Thema’s aangaande mensenrechten (berichten)

Zelfs een up-to-date wilsverklaring voor euthanasie biedt geen garantie

TROUW, OPINIE, dinsdag 4 september 2018 Auteur: prof. mr. dr. M.A.J.M. (Martin) Buijsen.  Martin Buijsen (1963) is hoogleraar Recht & gezondheidszorg aan de Erasmus School of Law (ESL) en het Instituut Beleid…

TROUW, OPINIE, dinsdag 4 september 2018

Auteur: prof. mr. dr. M.A.J.M. (Martin) Buijsen.  Martin Buijsen (1963) is hoogleraar Recht & gezondheidszorg aan de Erasmus School of Law (ESL) en het Instituut Beleid & Management Gezondheidszorg (iBMG) van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Patiënten die euthanasie willen, hebben de dure morele plicht hun arts daar geregeld over te blijven informeren, schrijft Martin Buijsen, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit. Maar laat niemand die patiënten wijsmaken dat ze daarmee de garantie hebben dat zij krijgen wat zij wensen.

Veel wilsverklaringen voor euthanasie zouden nutteloos zijn. Het merendeel is verouderd. Uit een onderzoek is gebleken dat nog niet de helft van de mensen hun verklaring af en toe opnieuw bespreekt met hun arts, zodat die in het geval van een euthanasieverzoek weet dat de levenseindewensen actueel zijn.

Als een wilsverklaring verouderd is, zal een arts geen euthanasie plegen bij iemand die daar vanwege dementie niet zelf meer om kan vragen. Een arts die afgaat op een wilsverklaring die volgens de regionale toetsingscommissie te oud is ten tijde van de euthanasie, loopt immers tuchtrechtelijke en strafrechtelijke risico’s.

Deze berichtgeving wekt de indruk dat voor het gehonoreerd krijgen van een euthanasiewens in het geval van wilsonbekwaamheid van de patiënt, niet méér nodig is dan een actuele en zo eenduidig mogelijke schriftelijke wilsverklaring, zolang het verzoek maar gericht wordt aan een willige arts, eentje die geen principiële bezwaren heeft tegen euthanasie.

Ongetwijfeld prozaïsch

Niets is minder waar. De redenen om deze wilsverklaringen niet te actualiseren zijn ongetwijfeld prozaïsch. Zo hebben veel mensen een inboedelverzekering waar jarenlang niet naar omgekeken is, met als gevolg dat hun inboedel in de regel onderverzekerd is. Die is immers niet meer zoals die was ten tijde van het afsluiten van de verzekering. Verzekerden zouden er daarom goed aan doen om zo nu en dan na te gaan of het maximaal uit te keren bedrag nog wel overeenkomt met de actuele waarde van de inboedel. Mensen doen dat niet, het komt er gewoon niet van.

Maar waar bij het geheel verloren gaan van een onderverzekerde inboedel verzekerden nog kunnen rekenen op een uitkering tot een bepaald bedrag, hebben patiënten die een schriftelijke wilsverklaring voor euthanasie hebben opgesteld een dergelijke zekerheid niet.

De euthanasiewet verlangt dat de arts de overtuiging moet hebben gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt. Mocht hier naar het oordeel van de bevoegde regionale toetsingscommissie geen sprake van zijn geweest, dan heeft de arts die euthanasie gepleegd heeft een probleem.

Zeer problematisch zinnetje

Maar deze eis is maar een van de wettelijke zorgvuldigheidseisen die een arts in acht te nemen heeft. De arts die euthanasie gepleegd heeft en daarbij meende zich louter en alleen te kunnen baseren op de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt heeft in beginsel een veel groter probleem, hoe actueel en eenduidig die verklaring ook is. Behalve dat sprake is van een weloverwogen en vrijwillig verzoek, eist de wet ook dat de arts de overtuiging gekregen heeft dat de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk leed, dat hij de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten, en dat hij met de patiënt tot de overtuiging gekomen is dat er geen redelijke andere oplossing was.

Nu zegt de euthanasiewet inderdaad dat de arts gevolg kan geven aan een wilsverklaring inhoudende een euthanasieverzoek, indien deze is opgesteld toen de patiënt nog wilsbekwaam was. Maar in een zeer problematisch zinnetje laat de wet daarop volgen dat de eerder in die wet opgesomde zorgvuldigheidseisen ‘van overeenkomstige toepassing’ zijn.

Hoe kunnen deze eisen van toepassing zijn op een patiënt die zwaar dement is? Lijdt zo iemand ondraaglijk? En hoe kan hij met zo’n patiënt tot een overtuiging komen? Moeilijke vragen, maar toch vragen waaraan een arts niet voorbij mag gaan.

Patiënten die euthanasie willen, hebben de dure morele plicht hun arts zo goed als maar kan te blijven informeren. Maar laat niemand die patiënten wijsmaken dat daarmee gegarandeerd is dat zij zullen krijgen wat zij wensen.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Zelfs een up-to-date wilsverklaring voor euthanasie biedt geen garantie

Te veel complicaties bij de behandelingsovereenkomst

Auteur: Prof. mr. J.C.J. Dute Jos Dute is hoogleraar gezondheidsrecht, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit Nijmegen, en lid van de redactie van TvGR. Bron: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, afl. 3, 2018…

Auteur: Prof. mr. J.C.J. Dute
Jos Dute is hoogleraar gezondheidsrecht, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit Nijmegen, en lid van de redactie van TvGR.

Bron: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, afl. 3, 2018

 

De juridische verhouding tussen de hulpverlener en de patiënt heeft doorgaans de vorm van een overeenkomst. Daarvoor kent Boek 7 BW een aparte afdeling, waarin deze contractuele rechtsverhouding is neergelegd als een bijzondere overeenkomst van opdracht: de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling. In de literatuur wordt deze overeenkomst overigens steevast de ‘geneeskundige behandelingsovereenkomst’ genoemd, terwijl de wet zelf (art. 7:446 lid 1 BW) de overeenkomst nadrukkelijk aanduidt als ‘behandelingsovereenkomst’.

De behandelingsovereenkomst vervult in de verhouding tussen de hulpverlener en de patiënt een cruciale rol, omdat zij drager is van en invulling geeft aan de patiëntenrechten. Helaas bestaat in de praktijk over de behandelingsovereenkomst nog veel onduidelijkheid.
Zo is vaak niet helder wanneer de behandelingsovereenkomst precies aanvangt: reeds bij het maken van de afspraak met de hulpverlener, bij het eerste echte contact met de hulpverlener of pas nadat de hulpverlener de patiënt daadwerkelijk als zodanig heeft geaccepteerd? En wanneer kan precies worden gesproken van een behandelingsovereenkomst bij hulpverlening in een acute situatie? Of bij een internetconsult? Jurisprudentie ontbreekt, in richtlijnen van de KNMG worden wel enkele handreikingen ter zake gedaan.
Vragen over de behandelingsovereenkomst zijn er ook in de relatie tussen de huisarts en de patiënt. Is daar sprake van twee behandelingsovereenkomsten, een doorlopende overeenkomst en een bijzondere die met de arts wordt gesloten bij elk consult? Of is sprake een ‘slapende’ overeenkomst die herleeft, telkens wanneer de patiënt zich tot de huisarts wendt?
Soms is niet duidelijk of überhaupt een behandelingsovereenkomst tot stand komt. Het gaat dan in het bijzonder om de vraag of (nog) sprake is van handelingen op het gebied van de geneeskunst. Daarover bestaat overigens wel enige jurisprudentie. Met name lagere rechters zijn naar mijn indruk betrekkelijk snel geneigd om het bestaan van een behandelingsovereenkomst aan te nemen, als sprake is van een zorgvoorziening of -ondersteuning (ADL-assistentie) waarvan (eenvoudige) medische handelingen deel uitmaken.

