2006/07,
nr 627.
2.
J. de Bruin, Geschiedenis van de abortus
in Nederland (diss.),
Amsterdam: Van Gennep 1979, p. 94.
3.
J. de Bruin, Geschiedenis van de abortus
in Nederland (diss.),
Amsterdam: Van
Gennep 1979, p. 88.
4.
Coalitieakkoord CDA/PvdA/CU 7 februari 2007, p. 42.
5.
Kamerstukken II 1979/80 15 475 nr 6 p. 41.
6.
Kamerstukken II 1978/79 15 475, nrs 1-4, p. 101; kamerstukken
II 79/79 15 475
nrs 1-4 p.15-16.
7.
M.R.M. Visser e.a., Evaluatie wet afbreking
zwangerschap, Den
Haag: ZonMw 2005,
p. 37.
8.
Kamerstukken II 1979/80, 15 475, nr. 6, p. 21.
9.
Zie Aanhangsel Handelingen II, 2003/04, nr 2016 en Aanhangsel
Handelingen II,
2003,04, nr 2221.
10.
M.R.M. Visser e.a., Evaluatie wet afbreking
zwangerschap, Den
Haag: ZonMw 2005,
p. 147.
11.
J.S. Reinders, De Bescherming van het ongeboren
leven, morele en godsdienstige
overwegingen bij experimenten met menselijke embryo’s, Baarn: Ten Have
1993, p. 92.
12.
H.J.J. Leenen, Handboek gezondheidsrecht.
Deel I Rechten van mensen in de gezondheidszorg, Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van
Loghum 2000, p. 130-140.
13.
J.S. Reinders 1993, p. 104 (zie noot 11).
14.
J.S. Reinders 1993, p. 110 (zie noot 11).
15.
Coalitieakkoord CDA/PvdA/CU 7 februari 2007, p. 37.
16.
Werk aan de winkel voor de VVD in de oppositie
digitaal te raadplegen via: http://www.vvd.nl/index.aspx?FilterId=974&ChapterId=1147&ContentId=6307
17.
Kamerstukken II, 1979/80, 15 475, nr. 6, p. 5-6.
18.
P.W. Smits, The right to life of the unborn
child in international documents, decisions and opinions, Bedum: Scholma Druk 1992,
p. 51
19.
HR 16 juni 1995, NJ 1997, 131 (Pro Vita; m.nt. E.A. Alkema).
20.
EHRM 13 mei 1980, X/Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 8416/79.
(http://www.echr.coe.int.)
21.
EHRM 8 juli 2004, AB 2005, 10 (Vo tegen
Frankrijk; m.nt. B.C.
van Beers).
22.
Idem, paragraaf 84.
23.
Idem, paragraaf 85.
24.
Denk hierbij niet alleen consequenties voor het
abortusvraagstuk maar ook aan de gevolgen voor vraagstukken i.v.m.
embryonaal onderzoek
zie bijv: B.C. van
Beers,’De mysterieuze status van het embryo’, NJB 2005/13, p. 678
e.v

 

* * * * *

 

 

 

 

 

Vandaag is het

 

Meest recente wijziging

14 June, 2015 15:19 

 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Abortus: recht op leven, noodzaak of betutteling? – Roland van den Berg

Abortus provocatus in Nederland: redenen om gerust te zijn? – Mgr. Dr W.J. Eijk

      PVH 14e jaargang – 2007 nr. 1/2, p. 025-028 Abortus provocatus in Nederland: redenen om gerust te zijn? Mgr. Dr W.J. Eijk Bisschop van Groningen, arts en moraaltheoloog…

 

 

 

PVH 14e
jaargang – 2007 nr. 1/2, p. 025-028 Abortus provocatus in Nederland: redenen om gerust te zijn?

Mgr.

