Duiding
Late zwangerschapsafbreking, na 24 weken zwangerschap

Late zwangerschapsafbrekingen -na 24 weken zwangerschap- vallen in principe niet meer onder de Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ), maar wel onder het Wetboek van Strafrecht (WvSR).

Bij late zwangerschapsafbreking wordt een onderscheid gemaakt tussen een ongeborene waarvan de verwachting is dat het kind na geboorte niet buiten het moederlichaam kan overleven (zogenaamde categorie 1) en ongeboren kinderen die zulke ernstige aandoeningen hebben dat de kans op overleven beperkt is en medisch ingrijpen veelal zinloos (categorie 2).

Bij de categorie 1 aandoeningen gaat het om ernstig aangeboren aandoeningen waardoor het kind niet levensvatbaar is en dat ook niet zal worden, volgens heersend medisch inzicht.  Deze categorie valt niet onder de werking van art. 82a Wetboek van Strafrecht (dat artikel beoogt het ongeboren leven strafrechtelijk te beschermen). In deze gevallen is er dus geen sprake van strafbaar handelen en er hoeft niet te worden vervolgd. Het afbreken van een zwangerschap vanwege niet levensvatbaarheid van het kind valt wel onder de werking van art. 296 Wetboek van Strafrecht juncto Wet Afbreking Zwangerschap (noodsituatie van de vrouw en overige voorwaarden).

Bij categorie 2 aandoeningen is het ongeboren kind zelfstandig levensvatbaar, d.w.z. dat redelijkerwijze verwacht mag worden dat het kind in staat is buiten het moederlichaam te blijven leven; het gaat hierbij om een medisch oordeel. Deze categorie valt wel onder de werking van art. 82a Wetboek van Strafrecht en is in beginsel strafbaar. Een beroep op een rechtvaardigheidsgrond kan in een voorkomend geval de strafbaarheid van het feit wegnemen. Er kan een beroep worden gedaan op overmacht in de zin van noodtoestand volgens art. 40 Wetboek van Strafrecht (TK 26717 nr 1, 1998-1999).

Levensbeëindiging pasgeborenen

Een pasgeborenen is een kind dat de leeftijd van één jaar nog niet heeft bereikt. Als een handeling van de arts gericht is op de beëindiging van het leven van een pasgeboren kind, omdat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, dan is er sprake van levensbeëindiging van pasgeborenen.

Toetsing late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging van pasgeborenen

Late zwangerschapsafbrekingen, ingeval van zowel categorie 1 als 2 aandoeningen, moeten door artsen worden gemeld bij de Centrale deskundigen commissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging pasgeborenen.

Voor 2016 viel categorie 1 niet onder deze regeling, maar er werd melding gedaan bij een commissie van de beroepsgroep. Maar in de nieuwe regeling zal de beoordelingscommissie toetsen of er zorgvuldig is gehandeld. Zo ja, dan is daarmee de zaak afgedaan en is het oordeel ‘zorgvuldig’ meteen een eindoordeel. Is het oordeel onzorgvuldig dan wordt de Inspectie voor de Volksgezondheid (IGZ) hierover ingelicht. Het is aan de IGZ om te bepalen of een onderzoek nodig is of dat er handhavend moet worden opgetreden.

Zowel bij de categorie 2 als bij levensbeëindiging van pasgeborenen toetst de commissie de zorgvuldigheid van het handelen van de arts. De commissie zendt haar oordeel aan het College van procureurs-generaal van het OM. Het college betrekt het oordeel van de commissie in haar besluit om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen en/of tot vervolging over te gaan. De nieuwe Regeling is ingegaan op 1 februari 2016.

Melding van niet - natuurlijke doodsoorzaak

Late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging van pasgeborenen is een actief ingrijpen met als gevolg het overlijden van het ongeboren of pasgeboren kind. In de zin van de Wet op de Lijkbezorging is in dat geval sprake van een niet-natuurlijke doodsoorzaak waarvan mededeling moet worden gedaan aan de gemeentelijke lijkschouwer, die op zijn beurt de officier van Justitie op de hoogte stelt. De rol van het Openbaar Ministerie staat beschreven in de ‘Aanwijzing vervolgingsbeslissing levensbeëindiging niet op verzoek en late zwangerschapsafbreking’.

Koppeling naar wet- en regelgeving

Jurisprudentie
  • Arrest Gerechtshof Leeuwarden, zaak Kadijk (4 april 1996);
  • Vonnis Rechtbank Groningen, zaak Kadijk (13 november 1995);
  • Arrest Gerechtshof Amsterdam, zaak Prins (7 november 1995):
  • Vonnis Rechtbank Alkmaar, zaak Prins (26 april 1995).