Bij een overeenkomst is het van essentieel belang om te weten wie daarbij partij zijn

Bij een overeenkomst is het verder van essentieel belang om te weten wie precies partij daarbij zijn. Bij de behandelingsovereenkomst wordt de ene partij door de wet aangeduid als de ‘opdrachtgever’. Dit kan zijn de patiënt zelf dan wel een derde, waarbij degene op wie de handelingen betrekking hebben de patiënt wordt genoemd. Opdrachtgever is in de context van de gezondheidszorg niet zo’n aansprekende term. Weinig patiënten zullen zich de opdrachtgever van de arts voelen. Afgezien hiervan, het is logisch dat de patiënt de ene partij bij de behandelingsovereenkomst is, dus waarom dan ook niet die term (in plaats van opdrachtgever) gehanteerd in art. 7:446 lid 1 BW? Nagenoeg alle verplichtingen van de hulpverlener dienen ook te worden nagekomen jegens de patiënt, niet jegens de opdrachtgever. Alleen bij de loonverschuldigdheid noemt de wet de opdrachtgever (art. 7:461 BW). Aan de opdrachtrelatie als zodanig wordt met het gebruik van de term patiënt niets afgedaan.
Bij de opdrachtgever, niet zijnde de patiënt zelf, is men geneigd te denken aan de situatie van – al dan niet wettelijke – vertegenwoordiging. Daarvoor is deze constructie echter niet nodig, en ook niet bruikbaar, omdat bij vertegenwoordiging niet de vertegenwoordiger, maar de vertegenwoordigde de contractspartij wordt. Hoe nodig en wenselijk is het dat een ander dan de patiënt contractspartij is bij de behandelingsovereenkomst?

Met de invoering van de integrale bekostiging in ziekenhuizen is boven de vraag wie als wederpartij van de patiënt heeft te gelden, zware mist komen te hangen. Voorheen, toen de vrijgevestigde medisch specialist nog op basis van een toelatingsovereenkomst met het ziekenhuis werkte, werd aangenomen dat er twee behandelingsovereenkomsten tot stand kwamen: één met de specialist voor de geneeskundige behandeling en één met het ziekenhuis voor de verpleging en verzorging. Sinds het vervallen van het zelfstandige declaratierecht hebben de medisch specialisten zich in veel gevallen verenigd in een medisch-specialistisch bedrijf (MSB), dat een samenwerkingsovereenkomst met het ziekenhuis sluit. Sluit de patiënt nu nog steeds een zelfstandige behandelingsovereenkomst met de medisch specialist? Of wordt die overeenkomst met het MSB gesloten? Of komt er nog maar één behandelingsovereenkomst tot stand, namelijk alleen met het ziekenhuis, voor het geheel van de behandeling, de verpleging en de verzorging? En hoe ligt de situatie als de specialist via een specialistenmaatschap of -coöperatie medeaandeelhouder van het ziekenhuis is? De opvattingen hierover lopen uiteen.

Voor de patiënt is het ziekenhuis als enige contractpartij wel zo duidelijk. Dat is ook de schijn die jegens hem wordt gewekt. Van een MSB zal de patiënt doorgaans geen weet hebben. En of een specialist in loondienst van het ziekenhuis is dan wel op andere basis daar werkzaam is, zal hij doorgaans evenmin weten. Om nog maar niet te spreken van de gevallen waarin de specialist in loondienst van het MSB is. Of dat sprake is van medeaandeelhouderschap. De gedachte van een integrale zorgaanbieder ligt ook ten grondslag aan de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

Fiscale overwegingen behoren niet bepalend te zijn voor de vraag met wie een behandelingsovereenkomst tot stand komt.

Meer duidelijkheid is gewenst

Meer duidelijkheid over de vraag wie precies partij zijn bij de behandelingsovereenkomst is zeker gewenst. Van de rechter zal die duidelijkheid niet snel komen. Met de regeling van de centrale aansprakelijkheid van het ziekenhuis kan de rechter de vraag naar de precieze rechtsverhoudingen binnen de instelling immers veelal laten rusten, en dat doet hij dan ook. De voorgenomen wettelijke herziening van de regeling van de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling zou een goede gelegenheid zijn om meer klaarheid te brengen in de vraag wie partij zijn bij de behandelingsovereenkomst. Wat mij betreft zijn dit aan de ene kant de patiënt en aan de andere kant, in de ziekenhuissituatie, het ziekenhuis.

Over de behandelingsovereenkomst bestaan veel vragen – naar mijn oordeel te veel vragen, voor wat de ruggengraat van de hulpverlener-patiëntrelatie en de in die verhouding geldende patiëntenrechten vormt. Die rechtsverhouding kan en moet eenvoudiger te regelen zijn.

Reacties uitgeschakeld voor Te veel complicaties bij de behandelingsovereenkomst

Donordilemma’s

Elsevier weekblad, 17 maart 2018 Auteur: Joppe Gloerich   ORGANEN/ Uit de vele reacties blijkt hoe beladen de vernieuwde donorwet is. Dat Eerste en Tweede Kamer zich hebben uitgesproken, betekent…

Elsevier weekblad, 17 maart 2018

Auteur: Joppe Gloerich

 

ORGANEN/ Uit de vele reacties blijkt hoe beladen de vernieuwde donorwet is.

Dat Eerste en Tweede Kamer zich hebben uitgesproken, betekent niet dat de emoties zijn verdwenen. Een omstreden wet ontleed aan de hand van drie stellingen. “Hersendood is niet echt dood”; “Van nabestaanden wordt te veel gevraagd”; “Het recht op onaantastbaarheid van het lichaam geldt ook na de dood.”

zie: http://provita.nl/wp-content/uploads/2018/04/2018-03-17-Elsevier-Donordilemmas.pdf

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Donordilemma’s

Hoezo ‘het staat niet in het protocol’?

Medisch Contact, 21 februari 2018 Auteur: drs. Roel van Oosten, voormalig predikant in Warnsveld, nu coach van predikanten. Roel van Oosten kreeg slokdarmkanker en koos ervoor om van een operatie af…

Medisch Contact, 21 februari 2018

Auteur: drs. Roel van Oosten, voormalig predikant in Warnsveld, nu coach van predikanten.

