TROUW, 15 JUNI 2018-06-30/ OPINIE

Auteur: Martin Buijsen, Hoogleraar Gezondheidsrecht Ersamus Universiteit Rotterdam

 

De huisarts verkeert in een benarde positie, stond vorige week in Trouw. Nu het Openbaar Ministerie een aantal euthanasiezaken onderzoekt terwijl steeds meer patiënten denken recht op euthanasie te hebben, lijkt de huisarts bekneld te raken tussen twee partijen.

Het OM, dat sinds de inwerkingtreding van de Euthanasiewet in 2002 nooit actie heeft ondernomen naar aanleiding van meldingen die door de Regionale toetsingscommissies euthanasie als onzorgvuldig zijn afgedaan, is er onlangs toe overgegaan maar liefst vijf van zulke gevallen te onderzoeken. Dreigende strafrechtelijke vervolging enerzijds, en anderzijds patiënten die meer en meer menen een wettelijk recht te hebben op levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, ook wanneer niet duidelijk is of wel aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan. Vooral verzoeken van patiënten die kampen met dementie of onder een stapeling van ouderdomsklachten gebukt gaan, stellen de huisarts voor problemen.

Jacob Kohnstamm

Bij wijze van oplossing stelde een van de geïnterviewde huisartsen voor om de toetsingscommissies vooraf te laten kijken naar discutabele euthanasieverzoeken, zodat de artsen weten waar zij aan toe zijn. Jacob Kohnstamm, de coördinerend voorzitter van de toetsingscommissies, deed daarop de volgende duit in het zakje: “De wetgever heeft dat in 2002 overwogen en naar mijn mening volledig terecht afgelegd. Euthanasie is een medische handeling, de arts is daarvoor zelf verantwoordelijk. Ga maar na: bij elke blindedarmontsteking of amputatie gaat hij toch ook geen toestemming vragen aan een filosoof? De arts beslist.”

Een verbijsterende reactie! Dat de wetgever met de Euthanasiewet voor artsen een bijzondere strafuitsluitingsgrond heeft gecreëerd, en uitsluitend voor artsen, wil nog niet zeggen dat euthanasie begaan door een arts een normale medische handeling is. Ware dat wel het geval, dan zou uiteraard ook de gedachte aan beoordeling achteraf door een toetsingscommissie potsierlijk zijn. Maar euthanasie is geen normale medische handeling. Iedere arts zal dat beamen, en niet alleen omdat hulp bij zelfdoding en levensbeëindiging op verzoek volgens het Wetboek van Strafrecht misdrijven zijn. Zo ook de huisartsen die in het artikel aan het woord komen. Wel geven zij te kennen grote druk te ervaren wanneer patiënten of hun naasten een beroep menen te kunnen doen op een recht op euthanasie. Zo’n recht is er nu eenmaal niet. Voor een arts die de moeilijke taak heeft zijn patiënt bij te staan op zijn of haar weg naar het levenseinde, komt het nooit gelegen om uit te moeten leggen dat er geen recht op euthanasie bestaat. Zoiets doet een arts-patiëntrelatie geen goed.

Een wettelijk recht?

Het punt is evenwel dat een arts dat niet zou hoeven doen. Als de leden van de Tweede Kamer zich in de komende maanden buigen over het vraagstuk, doen zij er goed aan na te gaan hoe het toch komt dat zovelen in dit land rondlopen met het idee dat euthanasie een wettelijk recht is. Enig zelfonderzoek is dan ook op zijn plaats. Het zijn toch echt niet allereerst de artsen die de Nederlandse burgers hierover goed te informeren hebben.

De politiek zal in de komende tijd duidelijk moeten maken hoe men verder wil met de Euthanasiewet. De rol van de toetsingscommissies zal daarbij bezien moeten worden. En wellicht ook die van hun voorzitter. Wat nu te denken van een voorzitter die euthanasie met de behandeling van een blindedarmontsteking vergelijkt? Patiënten die daaraan lijden, hebben inderdaad een wettelijk recht op behandeling.