MC, 1 november 2018, interview.

Auteur: Eva Nyst:  “Voor Paul Frissen is euthanasie een staatsmonopolie, geen artsenzaak”

Met de ‘nette regeling’ van de euthanasiewet denken Nederlanders het levenseinde goed geregeld te hebben. Maar de dood is in alle culturen taboe en dat is juist goed, betoogt politicoloog Paul Frissen.

Politicoloog Paul Frissen is niet rouwig om de daling van het aantal euthanasiegevallen, waarover dagblad Trouw eind oktober berichtte. ‘Vingers wezen beschuldigend naar het Openbaar Ministerie dat strafrechtelijke onderzoeken is gestart naar vijf euthanasiegevallen. Maar nergens las ik het commentaar dat dit een goede ontwikkeling is’, zegt Frissen. De immer stijgende euthanasiegetallen tonen het bekende fenomeen dat legalisering leidt tot normalisering. ‘Het is bekend dat artsen altijd aan merciful killing hebben gedaan, bijvoorbeeld op het slagveld, of in het ziekenhuis. Het gebeurt zelfs in het Vaticaan, vertelde iemand die ik voor mijn boek interviewde. Maar als je het binnen de rechtsorde organiseert, dan gaat het ook normaal worden.’

Maar het doden van mensen kan en mag niet normaal worden, stelt Frissen. ‘Vraagstukken van leven en dood zijn in alle culturen onderwerp van taboe, dat is een antropologische basisstructuur. Het interessante van de moderne tijd is, dat we denken dat we aan taboes voorbij kunnen gaan. Daar is Nederland een extreem voorbeeld van. We denken dat we de dood uit de taboesfeer kunnen halen door het netjes te regelen.’ Onmogelijk, stelt de hoogleraar. ‘Het fundamentele onbegrip is een wezenlijk kenmerk van onze verhouding tot de dood. Een mens kan nooit begrijpen waarom hij bestaat en nooit begrijpen waarom hij doodgaat. Daar hebben we allerlei antwoorden voor verzonnen: religie, symboliek, rituelen en taboes. De dood kan geen onderdeel zijn van een protocol of een beslisboom. En dat moet wel als je het regelt.’

We denken dat we transparant zijn over het levenseinde, maar intussen is de dood in het gedrang gekomen met het wegvallen van rituelen, zegt Frissen. ‘We proberen grip te krijgen door de dood bespreekbaar te maken en via euthanasie zelf te bepalen wanneer we sterven. Maar de enorme behoefte aan symboliek en ritueel is nooit weggeweest. Ik zie dat bijvoorbeeld aan de booming business van allerlei verschillende soorten uitvaartbedrijven of aan de vele kruisjes langs de weg.’ Dat tegelijkertijd van alle meldingen bij de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) slechts 5 procent van de patiënten zelf het drankje neemt of het infuus openzet, vindt Frissen veelzeggend. ‘Kennelijk is datgene wat je echt wilt, sterven, toch niet iets wat je bij jezelf wilt veroorzaken. Het doodsverlangen wordt geconfronteerd met de stervensangst. Mijn conclusie is dat dit onoplosbaar is, dat moeten we zien te verdragen. De instrumentele, rationele benadering is dan een uiterst armoedige.’

Geweldsmonopolie

Frissen is hoogleraar in Tilburg, maar zetelt in Den Haag. Daar huist in een statig pand om de hoek van het Binnenhof de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, waarvan hij decaan en bestuursvoorzitter is. Het Openbaar Ministerie is een ‘goede klant’ van de onderwijsinstelling en zo vond hij procureur-generaal Rinus Otte – portefeuillehouder medische zaken en euthanasie – bereid om bij de presentatie van zijn boek commentaar te leveren, tezamen met Kamerleden Pia Dijkstra en Kees van der Staaij. Eerder al schreef Frissen boeken over thema’s als transparantie, tragiek en geheimen. In de periode dat hij het plan had om een boek te schrijven over de staat en het taboe, gaf Paul Schnabel les aan zijn instelling en vertelde over zijn voorzitterschap van de commissie Voltooid Leven. ‘Toen had ik het perspectief voor mijn taboeboek gevonden’, zegt Frissen. Zijn betoog heeft géén ethische invalshoek, maar bevat een politiek-filosofische benadering van het doden op verzoek, benadrukt de hoogleraar. Hij vraagt zich niet af wat goed of fout is, zoals een ethicus. Frissen werpt een bestuurskundige vraag op: ‘Kan de staat zijn monopolie op geweld eigenlijk wel delen met burgers, in dit geval artsen?’

Wie mag geweld uitoefenen en wie niet?

Op zoek naar het antwoord op die vraag sprak Frissen met voor- en tegenstanders van levensbeëindigend handelen: medici, wetenschappers, ambtenaren, politici, juristen en bestuurders. Het werd hem al snel duidelijk dat hij niet de medisch-ethische taal spreekt die gebruikelijk is in de euthanasiediscussie. ‘Als ik spreek over “doden”, word ik regelmatig gecorrigeerd. Het is geen “doden” zoals bedoeld in het geweldsmonopolie, en het is evenmin een “uitoefening van geweld”’, beschrijft Frissen. Zijn gesprekspartners noemen het liever ‘helpen sterven’ of ‘iemand uit het lijden verlossen’, waarbij euthanasie niet wordt ‘gepleegd’, maar ‘verleend’, ‘gegeven’ of ‘uitgevoerd’.