Roel van Oosten kreeg slokdarmkanker en koos ervoor om van een operatie af te zien. De behandelend artsen hadden weinig begrip voor deze afwijking van het protocol. Een pijnlijke constatering voor Van Oosten, die pleit voor échte shared decision making.

Ervaringen van een kankerpatiënt die niet geopereerd wilde worden. In oktober 2015 constateerde de mdl-arts bij mij een tumor op de grens van maag en slokdarm. Meteen bij de eerste diagnose gaf hij de twee opties aan: als er uitzaaiingen zouden zijn kwam ik in aanmerking voor palliatieve behandeling, zo niet, dan kon ik meedoen aan een curatief traject. Het protocol hiervoor was meteen heel helder. Het traject zou namelijk bestaan uit vijf weken chemoradiatie, twee maanden later gevolgd door operatieve verwijdering van de slokdarm. Dit alles onder leiding van de chirurg.

Behandelaar

Blijkbaar was ik er op tijd bij geweest, want er leken geen uitzaaiingen te zijn. Een opluchting. Conclusie was dat ik ‘dus’ aan het curatieve traject ‘mocht’ meedoen, wat aanvankelijk voelde als een voorrecht.

De chirurg werd mijn behandelaar, en daarmee lag meteen vast dat ik geopereerd zou worden. Achteraf vind ik dat geen goede procedure, omdat niet vaststaat dat opereren altijd verstandig is. Een chirurg is dan niet de aangewezen professional om mee te overleggen over al of niet opereren. Het lijkt mij beter als, in dit geval, de mdl-arts de behandelaar blijft tot en met de chemoradiatie.

Overigens wil ik graag vermelden dat ik tijdens de onderzoeken diep onder de indruk raakte van de voortreffelijke zorg en organisatie. En ik keek met verbazing naar de ingenieuze apparatuur. ‘Hulde aan al die stille ontwikkelaars!’ dacht ik regelmatig. Ook was het leuk om ‘jonge’, bekwame artsen tegen te komen.

Chemokuur

Het gesprek ter voorbereiding op de chemokuur vond ik een deprimerende ervaring: het leek of de bijsluiter van de medicijnen werd voorgelezen. Met een steen op de maag gingen we er weg. De chemoradiatie zelf was een pittig traject van één keer per week gedurende vijf weken een chemo-infuus en 23 bijna dagelijkse bestralingen. Het was niet leuk, maar de zorgvuldige en goede zorg in de verschillende behandelcentra maakte diepe indruk op me. Ik verdroeg de behandelingen behoorlijk goed. En ik praktiseerde wat ik van een vriendin had geleerd: elke dag een uur wandelen.

Nieuwe kwalen

Pas na afloop van de chemoradiatie kon ik een gesprek met Henk aan, die ik jaren eerder had leren kennen en over wie ik had gehoord dat hij was geholpen aan een tumor in de slokdarm. ‘Het ging heel goed met hem!’, werd me gezegd, wat mijn stap vergemakkelijkte. Toen ik hem echter thuis opzocht, bleek het tegendeel het geval te zijn. Hij had in het halve jaar na de slokdarmoperatie al vier keer in het ziekenhuis gelegen met ernstige longontstekingen ten gevolge van nachtelijke refluxen. En ondanks de sondevoeding kwam hij maar niet op krachten.

Uit alle schriftelijke informatie die ik had gekregen, had ik ook al begrepen dat de operatie een ernstige kwaal wegneemt, maar ook een aantal nieuwe kwalen kan veroorzaken. De ervaringen van Henk schokten me en stimuleerden me om zelf te beslissen of ik deze operatie wilde ondergaan.

Protocol zonder stopmoment

Achteraf verbaast het me dat het protocol geen aanwijzingen geeft om de patiënt behulpzaam te zijn bij het nemen van een besluit over wel of geen operatie. Ik heb wel enkele gesprekken met de chirurg gehad, maar die waren gericht op chemoradiatie respectievelijk operatie. Van meet af aan leek het protocol vast te staan, zonder tussentijdse evaluatie, zonder een ‘stopmoment’, waarin het vervolgtraject besproken kan worden. Ik vind dat dat beter kan en moet: na chemoradiatie ten minste één of twee gesprekken met een mdl-arts, huisarts, geriater, psycholoog of geestelijk verzorger – in elk geval met iemand die niet al te strikt in het protocol zit – om ook nuanceringen en alternatieven serieus te kunnen overwegen, waarna de patiënt met ‘hoofd en hart’ een besluit kan nemen. Bij mij heeft zo’n moment geheel ontbroken. Ik heb dan ook mijn eigen evaluatie georganiseerd.

Toenemende weerzin

Op eigen initiatief ben ik twee weken bezig geweest met mijn afwegingen. Iedereen die bij ons op bezoek kwam, vertelde ik ‘dat het redelijk goed ging, maar dat ik nu een besluit moest nemen over al of niet opereren’. Hierop volgden vele gesprekken. Ik nodigde ook mijn huisarts en enkele medische vrienden uit. Ik heb het ervaren als een intense fase.

In die dagen kwam ook sterk de herinnering bij me boven dat ‘mijn ziel een sprongetje van vreugde had gemaakt’ toen de radiotherapeut-oncoloog zich op enig moment had laten ontvallen ‘dat het heel goed mogelijk is dat de kwaal na chemoradiatie niet meer terugkomt, maar dat daar nog geen meetapparatuur voor is.’ Naarmate ik deze gesprekken voerde, voelde het steeds onverdraaglijker dat ik na een operatie te horen zou krijgen: ‘De slokdarm was helemaal schoon, meneer! Gefeliciteerd!’ Dan zou er onnodig iets onomkeerbaars gebeurd zijn, met alle mogelijke gevolgen van dien. Daar komt nog bij dat de vijfjaarsoverleving na chemoradiatie én operatie ongeveer 40 procent is. Dus worden velen daarna alsnog genekt door al aanwezige uitzaaiingen.

Mijn toenemende weerzin tegen een operatie werd dus veroorzaakt door het ‘optellen en aftrekken’ van kansen en risico’s, en door mijn gevoel – of, zoals ik dat toen noemde: de ‘mogelijke wijsheid van mijn lichaam’.

Strenge exercitie

Dit keuzeproces was heel enerverend. Ik had het gevoel dat mijn leven aan een zijden draadje hing, en dat ik maar één keer goed kon kiezen. Terwijl aan beide kanten grote risico’s zaten.

De uitslagen van de scans hielpen me: de chemoradiatie bleek heel effectief te zijn, en de tumor leek verdwenen.

Op advies van mijn huisarts schreef ik de chirurg alvast een brief over mijn twijfels en vragen. Ik had daarbij het gevoel dat ik iets wilde wat dwars inging tegen de goede orde. Ik voelde me ‘eigenwijs’. De chirurg was inderdaad verbaasd over mijn afwegingen. ‘Ik heb dit nog nooit meegemaakt’, zei hij, en stelde voor dat ik zou gaan praten met een geriater en een PET-scan zou laten maken.