Dr W.J. Eijk

Bisschop van Groningen, arts en moraaltheoloog

 

In oktober vorig jaar verscheen de rapportage van

de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de zwangerschapsafbrekingen
die
in 2005 in ons land zijn verricht. In het begeleidend schrijven waarmee
het rapport aan de minister van Volkgezondheid, Welzijn en Sport is
aangeboden, staat de conclusie te lezen dat de huidige registratie van
zwangerschapsafbrekingen op onderdelen te wensen overlaat en worden
aanbevelingen tot verbetering ervan gedaan. Het totale aantal zwangerschapsafbrekingen
stabiliseert in de afgelopen jaren. Voorts komt de Inspectie tot de
bevinding dat de zorgvuldigheidsvereisten voor het verrichten van een
abortus provocatus, zoals vastgelegd in de Wet afbreking zwangerschappen
en het Besluit afbreking zwangerschappen goed worden nageleefd. Is er
bijgevolg alle reden om gerust te zijn?

1. DE CIJFERS

In 2005 ging het om 32.982 abortussen (inclusief overtijdbehandelingen),

dat wil zeggen 1,1% minder dan het aantal abortussen in 2004, zo wordt
in de samenvatting vermeld.1 Op het eerste gezicht een vooruitgang.
In 1980 lag het totale aantal geregistreerde abortussen op 56.400. Dit
daalde tot 28.685 in 1995, waarna in 2000 een stijging optrad tot 33.335.
Sindsdien varieert het aantal abortussen tussen de ± 33.000 à 34.000
per jaar.2 Het
lijkt er in eerste instantie niet op dat na het van kracht worden van
de Wet afbreking zwangerschap in 1984 het aantal abortussen
is toegenomen.

Een andere analyse van het totale aantal levert echter belangrijke aanvullende

informatie op. Het blijkt dat de daling van het totale aantal vooral
neerkomt op de afname van het aantal in het buitenland (waaronder Duitsland,
België/Luxemburg en Spanje3)
woonachtige vrouwen dat in ons land een abortus provocatus ondergaat.
Hun aantal is van 36.700 in 1980 drastisch
gedaald tot 4.200 à 4.300 in de afgelopen jaren. Dit houdt in
dat het aantal Nederlandse vrouwen dat abortus laat plegen, is gestegen:
van 19.700 in 1980 tot 28.738 in 2005. Ook dit getal heeft zich sinds
2000 gestabiliseerd. Het laatste lijkt geruststellend en dat zou ook
gelden voor het Nederlandse abortuscijfer (het aantal abortussen per
1000 in Nederland woonachtige vrouwen in de vruchtbare leeftijd, 15-44
jaar), dat licht is gedaald: in 2005 bedroeg het 8,6, dat is 0,1 minder
dan in 2004.4 Overigens
varieert het abortuscijfer van 2002 tot 2005 tussen de 8,5 en 8,7. Men
kan dus niet spreken van een daling die zich
doorzet.

Genoemde getallen moeten echter worden afgezet tegen een ander gegeven,

namelijk het feit dat het aantal levend geboren kinderen in Nederland
sterk is gedaald in de afgelopen jaren (van 200.297 in 2003 naar 187.884
in 2005) als gevolg van het feit dat minder vrouwen zwanger worden.
Dit zou naar verwachting met een navenante daling van het aantal abortussen
gepaard moeten gaan, maar dat blijkt niet het geval. De abortusratio
(het aantal abortussen per 1000 levendgeborenen) is toegenomen: van
93 in 1990 tot 153 in 2005. Parallel hieraan steeg het aantal abortussen
per 100 zwangerschappen: van 9,9 in 1995 tot 13,3 in 2005. Ook al blijft
het totale aantal abortussen de laatste jaren grosso modo gelijk, er
is in zekere zin wel sprake van een relatieve stijging van het aantal
abortussen bij in Nederland woonachtige vrouwen, als we kijken naar
het aantal levendgeborenen en het aantal zwangerschappen.5

Vaak wordt erop gewezen dat het aantal abortussen in Nederland tamelijk

laag is in vergelijking met diverse andere landen. De abortusratio in
Nederland is vergelijkbaar met die in België, Ierland, Spanje en
Zwitserland (tussen ± 7,0 en ± 9,0). Hiertegen steken
landen als Australië, Bulgarije, Hongarije, Nieuw-Zeeland, Verenigde
Staten en Zweden met een abortusratio van rond of boven de 20,0 ongunstig
af. In de Russische Federatie ligt de abortusratio zelfs boven de 50,0.6 Waarschijnlijk
zijn diverse factoren verantwoordelijk voor deze verschillen. Sociaal-economische
factoren hebben een groot aandeel.

