Duiding
Levensbeëindiging door stoppen met eten en drinken

Het bewust weigeren van voedsel en vocht met het doel om het levenseinde te bespoedigen moet duidelijk worden onderscheiden van het ‘versterven als natuurlijk proces’ in de stervensfase.

Levensbeëindiging door te stoppen met eten en drinken wordt juridisch geduid met zelfdoding of poging tot zelfdoding. In Nederland zijn dit geen strafbare feiten. Een kerngezonde bejaarde met een authentiek doodsverlangen, kan helemaal zelf stoppen met eten en drinken. Dat sterven hoeft zich ook niet in eenzaamheid te voltrekken en kan straffeloos met medische begeleiding en relatief vrij van pijn en ongemak geschieden.

In 2015 hebben de artsenfederatie KNMG en beroepsvereniging van zorgprofessionals V&VN een gezamenlijke handreiking gepresenteerd: ‘Zorg voor mensen die bewust afzien van eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen’. In deze handreiking wordt het weigeren van eten en drinken door een patiënt vergeleken met het weigeren van een behandeling waar het overlijden op volgt, zoals het weigeren van toediening van antibiotica, beademing of palliatieve chemotherapie. In deze context wordt het weigeren van eten en drinken niet als zelfdoding beschouwd, maar als gebruikmaking van het zelfbeschikkingsrecht (conform de schriftelijke weigering van art. 7:450 BW/WGBO). Een hulpverlener of mantelzorger mag dan geen voedsel en vocht toedienen.

Het zal duidelijk zijn dat bewust weigeren van eten en drinken, met als doel het leven te beëindigen vragen oproept. Sommige artsen en organisaties wijzen namelijk op deze mogelijkheid, wanneer de patiënt bijvoorbeeld een huisarts heeft die geen euthanasie wil uitvoeren, of als de zorgvuldigheidscriteria die de Euthanasiewet noemt niet van toepassing zijn op de patiënt.

Kritische kanttekeningen
Gewetensbezwaarden

Het wordt binnen de gezondheidszorg algemeen erkend dat hulpverleners gewetensbezwaren kunnen hebben tegen het uitvoeren van bepaalde handelingen. Het niet betrokken willen zijn bij de voorbereiding of uitvoering van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding is een voorbeeld van zo’n situatie.

In tegenstelling tot euthanasie en hulp bij zelfdoding – in de zin van de Euthanasiewet- is er bij het bewust afzien van eten en drinken geen directe relatie tussen handelingen van de hulpverlener en het bespoedigen van het levenseinde. Wel kan worden betoogd dat de hulpverlener de patiënt faciliteert om het zelfgekozen levenseinde te bespoedigen. Dit kan gewetensbezwaren opleveren. Hulpverleners die gewetensbezwaren hebben, kunnen de zorg overdragen aan een collega. Zij moeten dan wel zorg blijven verlenen tot het moment van de overdracht (vanuit de plicht tot goed hulpverlenerschap conform art. 453 WGBO). Problematischer is het in bovengenoemde situatie voor onder meer hulpverleners en verpleegkundigen die in dienstverband werken. Het is dan moeilijk het beroep naar gewetensvrijheid uit te voeren, vooral als de werkgever het recht op gewetensvrijheid niet respecteert.

Versterven als natuurlijk proces

Versterven kan worden omschreven als het natuurlijke proces van uitdrogen in de laatste levensfase. De stervende patiënt gaat steeds minder eten en drinken, omdat het lichaam daaraan geen behoefte meer heeft. Het lichaam droogt vervolgens uit, de patiënt wordt steeds suffer en slaapt tenslotte in. Dit is een gebruikelijke wijze van sterven die veelvuldig voorkomt. Wanneer versterven op deze wijze wordt omschreven, roept dit in het algemeen geen vragen.

Versterven roept wel vragen op wanneer de uitdroging van de patiënt een gevolg is van onvoldoende zorg, bijvoorbeeld wanneer er te weinig tijd is om hem of haar voeding te geven.

Koppeling naar wet
Jurisprudentie

2007/23 Beklag ter zake van niet strafrechtelijk vervolgen wegens moord of levensbeëindiging op verzoek; geen gedwongen verstervingsproces: beklag afgewezen Gerechtshof ’s-Gravenhage (mrs. Noordam, Van den Broek en Van Strien) d.d. 5 april 2007.