Het gesprek met de geriater was prettig. Ik voelde me serieus genomen, begrepen. En ook de uitslag van de scan was goed. Wel moest ik daarna bij de chirurg twee keer uitdrukkelijk uitspreken dat ik ‘dus niet geopereerd wilde worden’. Ik vond dat een strenge exercitie. Je moet als patiënt wel heel stevig in je schoenen staan om af te wijken van het protocol. Ik vond dit heel vervelend, want het ging toch over mijn lijf en mijn toekomst. Maar het protocol leek veel gewichtiger!

Kracht van bemoediging

Als behandelaar in het vervolgtraject kreeg ik een oudere en ervaren internist, die tevens mdl-arts was. Hij bleek heel aangenaam relativerend over mijn keuze en het protocol. Ik kreeg op mijn verzoek dagelijks een maagzuurremmer en 80 mg aspirine voorgeschreven. Verschillende keren ging ik met een opgetogen gevoel bij hem weg. En een jaar na de eerste diagnose zei hij me, meteen na een scopie, met een vrolijke lach ‘dat mijn slokdarm maagdelijk schoon was’. Heerlijk. Maar ook voelde ik me door hem gezien, gehonoreerd, hij leefde mee. Ik ervoer bij hem wat ik ‘de kracht van de bemoediging’ ben gaan noemen. Dat deed me zo goed, dat ik zou wensen dat geneesheren en -vrouwen ook over déze kwaliteit royaal konden beschikken!

Angst

Helaas, deze mdl-arts is met pensioen gegaan en de nieuwe behandelaar lijkt een strikte aanhanger van het protocol te zijn. Bij de kennismaking maande hij me tot spoed om een scopie en PET-scan te laten maken. ‘Dan kan er nog geopereerd worden!’ En vervolgens: ‘U loopt wel meer risico, omdat u zich niet hebt laten opereren.’ Zelfs na goede uitslagen van de onderzoeken benadrukte hij slechts dat ik me spoedig weer moest laten onderzoeken.

De nieuwe mdl-arts joeg me eerder angst aan dan dat hij me bemoedigde. Hij was meer bezig met het protocol dan met de mens die voor hem zat. Ik vond dat heel zorgelijk. Na zo’n gesprek had ik tijd nodig om mijn vertrouwen te hervinden. En dat, terwijl het me, ‘vooralsnog’ zoals ik iedere keer zeg, heel goed ging en nog steeds gaat. In overleg met mijn huisarts heb ik intussen een andere behandelaar gezocht.

Spanningsveld

Inmiddels kan ik met voldoening terugzien op mijn keuze. Ik heb twee heel goede jaren achter de rug, waarin de tumor niet is teruggekeerd. Ik functioneer vrijwel net zo goed als voor de chemoradiatie. Dit is toch echt kwaliteit van leven!

Mijn ervaring als patiënt heeft me geleerd dat het ‘protocol’ en de wens een eigen afweging te maken, op gespannen voet staan met elkaar. Maar er is een weg om uit dit spanningsveld te komen: shared decision making. Dat vereist bij de arts een respectvolle én een bemoedigende houding, wat de patiënt ook beslist!

Ruimte voor alle afwegingen

Auteur:  mr. Marjolein Rikmenspoel MA, geestelijk verzorger in de zorg en zelfstandig publicist

De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst gaat uit van gelijkwaardigheid tussen de twee betrokken partijen, arts en patiënt.(1) De patiënt kan een behandeling weigeren of een deel ervan. Shared decision making is een recente benadering die tegemoetkomt aan de behoefte aan meer autonomie bij de patiënt. De onlangs gestarte campagne ‘Begin een goed gesprek’ van Patiëntenfederatie Nederland en de Federatie Medisch Specialisten biedt een goede aanzet.(2)

Maar shared decision making kan behalve vorm krijgen in de relatie tussen arts en patiënt, ookin breder gezelschap plaatsvinden, zoals met een geestelijk verzorger. Een belangrijk aspect van zijn/haar werk is ‘moral counseling’, waarbij ruimte is voor álle afwegingen: medische, persoonlijke, relationele, morele en levensbeschouwelijke.

Een breed gedragen (shared) besluit getuigt van zorgvuldige besluitvorming en geeft de arts een verantwoorde reden en dus valide argument om af te wijken van protocollaire voorschriften, die ook hem of haar soms in de greep houden.(3)

Shared decision making past in de nieuwe definitie van goede zorg in artikel 2 Wkkgz, maar is nog wel een uitdaging als het gaat om de invulling.(4) Als sprake is van informed disconsent zoals in deze casus, blijft de patiënt immers zorgbehoevend. De behandelovereenkomst duurt voort. Goed hulpverlenerschap vergt van de betrokken arts dat hij de patiënt nu niet in de steek laat. Bejegening is belangrijk! Juist als de patiënt in een proces van informatiewinning, afweging en risicomanagement, besluit om tegen een advies van de arts in te gaan, getuigt het van respect voor autonomie als de arts kan meebewegen. Immers, support en bemoediging vinden we vanzelfsprekend als iemand ergens voor ‘gaat’, en ook als iemand in een terminaal stadium verkeert. Maar degene die een eigenwijze keuze maakt en afziet van een bepaalde ingreep, heeft net zo goed begeleiding en ondersteuning nodig. Een patiënt heeft, zoals Van Oosten en Van Heijst verwoorden, behoefte aan een arts die bemoedigend is.(5)

Bronnen:

[1] Art. 450 luidt: Voor verrichting ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist.

[2] Zie de hulpmiddelen voor patiënt en arts op de website http://www.begineengoedgesprek.nl/

[3] Zie uitspraken Trombose-arrest/Protocol I (HR 2 maart 2001,NJ 2001, 649) en Protocol II (HR 1 april 2005, <<JA>> 2005/42) waarin professioneel hulpverlenerschap enerzijds dwingt tot het volgen van protocol, maar soms ook tot beargumenteerd afwijken van protocol.

[4] Artikel 2 lid 2 Wkkgz luidt: Onder goede zorg wordt verstaan zorg van goede kwaliteit en van goed niveau: a. die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend, en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt, b. waarbij zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard, waaronder de overeenkomstig artikel 66b van de Zorgverzekeringswet in het openbaar register opgenomen voor hen geldende professionele standaard, en c. waarbij de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen en de cliënt ook overigens met respect wordt behandeld.

[5] A. van Heijst (naast wetenschapper ook patiënte) zegt in haar artikel ‘De kunst van het dulden’ – in C. Leget, M. Smits (red.) De patiënt overvraagd, Valkhofpers 2016 – iets vergelijkbaars: ‘Niemand zei die dag iets troostends of bemoedigends.’ (p. 14).

 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Hoezo ‘het staat niet in het protocol’?

Meer dan 100.000 keer ‘nee’ in eerste week nieuwe donorwet

Elsevier Weekblad , 20 februari 2018 Auteur: Matthijs van Schie, (1992)  hij is sinds 1 februari 2018 webredacteur bij Elsevier Weekblad. Hij studeerde geschiedenis en internationale betrekkingen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam….