Tevens wordt een laag abortuscijfer toegeschreven aan het gebruik van

anticonceptiva. In Nederland krijgen meisjes vanaf 13 à 14 jaar
vaak de anticonceptiepil voorgeschreven. Dit zal zeker bijdragen aan
de vermindering van het aantal tienerzwangerschappen.7 Nog
afgezien van de principiële bezwaren tegen anticonceptie rijst
de vraag of men daarmee geen hoge prijs betaalt voor de vermindering
van het abortuscijfer:
de verstrekking van anticonceptiva aan jeugdigen kan door hen worden
opgevat als een vrijbrief voor het aangaan van seksuele betrekkingen
op een leeftijd waarop zij aan een integratie van hun seksualiteit in
de blijvende liefdesband van het huwelijk nog niet toe zijn. Dat kan
hun groei op dit gebied in de weg staan. In dit verband is het tevens
zaak het verleden niet uit het oog te verliezen: eerst vond de invoering
van de pil plaats aan het begin van de jaren zestig. Dit leidde in de
tweede helft van dat decennium tot de roep om de legalisering of het
toestaan van abortus provocatus in het geval dat anticonceptie had gefaald.
Het fenomeen van de ongewenste zwangerschap kreeg juist door de invoering
van de hormonale anticonceptie extra nadruk.

2. NALEVING VAN DE WET AFBREKING ZWANGERSCHAP

Een andere conclusie van de evaluatie is dat de Wet afbreking zwangerschap

in het algemeen goed wordt nageleefd. De verplichte beraadtermijn van
vijf dagen (Waz art. 3) is weliswaar in verreweg de meeste gevallen
in acht genomen, maar in 1.247 gevallen was dat niet het geval. Een
groot deel daarvan betrof niet als zodanig separaat geregistreerde overtijdbehandelingen
waarvoor geen beraadtermijn geldt.8 Bovendien
waren er enkele gevallen waarin abortus plaatsvond binnen een termijn
van 6 dagen om een dreigend
gevaar voor het leven of de gezondheid van de moeder af te wenden (vgl.
art. 16,2). Exacte getallen hieromtrent verstrekt de rapportage echter
niet. Een definitieve conclusie valt daardoor niet te trekken.

Ten aanzien van andere zorgvuldigheidsvereisten kan men echter gerede

vragen stellen bij de rapportage. De Waz (art. 5,2,a) vereist dat de
arts aan de vrouw verantwoorde voorlichting verstrekt over andere oplossingen
voor haar noodsituatie dan een abortus. Het evaluatierapport geeft geen
uitsluitsel over de vraag of aan deze plicht is voldaan. Wel wordt aangegeven
dat er onvoldoende inzicht is in de frequentie van consultatie van andere
deskundigen. In ruim 90% vond geen overleg met andere deskundigen plaats.9 Aan
welke alternatieve oplossingen voor de noodsituatie van de vrouw valt
te denken? Factoren die de zwangere vrouw in een noodsituatie kunnen
doen belanden, zijn bijvoorbeeld financiële moeilijkheden, problemen
met onderdak als zij door haar familie wordt verstoten of door de man
die haar zwanger heeft gemaakt in de steek is gelaten, en ook psychische
stress. Naast principiële bezwaren tegen abortus provocatus kan
men zich afvragen of afbreking van de zwangerschap de enige oplossing
voor de noodsituatie van de vrouw is. Financiële bijstand, hulp
en opvang bij het zoeken van onderdak, psychologische en ook pastorale
begeleiding kunnen de vrouw in staat stellen de zwangerschap uit te
dragen. Als zij het kind niet kan of wil houden na de bevalling, kunnen
de mogelijkheden voor het afstaan ervan worden bekeken. Het uitdragen
van de zwangerschap mag dan onder omstandigheden belastend zijn, het
ondergaan van een abortus, zeker een instrumentele, is ook een niet
te onderschatten belasting voor de vrouw. In een aantal gevallen draagt
zij tot in lengte van jaren daarvan de psychische gevolgen. Het is de
vraag of de arts wel alle deskundigheid in huis heeft om de vrouw adequaat
in te lichten over de alternatieve mogelijkheden. In de meeste gevallen
zal hij daarvoor andere deskundigen moeten raadplegen. Omdat het laatste
in ruim 90% van alle abortussen achterwege wordt gelaten, ligt de gedachte
voor de hand dat aan de zorgvuldigheidseis dat de vrouw verantwoorde
voorlichting ontvangt over alternatieven voor abortus, in de praktijk
niet wordt voldaan (is dit op basis van de letterlijke tekst van de
Wet afbreking zwangerschap strikt formeel niet het geval, dan toch minstens
materieel).