Deze tegenwerpingen brengen Frissen niet van zijn standpunt om euthanasie te zien als geweld. En de enige die in onze samenleving geweld mag uitoefenen – de burger in een noodsituatie uitgezonderd – is de staat; dat noemen we het geweldsmonopolie, legt hij uit. De staat kan soldaten en politiemensen opdracht geven om vijanden en zelfs bedreigende burgers te doden. Dat artsen als autonome beroepsbeoefenaren ook levensbeëindigend mogen handelen, rijmt niet met het uitgangspunt dat de staat het monopolie heeft, concludeert Frissen. Dit alleenrecht als vertrekpunt tekent ook de publieke discussie over het doden door dokters. ‘Zeggen dat het in de privésfeer thuishoort, is geen oplossing. Dit is het hart van waarover je het als politieke gemeenschap moet hebben: wie mag geweld uitoefenen en wie niet? Het moet niet als een beschavingsoperatie worden gezien dat dit tot het domein van de zelfbeschikking gaat behoren.

Strenger toezicht

Enige zendingsdrang is Nederland – met zijn liberale klimaat voor zaken als leven en dood – niet vreemd, zegt Frissen: ‘Het slechten van taboes wordt gezien als een vorm van beschaving en Nederland heeft als “gidsland” de curieuze gewoonte daar missionaire pretenties aan te verbinden.’ Maar het gaat om universele vraagstukken en Frissen noemt het hoogmoedig om te denken dat Nederland daarvoor een unieke en meest beschaafde oplossing heeft gevonden. ‘Met de “nette regeling” voor euthanasie, halen we alle normalisering en instrumentalisering gratis binnen. Hoewel er via de toetsingscommissies toezicht wordt uitgeoefend, krijgen burgers toch de indruk dat het onderdeel is geworden van het normaal medisch handelen. Dan wordt uiteindelijk de Levenseindekliniek de standaard, zoals we ook abortusklinieken hebben.’

‘Burgers krijgen de indruk dat euthanasie normaal medisch handelen is’

In zijn boek komt Frissen niet tot beleidsaanbevelingen, ‘dat moeten politici zelf maar verzinnen’, maar in dit interview wil hij wel wat conclusies trekken. Het toezicht op euthanasie moet strenger worden, juist omdat het een monopolie is van de staat, vindt hij. ‘En ik ben er voorstander van dat de beoordeling niet meer door een vorm van lekenrechtspraak gebeurt, zoals nu in de toetsingscommissies, maar door de reguliere rechtspraak. Zware oordeelsvorming over strafrechtelijk handelen ligt in bijna alle domeinen bij het strafrecht en niet bij leken. Dat heeft ook een symbolische reden: om het zwaar te houden.’ Frissen wil verder dat euthanasie vooraf wordt getoetst. ‘Als het vooraf door de rechter wordt beoordeeld, wordt de dokter gelegitimeerd door de staat. De staat krijgt zo een veel explicietere rol en wordt opdrachtgever. Voor de dokter betekent dit dat hij doodt namens de staat. Nu is dat niet zo; het is vrij, professioneel handelen.’

Taboesfeer helpt

Zijn aanpak maakt de zaak voor dokters niet ingewikkelder, voorspelt Frissen. ‘Óf alles wordt nog liberaler, we krijgen een regeling voor voltooid leven en de burger mag zelf gaan beoordelen wat ondraaglijk lijden is. Dan zal de euthanasiewet snel verdwijnen. Dokters zullen een rol krijgen als uitvoeringsinstantie van door anderen afgevinkt lijden.’ Maar als de politiek het Frissen-scenario volgt, is de arts met een oordeel vooraf van de strafrechter off the hook. Zou Frissen de euthanasiewet misschien liever afgeschaft zien? Frissen: ‘Het is tamelijk ondenkbaar in de huidige omstandigheden dat we zouden ophouden met die wet, wetende dat het dan toch gewoon praktijk blijft. Dat zou raar zijn. Maar we moeten niet denken dat legalisering de oplossing is voor vraagstukken rondom de dood. De dood blijft wringen. De taboesfeer helpt, want een taboe heeft altijd betrekking op het onaanraakbare, het onbegaanbare en het onkenbare. Het taboe gaat zowel over het heilige als over het vuil in een samenleving. Leven en dood horen daar bij uitstek thuis en moeten daar ook blijven. Het is een manier om tragiek en hypocrisie te organiseren. We denken dat als we de prostitutie legaliseren en de klant gewoon een keurige btw-bon krijgt, dat het dan een nette bedrijfstak is geworden. In andere landen is prostitutie verboden, maar iedereen weet dat het overal voorkomt. Dan wordt er af en toe een lading prostituees gearresteerd en dan is de symbolische orde weer hersteld. Ik ben zuidelijk, onder de rivieren begrijpen we dat allemaal misschien wel beter.’

 

Paul Frissen (1955):

Politicoloog Paul Frissen is hoogleraar bestuurskunde aan Tilburg University en decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) in Den Haag. Deze week verschijnt zijn boek Staat en taboe – Politiek van de goede dood. Van zijn hand verscheen vorig jaar het spraakmakende DE FATALE STAAT.