Elsevier Weekblad , 20 februari 2018

Auteur: Matthijs van Schie, (1992)  hij is sinds 1 februari 2018 webredacteur bij Elsevier Weekblad. Hij studeerde geschiedenis en internationale betrekkingen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het aantal mensen dat zich afmeldt als orgaandonor is fors. Sinds vorige week de nieuwe donorwet werd aangenomen, staat de teller al op meer dan honderdduizend keer ‘nee’. De wet van D66-Kamerlid Pia Dijkstra regelt dat mensen die geen bezwaar maken automatisch donor zijn.

Dat blijkt uit het aantal nieuwe registraties en keuzewijzigingen in het Donorregister, dat wordt bijgehouden door het ministerie van Volksgezondheid. De cijfers zijn vanwege de grote belangstelling tijdelijk openbaar gemaakt. Sinds vorige week dinsdag (13 februari), toen de Eerste Kamer instemde met het wetsvoorstel, hebben maar liefst 105.206 mensen in het donorregister aangegeven dat ze geen toestemming geven om na hun dood organen af te staan.

Waarom Dijkstra’s ‘donorwet’ in strijd is met fundamenteel grondrecht: lees het commentaar van Maartje Schulz

Bijna 84.000 van hen hadden vóór de nieuwe donorwet nog geen keuze gemaakt. Meer dan 21.000 wijzigden hun keuze, ook al is niet bekend wat zij eerder hadden gekozen. Op de dag dat het wetsvoorstel werd aangenomen, werd de weerzin van veel Nederlanders al duidelijk: bijna 25.000 mensen meldden bij het register: ‘Nee, ik geef geen toestemming’.

Dijkstra rekende op veel ‘nee’s’

Het aantal nieuwe orgaandonoren, een kleine 28.000, ligt veel lager. En dat terwijl de nieuwe donorwet juist méér donoren moet opleveren.

Initiatiefnemer Pia Dijkstra zei zaterdag in een interview met de Leeuwarder Courant dat ze op ‘heel veel nee’s’ had gerekend. Toch noemt ze elke nieuwe registratie winst, omdat van ongeveer negen miljoen Nederlanders niet bekend is of ze wel of geen organen willen doneren. Dat draagt volgens haar bij aan de lange lijsten met patiënten die nu wachten op een nieuw orgaan.

Wat verandert er nu de nieuwe donorwet is aangenomen? Lees de analyse van Joppe Gloerich

Veel debat en controverse

Aan de instemming met de nieuwe donorwet – die het met 38 stemmen vóór en 36 stemmen tegen nipt haalde – gingen weken van intensief debat vooraf. Het was wonderbaarlijk dat de wet door de Tweede Kamer kwam; als Kamerlid Frank Wassenberg (Partij voor de Dieren) niet te laat bij de stemming was geweest, had het voorstel niet eens de Eerste Kamer gehaald.

De stemming in de Eerste Kamer was ook al niet zonder controverse. Zo was SP-senator Arda Gerkens tegen de nieuwe wet, maar stemde ze niet omdat ze zich ‘verscheurd’ voelde tussen haar partij – die voorstander was – en haar ‘persoonlijke overtuigingen’, schreef ze woensdag op Twitter.

Ook kostte het dossier Marleen Barth (PvdA) haar positie als fractievoorzitter in de Eerste Kamer. Barth wekte de woede van een aantal PvdA-kopstukken door haar vakantie naar de Malediven, waardoor ze het belangrijke debat over de donorwet miste. Daarom besloot ze zelf af te treden.

Reacties uitgeschakeld voor Meer dan 100.000 keer ‘nee’ in eerste week nieuwe donorwet

Voor of tegen de donorwet: de dood is en blijft een relatief begrip

Dagblad Trouw, 13 februari 2018 Auteur: Willem Schoonen Een scherpe definitie van de dood is in de wetenschap niet te vinden. Net zo min als van het leven. Hersendood is niet dood,…

Dagblad Trouw, 13 februari 2018

Auteur: Willem Schoonen

Een scherpe definitie van de dood is in de wetenschap niet te vinden. Net zo min als van het leven.

Hersendood is niet dood, roepen tegenstanders van de nieuwe donorwet waarover de Eerste Kamer vandaag stemt. En inderdaad: het hart van de hersendode klopt nog. Dus als een kloppend hart de definitie van leven is, is de patiënt nog niet overleden. En een kloppend hart wás de definitie van leven, tot een halve eeuw geleden. Dood stond gelijk aan: geen pols en geen ademhaling. Hart en longen werden beschouwd als de motoren van leven; als die ermee ophielden, trad de dood in. Totdat, in 1947, voor het eerst met een flinke elektrische schok een stilgevallen hart weer op gang werd gebracht. De defibrillator, nu een apparaat van alledag, veranderde de definitie van leven, en daarmee van de dood. Een stilstaand hart was het definitieve einde niet meer. Een paar jaar later gebeurde hetzelfde met de longen. Begin jaren vijftig deed de kunstmatige beademing zijn intrede in de kliniek. Daarmee kon een uitgevallen longfunctie, tot dan een zekere pijler van de dood, worden overgenomen. Ook een stilgevallen ademhaling stond niet meer gelijk aan de dood.

Coma

Met die nieuwe technieken konden mensenlevens worden gered. Maar in de klinieken kwamen nu ook patiënten te liggen die door hersenschade in een diepe coma waren, maar wier hart en longen nog aan gang gehouden konden worden.  Artsen worstelden daarmee. Sommigen van die comateuze patiënten zouden misschien kunnen herstellen, maar anderen zeker niet, omdat de schade aan hun hersenen te groot was. Het leidde tot praktische problemen, want die diep comateuze patiënten hielden bedden bezet. En het leidde tot een ethische discussie die een vol decennium zou duren, en die reikte van de kliniek tot in het Vaticaan. Want artsen hadden weliswaar gezworen niemand zorg te onthouden, maar waren zij verplicht en was het ethisch verantwoord medische handelingen te verrichten op iemand die nooit meer tot leven zou kunnen komen? Enige duidelijkheid bracht een nieuwe technologie die toen zijn intrede deed in de kliniek: het ence­phalogram (e.e.g.). Daarmee kon worden vastgesteld of de patiënt nog hersenactiviteit vertoonde. De dood kreeg een nieuwe pijler: het ontbreken van enige meetbare hersenactiviteit. Dit werd eind jaren zestig de ‘hersendood’. Een term waarbij medici in die dagen grote aarzelingen hadden. Ze wilden niet pretenderen dat ze de dood een nieuwe definitie hadden gegeven. Ze spraken daarom aanvankelijk over ‘onomkeerbare coma’.  ‘Coma depassé’, zeiden de Fransen. Maar hersendood, ‘brain death’ in het Engels, is sinds een halve eeuw de gangbare term.