Een andere zorgvuldigheidseis betreft de noodsituatie waarin de vrouw

als gevolg van de zwangerschap is komen te verkeren. De arts mag alleen
een abortus provocatus verrichten “indien de noodsituatie van
de vrouw die onontkoombaar maakt” (Waz art. 5,1). Nadere criteria
voor het vaststellen van een noodsituatie zijn niet gegeven. Die konden
dus ook niet worden geëvalueerd. De eis dat abortus alleen plaatsvindt
als de zwangerschap de vrouw in een noodsituatie brengt, is de peiler
van de Waz. Het feit dat nadere criteria voor de noodsituatie ontbreken,
maakt een evaluatie van de Waz in essentie onmogelijk. Het Radio-1 programma ‘De
Ochtenden’ van de Evangelische Omroep berichtte in december 2006
dat drie à vier jaar geleden enkele malen een abortus provocatus
wegens schisis (hazenlip) was verricht in het Amsterdams Medisch Centrum.
Het ging om een zeldzaamheid, maar de vraag rijst toch of een chirurgisch
corrigeerbare afwijking van het ongeboren kind de vrouw in een zodanige ‘noodsituatie’ kan
brengen dat een abortus provocatus gerechtvaardigd is. Sinds begin vorig
jaar wordt aan alle zwangere vrouwen in Nederland bij 12 en bij 20 weken
standaard een echografie aangeboden, die onderdeel uitmaakt van het
basispakket en daarom door de ziektekostenverzekeraars wordt vergoed.
Het doel is de kindersterfte terug te dringen: is prenataal een afwijking
vastgesteld, dan kan in een aantal gevallen na de geboorte tijdig behandeling
worden ingesteld. De vrees bestaat dat het vroegtijdig ontdekken van
diverse afwijkingen vóór de geboorte zal leiden tot een
stijging van het aantal abortussen vanwege relatief lichte en behandelbare
lichamelijke handicaps.10 Hoe
dan ook, er tekent zich een tendens af steeds lichtere afwijkingen te
ervaren als een onaanvaardbare aanslag op de
kwaliteit van leven van het kind, die een zodanige noodsituatie bij
de moeder veroorzaakt, dat abortus provocatus de enige uitweg is. Een
aantal jaren geleden maakte de Evangelische Omroep geheime opnamen van
gesprekken tussen diverse abortusartsen en een zwangere actrice die
voorwendde dat zij haar kind wenste te laten aborteren. De uitzending
ervan werd door de rechter verboden, maar wat desalniettemin via de
media naar buiten kwam was onthutsend: dat als gevolg van de zwangerschap
een geplande vakantie niet kon doorgaan, bleek voldoende aanleiding
om van een noodsituatie te spreken en het ongeboren kind af te drijven.
Omdat nadere criteria voor het vaststellen van een noodsituatie ontbreken,
is de evaluatie van de toepassing van dit begrip ter rechtvaardiging
van abortus provocatus ondoenlijk. Hoe vaak abortus plaatsvindt vanwege
een bij prenatale diagnostiek vastgestelde aandoening of handicap weten
we niet, omdat bij de registratie geen onderscheid wordt gemaakt tussen
een ‘sociale’ en een ‘medische’ indicatie. De
samenstellers van de jaarrapportage 2005 van de Wet afbreking zwangerschap
pleiten daarom voor verplichte registratie van de indicatiestelling
op basis van genoemd onderscheid.113. HET UITGANGSPUNT VAN DE WET AFBREKING ZWANGERSCHAP