Acceptatie

Het begrip hersendood is inmiddels geaccepteerd in alle werelddelen en in alle grote religies. Verschillende landen hebben verschillende definities, maar daarin komen dezelfde basiselementen terug: geen hersenactiviteit, geen bewustzijn en reflexen, en geen spontane ademhaling. In Nederland zijn artsen gebonden aan het Hersendoodprotocol van de Gezondheidsraad, waarin precies beschreven staat welke tests gedaan moeten worden om de hersendood vast te stellen. Tegelijk met deze verandering in het medisch denken over leven en dood, kwam de transplantatiegeneeskunde op. Voor de eerste transplantaties van nier en lever, eind jaren vijftig, werd gebruik gemaakt van organen uit lijken. De ontvangers overleden doorgaans snel; toen al was duidelijk dat organen van ‘levende’ donoren beter zouden zijn. Maar artsen hadden grote aarzeling organen te verwijderen bij een levende donor, ook lag die met zware hersenbeschadiging in coma. Ook daarvoor hadden ze behoefte aan een moderne definitie van de dood. Zonder de transplantatiegeneeskunde was die discussie er ook wel gekomen. Sterker: de medici die in de jaren zestig tot de definitie van hersendood kwamen, hadden niet het idee dat orgaantransplantatie wijdverbreid zou raken. Ze zochten een richtlijn om uit te maken wie te behandelen en wie niet meer. Hersendood werd die richtlijn. Pas daarna werd die ook bepalend voor de vraag wanneer het wegnemen van organen voor transplantatie geoorloofd zou zijn. In medische ogen is de dood gradueel. Dood is wat niet meer functioneert en zijn oorspronkelijke functie ook niet kan hervatten. Dat kan voor het ene lichaamsdeel gelden terwijl het andere nog leeft. Die dood is een heel andere dan de dood van een mens, een persoon. Enige overeenkomst is dat beide onomkeerbaar zijn.

Donorwet terug in de Eerste Kamer

In theorie kan het vandaag in enkele minuten afgelopen zijn: de Eerste Kamer hoeft alleen nog maar hoofdelijk te stemmen over de donorwet van Pia Dijkstra (D66). Dat betekent 75 keer ‘voor’ of ‘tegen’, waarna Kamervoorzitter Broekers-Knol de uitslag voorleest. Maar dat is de theorie. De senaat moet niet alleen oordelen over de wet, maar ook over een motie van de PvdA-fractie. Die regelt dat nadrukkelijker wordt vastgelegd dat nabestaanden een beslissende stem hebben in het wel of niet afstaan van organen van hun dierbaren. Over die motie is discussie ontstaan. Deze zou te veel ingrijpen in het oorspronkelijke wetsvoorstel van D66. Dat ­betekent dat de motie moet worden aangepast en dat de Eerste Kamer de mogelijkheid krijgt te debatteren over de nieuwe tekst.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Voor of tegen de donorwet: de dood is en blijft een relatief begrip

Verbod op orgaanhandel werkt niet: ‘Experimenteer met het toestaan van beloning voor nierdonatie’

De Volkskrant: 22 augustus 2017 Auteur: Wil Thijssen   Het verbod op orgaanhandel werkt niet. Wereldwijd worden nieren illegaal verkocht, wat leidt tot prijsopdrijving en een gebrek aan screening en nazorg…

De Volkskrant: 22 augustus 2017

Auteur: Wil Thijssen

 

Het verbod op orgaanhandel werkt niet. Wereldwijd worden nieren illegaal verkocht, wat leidt tot prijsopdrijving en een gebrek aan screening en nazorg voor patiënten en donoren.

Landen met schrijnend lange transplantatiewachtlijsten, zoals de VS, zouden moeten experimenteren met het toestaan van beloning voor nierdonatie. Die aanbeveling doet Frederike Ambagtsheer, criminoloog en internationaal jurist aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, in haar onlangs verschenen proefschrift over orgaanhandel. ‘Je zou kunnen denken aan gratis ziektekostenverzekering, belastingvoordelen of een geldbedrag’, stelt Ambagtsheer. ‘Zo’n beloningssysteem zou door de overheid moeten worden gereguleerd.’

Orgaanhandel is in 1987 door de Wereldgezondheidsorganisatie verboden omdat die de integriteit en menselijke waardigheid zou aantasten – meestal zijn het de armste, kwetsbare groepen die illegaal een orgaan afstaan in ruil voor geld. Ambagtsheer vindt het ‘nogal paternalistisch als je zegt: jij bent te arm, we laten jou je nier niet verkopen. Orgaanhandel is misschien immoreel, maar het is ook immoreel om mensen op de wachtlijst te laten sterven’.

Waarom zou een arme zijn nier niet mogen verkopen?

Wie een nieuwe nier wil, kan er volgende week een hebben, weet Frederike Ambagtsheer na vijf jaar internationaal onderzoek naar de illegale orgaanhandel. Het verbod werkt niet, stelt ze vast, dus misschien moeten we beloningen gaan toestaan voor nierdonoren.

Erwin Kompanje, klinisch ethicus aan de Erasmus Universiteit, heeft ‘nooit goed begrepen’ waarom arme mensen hun nieren niet mogen verkopen. ‘Als zij op die manier geld willen verdienen, so what? Het is een beloning voor iets bijzonders. Als iemand altruistisch doneert, vinden we het allemaal geweldig, maar als iemand er iets voor wil hebben is het ineens immoreel. Dat roepen overigens alleen rijke mensen.’
Hoogleraar gezondheidsrecht Martin Buijsen stelt daartegenover dat de huidige regels niet voor niets verbieden dat iemand aan zijn organen verdient. ‘Het is onbetamelijk dat je arme mensen gemakkelijker kunt bewegen tot het verkopen van nieren, dan rijken. Dat verbod is vastgelegd in de mensenrechten en die zijn juist bedoeld om vooral de zwakkeren in een samenleving te beschermen. Daar is volstrekt niets paternalistisch aan.’

Actieve donorregistratie levert eveneens meer organen op en komt wél overeen met de mensenrechten, stelt Hoogleraar gezondheidsrecht Martin Buijsen

Buijsen vindt het veranderen van het huidige beslissingssysteem veel voordehandliggender: ‘Voer gewoon een geen-bezwaarsysteem voor postmortale orgaandonatie in, zoals actieve donorregistratie. Het wetsvoorstel daarvoor van D66 ligt nu bij de Eerste Kamer. Dat systeem levert eveneens meer organen op en komt wél overeen met de mensenrechten. Het werkt de wachtlijsten niet geheel weg, maar geen enkele maatregel doet dat.’

Om het orgaantekort tegen te gaan, riep Corinne Dettmeijer – de Nationaal Rapporteur Mensenhandel – eerder al op tot een politieke discussie over een strikt gereguleerde vorm van financiële beloning voor nierdonatie. Dat die discussie uitblijft is volgens haar ‘jammer, want de wetenschap verkent al jaren de theoretische mogelijkheden van een verantwoord systeem met financiële stimuli. Het onderwerp verdient bredere, politieke aandacht’

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Verbod op orgaanhandel werkt niet: ‘Experimenteer met het toestaan van beloning voor nierdonatie’

Artsen en notarissen stemmen werk rond levenseinde af

Medisch Contact, 13 september 2017 Achter het nieuws, door Eva Nyst Patiënten bespreken wensen omtrent hun levenseinde niet alleen met de dokter, maar ook met de notaris. Alleen weten beide…

Medisch Contact, 13 september 2017

Achter het nieuws, door Eva Nyst

Patiënten bespreken wensen omtrent hun levenseinde niet alleen met de dokter, maar ook met de notaris. Alleen weten beide professionals vaak niet wat bij de ander is vastgelegd. Notarissenorganisatie en artsenfederatie publiceren daarom samen de vernieuwde handreiking Tijdig praten over het levenseinde.

ADVERTENTIE

Notarissen die doodleuk euthanasieverzoeken vastlegden en artsen die bij gebrek aan een vertegenwoordiger van een demente patiënt zelf maar beslissingen namen. En geen van beide vaklieden kwam op het idee om contact op te nemen met de ander. Artsen zijn eigenwijs en notarissen verdienen goed geld met contracten over zaken waar ze niks mee te maken hebben, klonken de verwijten over en weer. Maar nu steeds meer Nederlanders de regie over het levenseinde naar zich toe trekken, moeten deze professionals in gesprek om irritaties uit de weg te ruimen.

Levenstestament

Al eeuwen maken mensen een testament op over hun nalatenschap. Maar steeds vaker krijgt de notaris de vraag om een sinds 2007 bestaand ‘levenstestament’ op te stellen. De kern hiervan vormt de volmacht waarin de vertegenwoordiging wordt geregeld in het geval iemand niet meer voor zichzelf kan beslissen. Als dementie toeslaat bijvoorbeeld, wat inmiddels één op de vijf Nederlanders overkomt. In 2013 waren er ruim 22 duizend inschrijvingen in het centrale register voor levenstestamenten, vorig jaar al 91 duizend.

‘We begonnen als notarissen om de zakelijke kant vast te leggen, maar kregen al gauw de vraag om ook medische zaken te regelen. De notarissen hebben toen iets bedacht, maar dat riep weerstand op in de medische wereld’, schetst Madeleine Hillen, juridisch adviseur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), de aanloop van de samenwerking tussen de notariële en medische wereld. ‘De KNMG had in 2012 de handreiking Tijdig spreken over het levenseinde uitgebracht, maar daarin stond niets over de groeiende praktijk van het levenstestament’, zegt Hillen.

De KNB en de KNMG besloten de handen ineen te slaan. Samen met Patiëntenfederatie Nederland, het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en een tiental organisaties voor patiënten, ouderen en artsen presenteren ze deze week de herziene uitgave Tijdig praten over het levenseinde. Er is een versie voor de patiënt en een voor de arts. Sinds november werken de notarissen bovendien met een nieuwe versie van het levenstestament die ‘KNMG-proof’ is, zegt de Nijmeegse huisarts Marianne Dees, die namens het NHG aan de verschillende uitgaven voor artsen en notarissen meewerkte. ‘Palliatieve zorg en palliatieve sedatie worden nu bijvoorbeeld niet meer door elkaar heen gebruikt’, noemt Dees als verbetering ten opzichte van de vorige versie.

Misverstanden

Niet alleen in het veld, maar zelfs onder de leden van de Werkgroep Levenstestament waar huisarts Dees deel van uitmaakte, waren er irritaties. Dees: ‘In het begin vlogen we elkaar bijna in de haren. “Waar bemoei jij je mee?” zeiden we over en weer. Dat lag deels aan een verschil in taal. We gebruikten verschillende woorden voor iets maar bleken uiteindelijk hetzelfde te willen: het beste voor de patiënt en cliënt’, zegt Dees. Ze vroeg zich in het begin bijvoorbeeld ook af hoe een notaris weet of iemand wilsbekwaam is. ‘De notaris maakte mij toen duidelijk dat ze de hele dag door de inschatting moet maken of iemand wilsbekwaam is en dat ze daar een stappenplan voor heeft. Het bleek een vast onderdeel van haar vak.’

Een notaris moet aldoor inschatten of iemand wilsbekwaam is

Ook Hillen, die namens het notariaat in de werkgroep zat, herinnert zich de misverstanden bij de aanvang van de samenwerking. ‘De vrees was dat de notarissen zich uit winstbejag zouden opdringen in een gebied waar ze helemaal niets mee te maken hebben. Nou, dat is helemaal niet zo. Het is meer een extra service vanuit het notariaat, want mensen zitten vaak al bij de notaris om zakelijke aspecten te regelen. Als je wilsonbekwaam wordt, dan gaat het leven gewoon door, dus dat zakelijke gedeelte moet geregeld worden. Als mensen dan komen met de vraag: ik wil dat medische stuk graag meenemen, dan willen wij niet zeggen: “Dat mag ik niet doen want dat vindt de arts niet goed.” Want daar is geen juridische reden voor.’

Notarissen en artsen spraken af dat de rechtskundige naar de medicus verwijst als cliënten iets medisch via het notariaat regelen. De notaris wijst de cliënt erop dat hij de wilsverklaring aan zijn arts moet geven en ook dat hij zijn vertegenwoordiger op de hoogte moet stellen van diens taak. Hillen: ‘De notaris helpt bij het formuleren van de wensen over het levenseinde. De praktijk wijst uit dat mensen dat heel lastig vinden. Het gaat er dan natuurlijk eigenlijk om dat ze formuleren wat voor hen belangrijk is. Het gaat om de invulling van vage termen als uitzichtloos lijden en een waardige staat van leven, die voor ieder wat anders betekenen. Iedereen moet voor zichzelf invullen wat dat voor hem of haar betekent. Mensen kunnen dat goed formuleren, als ze maar geholpen worden door iemand die de juiste vragen stelt. Dat kunnen notarissen’, zegt Hillen.

Handreiking

Er is ook een handreiking bij het levenstestament gekomen voor de notaris. Daarin staan medische begrippen op een rijtje, zoals wat het verschil is tussen een behandelverbod en een euthanasieverzoek, en dat een verzoek niet betekent dat iemand recht heeft op euthanasie. Hillen: ‘Dat was ook een van de ergernissen bij artsen. Ze vreesden dat het levenstestament zou leiden tot het gevoel dat iemand recht heeft op euthanasie omdat het in een akte is vastgelegd.’

Aan de andere kant leidden twijfelgevallen bij het vaststellen van wilsbekwaamheid in het verleden tot irritaties bij notarissen, omdat bijvoorbeeld de huisarts niet thuis gaf als de notaris hierover navraag wilde doen. ‘Maar dit is nu opgelost met de samenwerking met de Vereniging van Indicerende en adviserende Artsen. Zij kunnen een verklaring over de wilsbekwaamheid afgeven omdat ze geen behandelend arts zijn’, zegt Hillen. Andere ergernis van notarissen is dat artsen hun werk niet serieus nemen. Hillen: ‘Cliënten komen soms boos terug aan hun tafel nadat de arts over vastgelegde zaken heeft gezegd: “Ja, maar daar doe ik niks mee, dat is voor mij waardeloos.” Dat doet geen recht aan de cliënt en niet aan het werk van de notaris’, zegt Hillen.