De Nederlandse Wet afbreking zwangerschap beoogt een balans te creëren

tussen de autonomie van de vrouw en de rechtbescherming van het ongeboren
kind. De waarborgen voor het laatste zouden moeten liggen in zorgvuldige
besluitvorming. Uit het bovenstaande zou men zich met betrekking tot
de zorgvuldigheid de nodige vragen kunnen stellen. Maar daar nog vanaf
gezien, is er een fundamenteler probleem: de autonomie van de vrouw
en het leven van het ongeboren kind zijn niet van dezelfde orde:
1. Autonomie of meer algemeen vrijheid mag dan een hogere waarde zijn
dan het leven, maar staan blijft dat het leven een fundamentele waarde
is: zonder leven is er geen autonomie.
2. Men zou niet de autonomie van de vrouw tegenover het leven van het
ongeboren kind, maar tegenover diens autonomie moeten zetten. Dit klinkt
veel mensen waarschijnlijk vreemd in de oren, omdat zij – vaak
zonder zich er bewust van te zijn – menen dat pas van een mens
of menselijke persoon sprake kan zijn als er een rationeel bewustzijn
is en een vermogen tot nemen van autonome beslissingen. Dit is de visie
van onder meer de populaire en veel gelezen Australische filosoof Peter
Singer. Zij impliceert dat ongeboren en pasgeboren kinderen geen menselijke
personen zijn met alle rechten van dien. Echter, ook al kunnen geestelijke
vermogens zoals het denken en het nemen van autonome beslissingen door
onvoldoende rijping van de hersenen nog niet tot uiting komen, de aanleg
is er. En het kind zal tot een menselijk bewustzijn en tot autonomie
komen, tenzij het die mogelijkheid wordt ontnomen. Ruim tien jaar geleden
nam ik deel aan een aflevering van het discussieprogramma Arena over
prenatale diagnostiek. Nadat een van de aanwezigen de mogelijkheid van
abortus na vaststellen van een afwijkingen van de foetus had geopperd,
kwam er direct fel protest van een tiental gehandicapten die eveneens
aan het programma deelnamen. Als vóór hun geboorte besloten
was hen te aborteren, dan zou dat in ieder geval tegen hun wil zijn
geweest. Een maatschappij moet niet accepteren dat de autonomie van
iemand wiens autonomie tot expressie is gekomen, ten koste gaat van
de autonomie van een ander, wiens autonomie nog tot expressie moet komen.
En zal de aanleg tot autonomie die er gezien zijn geestelijk levensprincipe
toch is, door ernstige hersenafwijkingen nooit tot expressie komen,
dan blijft het ongeboren kind een mens wiens leven een intrinsieke waarde
is en daarom niet moet worden opgeofferd om aan een noodsituatie een
einde te maken.
3. Een derde aspect is dat autonomie nooit absoluut is, maar relationeel.
Mensen zijn in het realiseren van hun autonomie altijd op anderen aangewezen.
Het mag niet zo zijn dat een (tijdelijke) situatie waarin een mens volkomen
afhankelijk van anderen is, zoals die zich bij de zwangerschap voordoet,
verleidt tot het volkomen negeren van zijn autonomie.

De Nederlandse Stichting Women on Waves probeert met de abortusboot

Aurora overal ter wereld abortus door te drukken, vooral in die landen
waar de wet geen abortus toelaat. De Stichting is een groot voorstander
van de absolute autonomie van de moeder, maar wijst tevens op de realiteit
dat veel vrouwen kiezen voor clandestiene abortus als de mogelijkheid
voor een professioneel verrichte abortus (abortus provocatus lege artis)
ontbreekt. Van de 46 miljoen abortussen per jaar op wereldschaal wordt
waarschijnlijk een 20 miljoen uitgevoerd op onveilige wijze, vaak met
vervelende complicaties.12 Mondiaal
gezien blijkt het aantal abortussen niet met het strafrecht samen te
hangen. Dit aantal ligt soms hoog in
landen met een strenge abortuswetgeving. Dit hangt echter eerder samen
met het ontbreken van adequate hulpverlening en opvang voor vrouwen
die door hun zwangerschap in moeilijkheden raken, dan door het strafrecht.
Legalisering van abortus kan dan alleen maar het creëren van goede
hulpverlening aan zwangere vrouwen die ondanks de moeilijkheden de zwangerschap
op zich zouden willen uitdragen, ontmoedigen. Een vergelijking kan worden
getrokken met de sociale kwestie in de tweede helft van de negentiende
eeuw: als iedereen de sociale problematiek maar als de gegeven realiteit
had beschouwd en het daarbij had gelaten, was er niets veranderd. Goede
opvang en hulpverlening kunnen ook in landen die nu een hoog aantal
abortussen kennen, vrouwen van clandestiene abortus weerhouden en ertoe
brengen de zwangerschap uit te dragen.