Voor artsen is het belangrijk te weten dat als de patiënt wensen op papier heeft gezet met daaronder naam, handtekening en datum, deze schriftelijke wilsverklaring geldig is, zo valt in de handreiking te lezen. Huisarts Dees: ‘Een arts kan het beste een kopie van een levenstestament inscannen in het dossier. Zelf leg ik in het dossier ook altijd de gemachtigde vast en haar telefoonnummer.’

 

Reacties uitgeschakeld voor Artsen en notarissen stemmen werk rond levenseinde af

Kom op voor de gewetensvrijheid

Katholiek Nieuwsblad, 8 december 2017, Opinie   Wie in de gezondheidszorg werkt, heeft een recht op erkenning van zijn of haar gewetensbezwaren. Dat lijkt logisch, maar in concrete gevallen kan…

Katholiek Nieuwsblad, 8 december 2017,

Opinie

 

Wie in de gezondheidszorg werkt, heeft een recht op erkenning van zijn of haar gewetensbezwaren. Dat lijkt logisch, maar in concrete gevallen kan het moeilijk zijn om je op dat recht te beroepen. Daarom moeten we ervoor opkomen, stelt Juristenvereniging Pro Vita.

 

Hulpverleners kunnen gewetensbezwaren hebben tegen het uitvoeren van bepaalde handelingen, zoals niet betrokken willen zijn bij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. Recht op erkenning van gewetensbezwaren is een fundamenteel mensenrecht en staat beschreven in internationale verdragen; het kan worden beperkt als de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen in gevaar komt.

 

Beperktere ruimte

Het Nederlands recht biedt een hulpverlener echter beperktere ruimte om zich te beroepen op zijn geweten. Een huisarts of specialist die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent kan een behandelingsovereenkomst met een patiënt ‘wel’ of ‘niet’ aangaan. Een thuiszorgorganisatie of ziekenhuis gaat ook een behandelingsovereenkomst aan, maar iemand die in dienstverband werkt, heeft geen keuze. Als een verpleegkundige niet wil meewerken aan euthanasie, moet de werkgever daartoe de ruimte bieden. Dit kan geen reden zijn voor ontslag, tenzij dit voor de werkgever tot onoverkomelijke organisatorische bezwaren leidt.

 

Een arts mag weigeren om levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding uit te voeren, handelingen die in beginsel strafbaar zijn. Een probleem kan ontstaan als levensbeëindigende handelingen worden gekwalificeerd als ‘normaal medisch handelen’.

 

Niet eten en drinken

Zo kunnen hulpverleners gewetensbezwaren hebben als patiënten bewust afzien van eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen. (Wat niet te verwarren is met het natuurlijke proces waarbij een stervende patiënt steeds minder eet en drinkt, omdat het lichaam daar geen behoefte meer aan heeft. Dit komt vaak voor en roept meestal geen vragen op.)

Bewust eten en drinken weigeren, om het leven te beëindigen, roept wel vragen op. Sommige artsen en organisaties wijzen patiënten op deze mogelijkheid, in geval zij zelf niet bereid zijn tot euthanasie,  of als niet voldaan wordt aan de zorgvuldigheidscriteria uit de Euthanasiewet.

 

Kritische kanttekeningen

Artsenfederatie KNMG en beroepsvereniging van zorgprofessionals V&VN presenteerden in 2015 de handreiking ‘Zorg voor mensen die bewust afzien van eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen’. Daarin wordt het weigeren van eten en drinken vergeleken met het weigeren van een behandeling waar het overlijden op volgt. Eten en drinken weigeren wordt niet als zelfdoding beschouwd, maar als gebruikmaken van het zelfbeschikkingsrecht. Een hulpverlener of mantelzorger mag dan geen voedsel en vocht toedienen.

Daar zijn kritische kanttekeningen bij te maken. Zo wordt een leeftijdsgrens genoemd van minimaal 60 jaar en is er geen second opinion vereist. Ook mag de patiënt afzien van diagnostiek en eventuele behandelingen, zelfs als sprake is van een depressie. Hoe weten we dan of deze patiënt wilsbekwaam is en dus zijn zelfbeschikkingsrecht uitoefent? Is het onthouden van vocht en voedsel dan niet in strijd met het meest fundamentele dat je een medemens moet geven?

 

Moeilijk

Als de patiënt overlijdt door eten en drinken te weigeren, wordt een natuurlijke dood gerapporteerd. Er is geen meldingsplicht en toetsing achteraf, zoals die bestaan bij euthanasie of hulp bij zelfdoding.

In tegenstelling tot euthanasie en hulp bij zelfdoding, is er bij het bewust afzien van eten en drinken geen directe relatie tussen handelingen van de hulpverlener en het bespoedigen van het levenseinde. Wel maakt de hulpverlener het de patiënt mogelijk om het zelfgekozen levenseinde te bespoedigen. Dit kan gewetensbezwaren opleveren.

Hulpverleners met gewetensbezwaren kunnen de zorg overdragen aan een collega. Zij moeten dan zorg verlenen tot het moment van de overdracht. Problematischer is ook hier de situatie van hulpverleners en verpleegkundigen die in dienstverband werken. Het is moeilijker om een beroep te doen op gewetensvrijheid, vooral als de werkgever het recht daarop niet respecteert.

 

Plicht tot handelen

Wij moeten allen opkomen voor het recht op gewetensvrijheid – opdat iedere visie evenveel gewicht in de schaal legt. Wellicht rust een grotere plicht tot het opkomen van deze belangen op de schouders van hen die kennis over deze materie hebben. Hetzij vanwege hun religieuze wortels, hetzij vanwege hun kennis van de mensenrechten. Immers, uit het voorrecht van kennis, vloeit de plicht tot handelen voort.

 

Juristenvereniging Pro Vita mengt zich sinds 1983 in het maatschappelijk debat over de waardigheid van het menselijk leven. Info: voorzitter@provita.nl

Reacties uitgeschakeld voor Kom op voor de gewetensvrijheid

Niet eten en drinken vereist medische zorg

Als een patiënt bewust afziet van eten en drinken, behoort de arts goede medische en verpleegkundige zorg te verlenen. Dat is vastgelegd in de ‘handreiking’ over de zorg aan deze…

Als een patiënt bewust afziet van eten en drinken, behoort de arts goede medische en verpleegkundige zorg te verlenen. Dat is vastgelegd in de ‘handreiking’ over de zorg aan deze patiënten, die KNMG en V&VN hebben uitgebracht.

Geen reacties op Niet eten en drinken vereist medische zorg

Type uw zoekwoord in onderstaand veld. Druk hierna op enter/return om te zoeken