4. STELLINGEN

 

1.
Het
totale aantal abortussen mag dan sinds het van kracht
worden van de Wet afbreking zwangerschappen verminderd
zijn, dat onder in Nederland woonachtige vrouwen is in
dezelfde periode gestegen.
2.
Ondanks
dat het aantal abortussen zich stabiliseert, is er sprake
van een relatieve stijging, gelet op de snelle daling
van het aantal levend geborenen en het aantal zwangerschappen.
3.
Of
aan de zorgvuldigheidseis dat de arts aan de vrouw adequate
informatie verstrekt over andere oplossingen voor haar
noodsituatie dan een abortus wordt voldaan, kan men betwijfelen
op grond van het feit dat slechts in een kleine 10% van
de gevallen een andere deskundige wordt geconsulteerd.
4.
De
Wet afbreking zwangerschap valt in essentie niet te evalueren,
doordat voor de peiler van deze wet, namelijk de noodsituatie
van de vrouw die voor een abortus vereist is, geen nadere
criteria zijn gegeven.
5.
De
Wet afbreking zwangerschap beoogt een evenwicht te bereiken
tussen de autonomie van de vrouw en de rechtsbescherming
van het ongeboren kind. De autonomie van de vrouw en
het leven van het kind zijn echter geen waarden van dezelfde
orde die men tegen elkaar kan afwegen.
6.
Het
feit dat zoveel gehandicapten moeite hebben met abortus
provocatus na het vaststellen van aandoeningen van het
ongeboren kind door middel van prenatale diagnostiek,
zou aanleiding moeten zijn om de autonomie van de moeder
ook eens te plaatsen tegenover de in de toekomst tot
expressie komende autonomie van het ongeboren kind. Dan
vergelijkt men tenminste waarden van dezelfde orde.
7.
Autonomie,
ook die van de vrouw, is altijd relationeel en nooit
absoluut.
8.
Dat
een mens (tijdelijk) van een ander volslagen afhankelijk
is, mag er niet toe leiden dat zijn (toekomstige) autonomie
volstrekt wordt genegeerd.

NOTEN

1.
Jaarrapportage
2005 van de Wet afbreking zwangerschap,
Den Haag, 2006, p. 7.
2.
Ibid.,
Tabel 1, p. 13.
3.
Ibid.,
Bijlage 1, p. 35.
4.
Ibid.,
p. 16.
5.
Ibid.,
pp. 16-17.
6.
Ibid.,
Tabel 3, p. 18.
7.
Ibid.,
p. 20.
8.
Ibid.,
p. 27; overigens wordt in de
rapportage bepleit de overtijdbehandeling
ook onder de registratieplicht betreffende
abortus provocatus te laten vallen,
omdat in tegenstelling tot de periode waarin de Wet zwangerschapsafbreking tot
stand kwam, een vroege zwangerschap nu met zekerheid gediagnosticeerd kan worden,
Ibid., p. 31.
9.
Ibid.,
Tabel 11, p. 27.
10.
W.
van der Bles, “Niet handicap maar nood van de vrouw
telt,” Trouw(2006), 12 december, p. 3; S. Becker, “Prenataal onderzoek voorkomt kindersterfte,” Ibid.;
W. van der Bles, “Zwangere wordt getest zonder protocol,” Trouw (2006),
16 december, p. 4
11.
Jaarrapportage
2005 van de Wet afbreking zwangerschap,
op. cit., p. 31.
12.
World
Health Organization, Safe Abortion: Technical and Policy
Guidance for Health Systems, Genève, 2003, p. 12 en
14.

 

* *

* * *
 

 

 

 

 

Vandaag is het

 

Meest recente wijziging
14 June, 2015 15:11 

 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Abortus provocatus in Nederland: redenen om gerust te zijn? – Mgr. Dr W.J. Eijk

Type uw zoekwoord in onderstaand veld. Druk hierna op enter/return om te zoeken